ECLI:NL:RBOVE:2026:1279

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
11917054 \ CV EXPL 25-1839
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 3:37 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsachterstand zorgverzekering en toewijzing hoofdsom met beperkte incassokosten

Partijen sloten een zorgverzekeringsovereenkomst waarbij gedaagde betalingsachterstanden opliep vanaf augustus 2019. VGZ vordert betaling van deze achterstanden vermeerderd met bijkomende kosten. Gedaagde betwist de hoogte van de bijkomende kosten en stelt dat hij betalingsverplichtingen heeft nageleefd en actief heeft meegewerkt aan betalingsregelingen.

De rechtbank constateert dat gedaagde niet volledig heeft betaald en in verzuim is geraakt. De wettelijke rente is verschuldigd. VGZ vordert buitengerechtelijke incassokosten, maar kan niet aantonen dat een aanmaning van 8 september 2025 is ontvangen, waardoor slechts een deel van de incassokosten wordt toegewezen.

De kantonrechter matigt de proceskosten omdat VGZ verwarring heeft veroorzaakt door enerzijds een betalingsregeling aan te bieden en anderzijds deze af te wijzen na een lange reactietermijn. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 1.167,62 plus wettelijke rente en proceskosten van € 486,14. Een betalingsregeling kan niet door de rechter worden opgelegd.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande premie en zorgkosten met wettelijke rente en beperkte incassokosten, en proceskosten worden gematigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11917054 \ CV EXPL 25-1839
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 oktober 2025;
- de brief van [gedaagde] van 29 oktober 2025, die is aangemerkt als conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek van 16 december 2025;
- de brief van [gedaagde] ontvangen op 31 december 2025, die is aangemerkt als conclusie van dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst. Er is vanaf augustus 2019 een achterstand ontstaan in de betaling van de premie en zorgkostennota’s.
2.2.
Partijen hebben over de afgelopen jaren meerdere betalingsregelingen getroffen. Bij brief van 21 februari 2025 is aan [gedaagde] door de gemachtigde van VGZ (de laatste) betalingsregeling bevestigd. Afgesproken is dat [gedaagde] het -op dat moment- verschuldigde bedrag van € 1.268,33 in termijnen van € 200,00 per maand aflost.
2.3.
Op 26 februari, 25 maart en 25 april 2025 heeft [gedaagde] € 200,00 betaald.
2.4.
[gedaagde] heeft de premie van de maand april 2025 onbetaald gelaten. Hierop heeft de gemachtigde van VGZ op 29 april 2025 een brief aan [gedaagde] gestuurd, waarin onder andere staat opgenomen:
“De hoofdsom is in de tussentijd verhoogd doordat maandpremies en/of in rekening gebrachte declaraties niet tijdig zijn voldaan bij cliënte. U heeft zich daarmee niet gehouden aan de voorwaarden van de betalingsregeling. Uw regeling is om deze reden komen te vervallen.Ik wil u in de gelegenheid stellen om binnen 3 dagen na heden een voorstel voor een nieuwe betalingsregeling te doen. U kunt hiervoor gemakkelijk een verzoek indienen via het inlogportaal op www.inkassier.nl.”
2.5.
Bij e-mail van 2 mei 2025 heeft [gedaagde] gevraagd om een betalingsregeling. Samengevat heeft [gedaagde] voorgesteld om het openstaande bedrag van € 991,58 in termijnen van € 200,00 te betalen, ingaande per 27 mei 2025.
2.6.
Per 17 mei 2025 is [gedaagde] aangemeld bij het CAK.
2.7.
Op 23 juni 2025 heeft de gemachtigde van VGZ per brief gereageerd op het voorstel van [gedaagde] zoals bedoeld onder r.o. 2.5. In deze brief staat onder andere het volgende opgenomen:
“(…)
U heeft het afgelopen jaar al vier keer een regeling getroffen met mijn kantoor. Ik kan daarom geen nieuwe regeling met u treffen.
Daarnaast gaf u aan dat u op 27 mei jl. een deelbetaling zou doen van € 200,00. Tot op heden heeft u dit nog niet gedaan. Ik zal daarom uw dossier klaarzetten voor dagvaarden.”.
In deze brief staat ook opgenomen dat het op dat moment openstaande saldo € 1.155,68 bedraagt.
2.8.
[gedaagde] heeft daarop bij e-mail van 23 juni 2025 gereageerd en een nieuw voorstel tot volledige aflossing van het openstaande bedrag van € 1.155,68 gedaan (in twee termijnen). In deze brief staat voor zover van belang het volgende opgenomen:
“Ik verzoek u vriendelijk om op basis van mijn betaalgedrag in het afgelopen jaar, de omstandigheden rondom de eerdere regelingen én mijn concrete voorstel,af te zien van verdere incassomaatregelen of een dagvaarding.”.
2.9.
De gemachtigde van VGZ heeft tenslotte bij e-mail van 24 juli 2025 gereageerd op de e-mail van [gedaagde] .
“Volledigheidshalve geef ik u aan dat u altijd zonder toestemming betalingen mag doen, u kunt dit in de toekomst ook doen. Ik geef u nogmaals dat we geen afbetalingsregeling met u treffen. (…)”.

3.Het geschil

Waar gaat de zaak over?

3.1.
Partijen hebben een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten. Er is een betalingsachterstand ontstaan in de betaling van de premie en zorgkostennota’s.
VGZ vordert in deze procedure betaling van deze achterstand, vermeerderd met de bijkomende kosten. Volgens [gedaagde] heeft hij zijn betalingsverplichtingen structureel nageleefd en actief meegewerkt aan betalingsregelingen. De beëindiging van eerdere regelingen kwam niet door weigering of nalatigheid om te betalen, maar de manier waarop nieuwe premieachterstanden direct door VGZ aan haar gemachtigde, Inkassier, werden overgedragen en hoe deze gemachtigde vervolgens handelde, aldus [gedaagde] . [gedaagde] wil (een deel van) de betalingsachterstand wel betalen (door middel van een betalingsregeling), maar is het niet eens met de bijkomende kosten.

4.De beoordeling

Ambtshalve toetsing van toepasselijke algemene voorwaarden

4.1.
De kantonrechter heeft ambtshalve beoordeeld of in de van toepassing zijnde algemene voorwaarden bepalingen zijn opgenomen ten aanzien van de gevorderde vergoeding van rente en buitengerechtelijke incassokosten, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld en door de kantonrechter vernietigd moeten worden. Dat is niet het geval.
De hoofdsom
4.2.
Vaststaat dat tussen partijen een verzekeringsovereenkomst is afgesloten en dat [gedaagde] hiervoor premie dient te betalen. Daarnaast is [gedaagde] op grond van deze verzekeringsovereenkomst ook verplicht de zorgkostennota’s te betalen. Niet gebleken is dat [gedaagde] de betalingsachterstand volledig heeft betaald, dat betekent dat de gevorderde betalingsachterstand toewijsbaar is.
De wettelijke rente
4.3.
Vaststaat dat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald en hierdoor in verzuim is geraakt. De daarna in rekening gebrachte wettelijke rente moet [gedaagde] daarom ook betalen.
De buitengerechtelijke incassokosten
4.4.
VGZ vordert een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 195,23. Die vordering moet beoordeeld worden aan de hand van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van artikel 6:96, zesde lid, BW is een consument niet eerder buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd dan nadat hem na het intreden van het verzuim een kosteloze aanmaning is gestuurd waarin hem een termijn van (tenminste) 14 dagen is aangezegd om alsnog tot betaling over te gaan én waarin hem de gevolgen van niet-betaling, inclusief het verschuldigde – juiste – bedrag aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, is medegedeeld. VGZ stelt dat zij, althans haar gemachtigde, aan [gedaagde] aanmaningen heeft verzonden op 26 november 2024 en op
8 september 2025, die voldoen aan de in artikel 6:96 lid 6 BW Pro gestelde eisen. VGZ heeft de berekende incassokosten uit deze twee brieven bij elkaar opgeteld (€ 118,28 respectievelijk € 76,96). [gedaagde] heeft de ontvangst van de brief van 8 september 2025 betwist.
4.5.
Uitgangspunt is ingevolge artikel 3:37 lid 3 BW Pro (de ontvangsttheorie) dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (in dit geval de schriftelijke aanmaning), om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt, indien zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, zoals in dit geval de brief van 8 september 2025, dient de afzender (VGZ) feiten of omstandigheden te stellen en te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door haar is verzonden en dat de verklaring door de geadresseerde ( [gedaagde] ) is ontvangen, bijvoorbeeld door een afschrift van een aangetekende aanmaning over te leggen. Dit heeft zij niet gedaan. De enkele stelling dat VGZ [gedaagde] herhaaldelijk heeft aangemaand, is daartoe niet voldoende. Nu VGZ onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] de genoemde 14-dagenbrief van 8 september 2025 heeft ontvangen, zal dat deel van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. [gedaagde] heeft de ontvangst van de 14-dagen brief van 26 november 2024 niet betwist. Dat betekent dat aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen een bedrag van € 118,28
(incl. BTW).
Wat betekent dit voor [gedaagde] ?
4.6.
[gedaagde] moet aan VGZ betalen een bedrag van € 1.167,62 (bestaande uit
€ 6.963,98 aan hoofdsom plus € 411,34 aan wettelijke rente berekend tot 27 september 2025 plus € 118,28 aan buitengerechtelijke incassokosten minus de betalingen van in totaal
€ 6.325,98), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.167,62 vanaf
27 september 2025 tot de dag van volledige betaling.
De proceskosten
4.7.
VGZ vordert een proceskostenveroordeling. Volgens VGZ heeft [gedaagde] voldoende kansen gehad om de betalingsachterstand te betalen voordat zij is gaan dagvaarden. Er zijn meerdere betalingsregelingen getroffen tussen partijen, waarvan er meerdere zijn komen te vervallen als gevolg van een ophoging. Ook de laatste betalingsregeling is volgens VGZ terecht vervallen omdat [gedaagde] de premie voor de maand april 2025 onbetaald heeft gelaten. Het is op dit moment niet meer in het belang van [gedaagde] om, gelet op het verleden, opnieuw een betalingsregeling te treffen, aldus VGZ. Omdat volledige betaling, ondanks aanmaning, uitbleef, is VGZ deze procedure gestart.
4.8.
[gedaagde] vindt dat hij de proceskosten niet hoeft te betalen, omdat hij betalingsbereid was, maar geen kans van VGZ meer heeft gekregen om tot betaling of een regeling te komen. Gelet op de brief van (de gemachtigde) VGZ van 29 april 2025, waarin staat opgenomen dat hij binnen drie dagen een betalingsregeling kan voorstellen, heeft [gedaagde] bij e-mail van 2 mei 2025 opnieuw gevraagd om een betalingsregeling. Echter heeft VGZ hier pas na anderhalve maand op gereageerd met de mededeling dat een regeling niet meer mogelijk was. Verder heeft [gedaagde] naar voren gebracht dat hij sinds 17 mei 2025 aangemeld is bij CAK en de hoofdsom daardoor niet kan oplopen. Desondanks heeft VGZ de nieuwe betalingsregeling geweigerd. [gedaagde] vindt dat hem door VGZ geen reële mogelijkheid is geboden om tot betaling of een regeling te komen.
4.9.
De kantonrechter ziet in deze zaak aanleiding om de proceskosten te matigen en zij motiveert dat als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] een schuld heeft bij VGZ en dat deze schuld moet worden betaald. [gedaagde] heeft gedurende de jaren het overgrote deel van de destijds openstaande vordering (via meerdere betalingsregelingen) ingelopen. Voor het restant is [gedaagde] in rechte betrokken. Vooropgesteld wordt dat het treffen van een betalingsregeling een mogelijkheid is die veelal uit coulance wordt aangeboden aan de schuldenaar. Een schuldeiser kan niet verplicht worden een betalingsregeling te treffen. Zoals uit de correspondentie is gebleken heeft VGZ bij brief van 23 juni 2025 kenbaar gemaakt dat zij de aangeboden betalingsregeling heeft geweigerd en daarbij ook opgemerkt dat het dossier wordt klaargezet voor dagvaarden. Ook in de correspondentie daarna is geen overeenstemming bereikt over een betalingsregeling. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] wist althans had kunnen weten dat als hij niet zou betalen er een dagvaarding zou volgen. Nu vaststaat dat de laatste betaling op 25 april 2025 is geweest en er nadien geen betalingen hebben plaats gevonden, is de kantonrechter van oordeel dat VGZ terecht tot dagvaarden is overgegaan. Daarom moet [gedaagde] de kosten van de dagvaarding betalen en ook het griffierecht. Het gevorderde salaris gemachtigde daarentegen zal niet worden toegekend, omdat de kantonrechter vindt dat (de gemachtigde van) VGZ er voor heeft gezorgd dat er verwarring is ontstaan aan de zijde van [gedaagde] . Aan [gedaagde] wordt in de brief van 29 april 2025 niet alleen medegedeeld dat de regeling is komen te vervallen, maar tegelijkertijd wordt de mogelijkheid geboden om meteen weer een betalingsregeling te treffen. Binnen drie dagen stuurt [gedaagde] een betalingsvoorstel, waar pas na zeven weken op wordt gereageerd met de mededeling dat een regeling niet meer tot de mogelijkheden behoort. Zelfs in de aanzegging dagvaarding / 14-dagenbrief van 8 september 2025 wordt [gedaagde] nog in de gelegenheid gesteld om samen tot een oplossing te komen, terwijl die mogelijkheid er kennelijk niet meer was. Vanwege deze omstandigheden matigt de kantonrechter de proceskosten.
De kosten aan de kant van VGZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
340,00
Totaal
486,14
Betalingsregeling
4.10.
Ten slotte merkt de kantonrechter nog het volgende op. [gedaagde] wil graag een betalingsregeling. De kantonrechter komt niet de bevoegdheid toe een regeling op te leggen. Voor het treffen van een betalingsregeling moet [gedaagde] zich wenden tot (de gemachtigde van) VGZ. Opgemerkt wordt dat (de gemachtigde van) VGZ niet verplicht kan worden met [gedaagde] een betalingsregeling te treffen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tegen bewijs van kwijting aan VGZ te betalen een bedrag van
€ 1.167,62, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro hierover vanaf 27 september 2025 tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, aan de kant van VGZ tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 486,14;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op
10 maart 2026 (ak)