ECLI:NL:RBOVE:2026:1329

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11971413 \ CV EXPL 25-3633
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BWArt. 7:225 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 7:290 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming wegens huurachterstand winkelruimte

Eiser verhuurt sinds 2013 een winkelruimte aan gedaagde 1, die deze met toestemming onderverhuurde aan gedaagde 2. Er is een huurachterstand ontstaan van ruim 49 weken, waarvoor eiser ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vordert. De goederen van gedaagde 1 zijn onder bewind gesteld en de bewindvoerder heeft de huurachterstand niet betwist.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagde 1 tekort is geschoten in de huurbetalingsverplichting en wijst de vordering tot betaling van € 11.730,00 aan achterstallige huur toe, vermeerderd met wettelijke rente. De ontbinding van de huurovereenkomst wordt gerechtvaardigd geacht vanwege de omvang van de achterstand. Beide gedaagden worden veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis.

Daarnaast veroordeelt de rechter gedaagde 1 tot betaling van contractuele boetes van € 2.700,00 en buitengerechtelijke incassokosten van € 919,30. De proceskosten van eiser worden eveneens aan gedaagde 1 opgelegd, terwijl de proceskosten tussen eiser en gedaagde 2 worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden, gedaagde 1 veroordeeld tot betaling van huurachterstand, boetes en incassokosten, en beide gedaagden moeten het gehuurde binnen veertien dagen ontruimen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11971413 \ CV EXPL 25-3633
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Wiggers Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. de besloten vennootschap
[bewindvoerder] B.V.in de hoedanigheid van bewindvoerder van
[gedaagde 1],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen de bewindvoerder q.q.,
vertegenwoordigd door I. Jonker,

2 [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen [gedaagde 2]
procederend in persoon.

1.De zaak in het kort

[gedaagde 1] (hierna: [gedaagde 1] ) huurt een winkelruimte van [eiser] . De huur is nu € 242,00 per week. [gedaagde 1] heeft de winkelruimte onderverhuurd aan [gedaagde 2] . De goederen van [gedaagde 1] zijn onder bewind gesteld. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiser] eist onder meer dat [gedaagde 1] die huurachterstand betaalt, dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gehuurde ontruimen. [gedaagde 1] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen, de huurovereenkomst wordt ontbonden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten het gehuurde ontruimen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 4 en 6 november 2025,
- het proces-verbaal van de rolzitting, waar de bewindvoerder q.q. mondeling heeft geantwoord,
- het schriftelijke antwoord van [gedaagde 2] ,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Hierna is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] verhuurt met ingang van 1 juni 2013 aan [gedaagde 1] op basis van een schriftelijke huurovereenkomst de winkelruimte aan het adres [adres] in [woonplaats 2] (hierna: het gehuurde). [eiser] en [gedaagde 1] zijn een huurprijs van € 242,00 per week overeengekomen. De huur is bij vooruitbetaling verschuldigd.
3.2.
In artikel 9 van Pro de huurovereenkomst staat vermeld dat [gedaagde 1] toestemming heeft om het gehuurde onder te verhuren aan [gedaagde 2] . [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hadden in het verleden een relatie.
3.3.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro, model ROZ 59/2012 (hierna: algemene bepalingen), van toepassing verklaard. In artikel 25.3 van de algemene bepalingen is het volgende opgenomen:
“Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van € 300 per maand. (…)”
3.4.
De kantonrechter van deze rechtbank heeft in oktober 2019 een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde 1] . Tot bewindvoerder is per 1 mei 2022 benoemd [bewindvoerder] (gedaagde sub 1).
3.5.
[gedaagde 1] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Bij brief van 17 september 2025 heeft [eiser] [gedaagde 1] gesommeerd om tot betaling over te gaan van de op dat moment bestaande huurachterstand.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot ontruiming van het gehuurde. [eiser] vordert daarnaast, na vermindering van eis, veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 11.730,00 aan huurachterstand tot en met 26 oktober 2025. Ook vordert [eiser] veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 242,00 per week voor iedere week dat [gedaagde 1] het gehuurde in gebruik heeft of mocht hebben na 26 oktober 2025. Tot slot vordert [eiser] om [gedaagde 1] te veroordelen tot het betalen van € 2.700,00 aan contractuele boetes, € 1.115,28 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurbetalingsverplichting. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
4.3.
De bewindvoerder q.q. heeft de huurachterstand niet weersproken.
4.4.
[gedaagde 2] heeft naar voren gebracht dat zij het niet eens is met de gevorderde ontruiming. Zij voert daarbij aan dat het niet haar verantwoordelijkheid was om de huurtermijnen aan [eiser] te voldoen.

5.De beoordeling

Huurachterstand, ontbinding en ontruiming, gebruiksvergoeding
5.1.
Tussen [eiser] en [gedaagde 1] bestaat een huurovereenkomst op grond waarvan op [gedaagde 1] de verplichting rust om de huur (tijdig en volledig) te betalen. De bewindvoerder q.q. heeft de door [eiser] gestelde huurachterstand niet weersproken. De kantonrechter stelt daarom vast dat [gedaagde 1] is tekortgeschoten in de huurbetalingsverplichting. De gevorderde veroordeling tot betaling van de huurachterstand van € 11.730,00, berekend tot en met 26 oktober 2025, zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente daarover vanaf 27 oktober 2025 tot aan de dag van de volledige betaling, is niet betwist en ook toewijsbaar.
5.2.
Tot aan de datum van de dagvaarding is sprake van een forse huurachterstand van ruim 49 weken. Op de zitting is komen vast te staan dat [gedaagde 1] na dagvaarding geen huurbetalingen heeft gedaan. De huurachterstand is dus verder opgelopen. Deze tekortkoming brengt met zich dat de huurovereenkomst op grond van artikel 6:265 lid 1 BW Pro kan worden ontbonden, tenzij dat niet gerechtvaardigd is.
5.3.
De bewindvoerder q.q. heeft zich niet verzet tegen de gevorderde ontbinding en ontruiming. De bewindvoerder q.q. heeft naar voren gebracht dat het moeilijk is om contact te krijgen met [gedaagde 1] , dat de onderhavige vordering voor haar uit de lucht is komen vallen, dat [gedaagde 1] forse schulden heeft, dat haar onbekend is of [gedaagde 1] omzet draait en/of andere inkomsten heeft en dat voortzetting van de huur alleen maar voor meer schulden zorgt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de huurachterstand van zodanige omvang is dat ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee samenhangende ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd is.
5.4.
[eiser] heeft desgevraagd uitgelegd dat hij [gedaagde 2] mede heeft gedagvaard omdat zij als onderhuurder in de huurovereenkomst is genoemd. [gedaagde 2] heeft op de zitting verklaard dat zij al ruim twee jaar geleden is gestopt met de exploitatie van de winkel in het gehuurde. Sindsdien exploiteert [gedaagde 1] zelfstandig de winkel, aldus [gedaagde 2] .
Hoewel [gedaagde 2] het gehuurde dus naar eigen zeggen niet meer in gebruik heeft, heeft [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter nog wel belang bij zijn tegen [gedaagde 2] ingestelde vordering tot ontruiming. Vast staat immers dat [gedaagde 2] het gehuurde in ieder geval in het verleden in gebruik heeft gehad. Hoewel de kantonrechter op zich geen reden ziet om te twijfelen aan de verklaring van [gedaagde 2] dat zij het gehuurde nu niet meer in gebruik heeft, valt niet met zekerheid vast te stellen of die verklaring klopt. Bovendien heeft [gedaagde 2] in haar schriftelijke antwoord wel verweer gevoerd tegen de gevorderde ontruiming.
De vordering tot ontruiming zal ook tegenover [gedaagde 2] worden toegewezen. Door de ontbinding van de hoofdhuurovereenkomst kan [gedaagde 1] het gebruik van het gehuurde niet meer aan [gedaagde 2] verschaffen, en staat buiten twijfel dat [gedaagde 2] geen recht (meer) heeft om het gehuurde te gebruiken. Dat [gedaagde 2] niet verantwoordelijk was voor het voldoen van de huurtermijnen aan [eiser] is op zich juist. Maar dat staat er niet aan in de weg dat [eiser] de huurovereenkomst met [gedaagde 1] kan ontbinden omdat [gedaagde 1] zijn betalingsverplichting niet is nagekomen. Overigens heeft [gedaagde 2] ter zitting verklaard ook nooit huurbetalingen aan [gedaagde 1] te hebben gedaan.
5.5.
De ontbinding zal per vandaag worden uitgesproken. De termijn voor ontruiming zal, zoals gevorderd, op veertien dagen na betekening van dit vonnis worden gesteld. De kantonrechter overweegt dat geen aanleiding bestaat voor een langere ontruimingstermijn. De bewindvoerder q.q. heeft op dit punt niets ingebracht, terwijl [eiser] heeft gesteld dat hij belang heeft bij een spoedige ontruiming vanwege de gebrekkige staat van het gehuurde.
5.6.
[gedaagde 1] moet, zoals gevorderd, vanaf 27 oktober 2025 tot en met de daadwerkelijke ontruiming van het gehuurde € 242,00 per week betalen aan [eiser] . Tot de datum van ontbinding van de huurovereenkomst is [gedaagde 1] dat bedrag verschuldigd op basis van de huurovereenkomst onder de noemer huur. In de periode na ontbinding van de huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde is [gedaagde 1] op basis van de wet (artikel 7:225 BW Pro) een gebruikersvergoeding verschuldigd ter hoogte van een bedrag gelijk aan de huurprijs.
Contractuele boete
5.7.
[eiser] vordert betaling van de overeengekomen boete van 1% per maand, met een minimum van € 300,00 per maand. [eiser] heeft de boete berekend over de periode tot en met 26 oktober 2025. Volgens [eiser] staat dat gelijk aan negen maanden, zodat de boete € 2.700,00 bedraagt. De bewindvoerder q.q. heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid hiervan. De gevorderde boete is gebaseerd op artikel 25.3 van de algemene bepalingen en is toewijsbaar.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.8.
[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 921,72 exclusief btw. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal overeenkomstig het in het Besluit bepaalde tarief worden toegewezen tot een bedrag van € 919,30. Dit bedrag is iets lager dan gevorderd, omdat [eiser] de gevorderde hoofdsom waarop het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is gebaseerd, ter zitting met € 242,00 heeft verminderd. De gevorderde btw over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Dat [eiser] btw over de incassokosten in rekening mag brengen kan niet worden vastgesteld, nu hij niet heeft gesteld dat hij niet btw-plichtig is.
Wettelijke rente
5.9.
[eiser] vordert wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 27 oktober 2025 over de som van de tot en met 26 oktober berekende achterstallige huurbetalingen, de contractuele boetes en de buitengerechtelijke kosten.
De kantonrechter wijst alleen wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toe over de gevorderde huurachterstand. [gedaagde 1] is geen wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW verschuldigd, nu niet is gesteld dat [eiser] de winkelruimte heeft verhuurd in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De wettelijke rente over de huurachterstand is zoals gevorderd verschuldigd vanaf 27 oktober 2025, aangezien [gedaagde 1] op die datum van rechtswege in verzuim verkeerde door de huurtermijnen niet tijdig te betalen. De gevorderde wettelijke rente over het boetebedrag en de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat [eiser] niet heeft gesteld dat, en vanaf wanneer, [gedaagde 1] ten aanzien van die vorderingen in verzuim is geraakt.
Proceskosten
5.10.
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,38
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.891,38
5.11.
[eiser] heeft niet gevorderd om ook [gedaagde 2] in de proceskosten te veroordelen en hij heeft ter zitting verklaard dat het niet zijn bedoeling is dat [gedaagde 2] in de proceskosten wordt veroordeeld. De kantonrechter zal de proceskosten tussen [eiser] en [gedaagde 2] daarom compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de tussen [eiser] en [gedaagde 1] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [adres] ( [adres] ) in [woonplaats 2] ,
6.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] ,
6.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om te betalen aan [eiser] :
- € 11.730,00 aan achterstallige huur, berekend tot en met 26 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van voldoening,
- € 242,00 per week na 26 oktober 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
6.4.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] de contractuele boetes te
betalen van in totaal € 2.700,00,
6.5.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 919,30 ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten,
6.6.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] van € 1.891,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
compenseert de proceskosten tussen [eiser] en [gedaagde 2] , in de zin dat ieder de eigen kosten draagt,
6.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.