Uitspraak
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.de besloten vennootschap [gedaagde 1] B.V.,
2. de besloten vennootschap
[gedaagde 2] B.V.,
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord, met daarin een tegenvordering (eis in reconventie),
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
3.De feiten
Gebruik Kavel.
onder protest” geschreven.
4.Het geschil
- i) een verklaring voor recht dat de verhuurbemiddelingsovereenkomst tussen [gedaagde 1] B.V. en [eisers] is ontbonden en dat [gedaagden] B.V. jegens [eisers] geen aanspraak toekomt op enige schadevergoeding of boetebeding
- ii) veroordeling van [gedaagde 1] B.V. tot terugbetaling aan Moes van de ingehouden bedragen van de verhuurafrekening van de schiphuiswoning
- iii) [gedaagde 1] B.V. te veroordelen om binnen één week na betekening van dit vonnis tot inzage en afgifte van documenten waaruit specifiek de bezettingsgraad van de recreatiewoningen blijkt, het annuleringsbeleid en een gespecificeerde financiële afrekening en verantwoording die ziet op doorbelaste kosten over de jaren 2021, 2022, 2023 en 2024, op straffe van een dwangsom.
- i) hun verplichtingen voortvloeiende uit artikel 8 van Pro de Algemene akte na te komen en
- ii) de als productie 4 overgelegde verhuurbemiddelingsovereenkomst te ondertekenen en na te komen evenals de daarop volgende verhuurbemiddelingsovereenkomsten mits goedgekeurd door [bedrijf 2],
5.De beoordeling
onder protest” geplaatst. [eisers] hebben de verhuurbemiddelingsovereenkomst voor de torenwoning op 5 februari 2026 nogmaals ondertekend, dit keer zonder opmerking. Verder is van belang dat [eisers] hebben aangevoerd dat zij al jaren lang zonder succes aan [gedaagden] hebben gevraagd om informatie, maar dat niet gesteld of gebleken is dat [gedaagden] op grond van de tussen partijen geldende afspraken gehouden was die informatie aan [eisers] te verstrekken. Ook is van belang dat uit de e-mail van 2 februari 2026 van mr. Wiggers blijkt dat [eisers] in eerste instantie “onder protest” hebben getekend omdat zij “een slag om de arm wensten te houden wat betreft de hoogte van de terughuurprijzen”. Deze omstandigheden maken dat [gedaagden] op goede gronden in ieder geval enige vrees heeft dat [eisers] hun verplichtingen niet zullen nakomen en dus voldoende belang heeft bij een veroordeling van [eisers] tot nakoming op straffe van dwangsommen. De verklaring van mr. Wiggers op de zitting, dat [eisers] zich altijd aan hun verplichtingen hebben gehouden en dat ook zullen blijven doen, legt gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.
opvolgendeverhuurbemiddelingsovereenkomsten. Hiervoor is van belang dat dit naar het oordeel van de kantonrechter een te vergaande veroordeling is, nu de inhoud van een dergelijke toekomstige verhuurbemiddelingsovereenkomst op dit moment nog niet bekend is. De voorwaarde dat het moet gaan om een door de [bedrijf 2] goedgekeurde verhuurbemiddelingsovereenkomst, is naar het oordeel van de kantonrechter een onvoldoende waarborg om een dusdanig vergaande veroordeling te kunnen rechtvaardigen. In zoverre wijst de kantonrechter de vordering van [gedaagden] dan ook af.