ECLI:NL:RBOVE:2026:1333
Rechtbank Overijssel
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking rechter-commissaris in economische strafzaak ongegrond verklaard
Op 2 februari 2026 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die belast was met onderzoekshandelingen in zijn strafzaak over economische delicten. Verzoeker stelde dat de rechter-commissaris niet onpartijdig was, omdat zij het verhoor leidde op een wijze die zijn ondervragingsrecht beperkte en niet ingreep toen de officier van justitie hem onderbrak.
De rechter-commissaris verweerde zich door te stellen dat zij handelde binnen de opdracht van de meervoudige kamer en dat de beperkingen in het stellen van vragen voortkwamen uit deze opdracht. Ook gaf zij de officier van justitie ruimte om haar standpunt toe te lichten. De wrakingskamer oordeelde dat de indruk van partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd was en dat het knikken van de rechter-commissaris geen instemming of vooringenomenheid betekende.
De wrakingskamer benadrukte dat de rechter-commissaris de regie moest voeren tijdens het getuigenverhoor en dat dit geen grond voor wraking oplevert tenzij in uitzonderlijke gevallen. De juistheid van procesbeslissingen valt buiten de wrakingsprocedure en kan via andere rechtsmiddelen worden aangevochten. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris is ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.