Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1429

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/08/339198 / FA RK 25-2531
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:401 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging vaste zorgregeling en wijziging kinderalimentatie wegens verstoorde verstandhouding ouders

De man en vrouw zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. In het ouderschapsplan was een vaste zorgregeling opgenomen, waarbij de kinderen gemiddeld 3,5 dag per week bij de vader verbleven. De vrouw verzocht de rechtbank om deze zorgregeling te wijzigen in een ongeregelde regeling, omdat de kinderen geen contact meer wilden met hun vader en de verstandhouding tussen de ouders ernstig verstoord is.

De rechtbank heeft de kinderen gehoord en concludeerde dat zij niet openstaan voor contact met hun vader. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde geen vaste zorgregeling meer op te leggen vanwege de spanningen tussen de ouders en het risico dat dit de kinderen zou verharden. De rechtbank oordeelde dat het belang van de kinderen voorop staat en dat de vaste zorgregeling wordt beëindigd, zodat de kinderen zelf kunnen bepalen wanneer zij contact met hun vader willen.

Daarnaast werd de kinderalimentatie herzien. De rechtbank berekende de draagkracht van beide ouders op basis van hun netto besteedbaar inkomen en de draagkrachtformule van de Expertgroep Alimentatie. De man moet vanaf 3 oktober 2025 €488,50 per kind per maand betalen, rekening houdend met een zorgkorting van 5% vanwege het ontbreken van een vaste zorgregeling.

De rechtbank wees het verzoek van de man om voorlopige ondertoezichtstelling af, omdat er geen aanwijzingen waren voor een bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en beide ouders dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vaste zorgregeling wordt beëindigd en de kinderalimentatie wordt gewijzigd naar €488,50 per kind per maand met ingang van 3 oktober 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Zwolle
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/339198 / FA RK 25-2531
beschikking van 2 maart 2026
in de zaak van
[de vrouw],
verder te noemen: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. J.C.F. Kooijmans,
en
[de man],
verder te noemen: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
belanghebbende,
advocaat: mr. R.H. Broeksema.

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 3 oktober 2025;
- het verweerschrift, binnengekomen op 2 januari 2026;
- een F9-formulier van mr. Kooijmans, met bijlagen, binnengekomen op
8 januari 2026;
- een F9-formulier van mr. Broeksema, met bijlagen, binnengekomen op
16 januari 2026;
- een F9-formulier van mr. Kooijmans, met bijlagen, binnengekomen op
23 januari 2026;
- een F9-formulier van mr. Broeksema, met bijlage, binnengekomen op
26 januari 2026;
- een F9-formulier van mr. Broeksema, met bijlage, binnengekomen op
2 februari 2026.
1.2.
Op 9 februari 2026 heeft de kinderrechter met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft op 10 februari 2026 met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad.
2.
De feiten
2.1.
De man en de vrouw zijn op [datum] 2008 in [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Bij akte van 8 september 2020 is dit geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk.
2.2.
De man en de vrouw hebben samen twee kinderen:
[minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008, verder te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2010, verder te noemen: [minderjarige 2] .
De man en de vrouw hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3.
De man en de vrouw hebben de gevolgen van hun voornemen om te scheiden geregeld en neergelegd in het door beiden op 7 augustus 2025 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan. In het ouderschapsplan zijn de man en de vrouw, voor zover hier van belang, als volgt overeengekomen:
3. Zorgverdeling in tijd en plaats
De ouders hebben overlegd over de wijze waarop zij na de scheiding de zorg willen verdelen. De ouder waar de kinderen verblijven is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg. De zorgverdeling is als volgt vormgegeven:
Oneven week/dag
Ma
Di
Wo
Do
Vr
Za
Zo
Ochtend
V
V
V
V
V
M
M
Middag
V
V
V
V
M
M
M
Avond
V
V
V
V
M
M
M
nacht
V
V
V
V
M
M
M
Even week/dag
Ma
Di
Wo
Do
Vr
Za
Zo
Ochtend
M
M
M
M
M
V
V
Middag
M
M
M
M
V
V
V
Avond
M
M
M
M
V
V
V
nacht
M
M
M
M
V
V
V
Ochtend = waar zijn de kinderen in de ochtend en wie brengt ze (eventueel) die dag naar school
Middag = waar zijn de kinderen na schooltijd en wie haalt ze {eventueel} op van school
Avond = waar eten de kinderen
Nacht = waar slapen de kinderen die avond
In dit schema geldt dat V = vader en M = moeder.
(…)
8. Financiën
Behoefte kinderalimentatie
Bij het maken van de afspraken over de kosten van de kinderen is een alimentatieberekening gemaakt
conform het rapport Alimentatienormen. Daarbij is ook de behoefte van de kinderen berekend. De
behoefte geeft weer wat het welstandsniveau was van de kinderen ten tijde van de relatie. Op die
manier wordt vastgesteld hoeveel financiële middelen maandelijks nodig zijn om de kinderen op
hetzelfde niveau als tijdens de relatie te kunnen laten leven. Uit de berekening blijkt dat de kinderen
een behoefte hebben aan kinderalimentatie van € 1.300,00 per maand. Dat bedrag is gebaseerd op
een netto gezinsinkomen van € 5.651,00 per maand. Het netto gezinsinkomen is inclusief het
Kindgebonden Budget waar de ouders tijdens de relatie recht op hadden.
In de alimentatieberekening is berekend hoe de kosten van de kinderen zoveel mogelijk naar rato van
inkomen verdeeld kunnen worden. Doordat de ouders onvoldoende draagkracht hebben, kan niet in
de totale kosten van de kinderen worden voorzien. Volgens de draagkrachtberekening kan de vader
een bedrag van € 1.047,00 per maand en de moeder een bedrag van € 117,00 per maand bijdragen in
de kosten voor de kinderen.
Verdeling kosten kinderen (volgens de alimentatieberekening conform de tremanorm)
De vader kan op basis van de berekening € 1.047,00 bijdragen in de kosten van de kinderen. Van zijn
bijdrage zullen ook de kosten van de kinderen in zijn eigen huishouding moeten worden betaald.
Daarom houdt de berekening rekening met zorgkorting. Aangezien de kinderen gemiddeld 3,5 dagen
per week bij de vader verblijven, geldt voor hem een zorgkorting van 35%. De zorgkorting wordt
berekend over de behoefte. Het gaat om een bedrag aan zorgkorting van € 227,00 per maand, per
kind. Om het tekort aan draagkracht zoveel mogelijk te verdelen over beide ouders, is in de berekening
de zorgkorting gekort. In plaats van de voornoemde zorgkorting wordt gerekend met een zorgkorting
van € 193,00 per maand, per kind. Na aftrek van de zorgkorting heeft de vader nog € 660,00 over van
zijn bijdrage. Dat bedrag zou volgens de alimentatieberekening aan kinderalimentatie worden betaald
aan de moeder.
Afspraak ouders over de kosten van de kinderen
De ouders hebben afgesproken de alimentatieberekening te volgen. De vader zal daarom op de eerste
van elke maand een bedrag van € 660,00 storten op een door de moeder aan te wijzen bankrekening.
De moeder zal de kosten van de kinderen in haar eigen huishouden dragen en mede met behulp van
de onderhoudsbijdrage van de vader de overige kosten van de kinderen betalen, Hoge kosten voor
school zijn echter niet inbegrepen in de totale kosten voor de kinderen en worden door beide ouders
gedragen, ieder voor de helft. Onder hoge kosten worden uitzonderlijke kosten verstaan waarvoor
geen compensatie mogelijk is met andere uitgaven of waarvoor (nagenoeg) geen vergoedingen
ontvangen worden. Onder hoge kosten verstaan ouders in dit verband kosten van € 125,00 of hoger.
Deze financiële afspraak gaat in op de eerste van de maand nadat het echtscheidingsverzoek bij de
rechtbank is ingediend.
(…)
Indexering
De kinderalimentatie en de bijdrage levensonderhoud en studie jongmeerderjarige worden jaarlijks
verhoogd met het door de Minister van Justitie vastgestelde percentage, voor het eerst per 1 januari
2026.
(…)
Herziening kinderalimentatie
De kinderalimentatie is berekend op basis van de huidige inkomsten van de ouders en de huidige
regelgeving. In de alimentatieberekening is voor de vader gerekend met een bruto inkomen per jaar
van € 69.298,00 en voor de moeder is gerekend met een bruto inkomen per jaar van € 24.007,00.
Zodra het inkomen van één van de ouders met meer dan 10% stijgt of daalt, als er een aanzienlijke
wijziging komt in de regelgeving op het gebied van kinderalimentatie of de zorgverdeling verandert
en de wijziging heeft gevolgen voor de hoogte van de kinderalimentatie, dan kan de
kinderalimentatieafspraak worden herzien.
Zodra één van de ouders aangeeft en een verzoek doet voor het aanpassen van de kinderalimentatie,
dan zal ieder voor zich zijn/haar financiële gegevens verstrekken aan een onafhankelijke derde,
teneinde een alimentatieberekening te kunnen maken. De ouders verplichten zich de uitkomst van
de berekening op te volgen, tenzij zij tezamen anders zijn overeenkomen.
Als ingangsdatum zullen de ouders hanteren de eerste van de maand volgend op het verzoek tot
herziening van de kinderalimentatie, tenzij zij tezamen anders zijn overeengekomen. Eventueel
kunnen de ouders de uitkomst in een gerechtelijke uitspraak laten vastleggen. Mochten de ouders
geen overeenstemming kunnen bereiken, dan hebben zij de mogelijkheid het verzoek voor het
bepalen van de alimentatie voor te leggen aan de rechter.
De ouders komen overeen dat de kosten voor de herziening naar rato van inkomen zullen worden
gedeeld.”
2.4.
Bij beschikking van 3 september 2025 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen de man en de vrouw uitgesproken, welke beschikking op 8 september 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank ook, voor zover hier van belang, de getroffen onderlinge regelingen zoals die staan in hiervoor bedoeld echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan opgenomen in die beschikking.

3.Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking:
de in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling te wijzigen in een
ongeregelde of vrije zorgregeling, waarbij de behoefte en de wensen van de kinderen leidend zullen zijn, althans een zodanige zorgregeling als de rechtbank in goede justitie meent te behoren;
de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie te wijzigen in een
bedrag van € 523,50 per kind per maand;
kosten rechtens.

4.Het verweer

4.1.
De man concludeert tot afwijzing van de verzoeken van de vrouw.
4.2.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verzocht om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen.

5.De beoordeling

De zorgregeling
De ontvankelijkheid
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de in het ouderschapsplan vastgestelde zorgregeling niet langer wordt nageleefd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op dit moment geen contact met de man. De vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Het wettelijk criterium
5.2.
Op grond van artikel 1:253a leden 1 en 2 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond van nadien gewijzigde omstandigheden of vanwege het feit dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechter dient bij de beslissing alle omstandigheden van het geval in acht te nemen.
De standpunten
5.3.
De vrouw vindt de zorgregeling die in het ouderschapsplan is opgenomen niet langer in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij stelt – kort gezegd – het volgende. De relatie tussen de man en de kinderen is ernstig verstoord geraakt. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben allebei aangegeven dat zij geen contact meer willen met hun vader. De kinderen wonen nu volledig bij de vrouw. De vrouw verzoekt daarom de rechtbank te bepalen dat de in het ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling niet langer geldt, zodat de kinderen niet verplicht kunnen worden om naar de man te gaan. De kinderen kunnen dan het contact met de man zelf invullen als zij daaraan toe zijn.
5.4.
De man kan zich niet vinden in het verzoek van de vrouw. Volgens de man komen de spanningen die de kinderen ervaren voort uit een loyaliteitsconflict. De vrouw is verplicht om het contact van de kinderen met de man te bevorderen. Uit niets blijkt dat de vrouw dit doet. De man beseft dat de kinderen – gezien hun leeftijd – in hoge mate zelf keuzes maken, maar de man wil wel dat er een structurele zorgregeling blijft gelden. Op zijn minst moet er een onderzoek door de raad worden gedaan naar wat er de afgelopen periode is gebeurd, zo stelt de man.
Het advies van de raad
5.5.
De raad adviseert de rechtbank te bepalen dat er geen vaste zorgregeling meer geldt tussen de man en de kinderen. Wanneer er tussen ouders over en weer boosheid en onbegrip bestaat – zoals bij deze ouders het geval is – is het voor kinderen lastig om met beide ouders contact te houden. De kinderen zitten dan tussen de ouders in. De raad verwacht niet dat het opleggen van een vaste regeling de situatie zal verbeteren. Voor de kinderen zou het wel helpend zijn als de communicatie tussen de ouders wordt verbeterd en de kinderen merken dat er weer rust is tussen de ouders. Dit zal de nodige tijd vergen. Verder ziet de raad op dit moment geen aanleiding om onderzoek te doen naar wat er de afgelopen periode gebeurd is. Het gaat erom wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op dit moment nodig hebben om met beide ouders contact te kunnen hebben. De raad adviseert de ouders om daarover in gesprek te gaan bij een hulpverleningsinstantie.
Het oordeel van de rechtbank
5.6.
De rechtbank acht zich op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing over de zorgregeling te kunnen nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten, zoals de man verzoekt.
5.7.
De rechtbank vindt het verdrietig dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] momenteel geen contact meer hebben met hun vader. Desondanks ziet de rechtbank, mede gelet op de leeftijd van de kinderen, geen ruimte om te bepalen dat er een vaste zorgregeling blijft gelden. De rechtbank overweegt daartoe dat de verstandhouding tussen de ouders zeer slecht is. Naar alle waarschijnlijkheid hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar last van. Zij zitten tussen de ouders in. Dit maakt het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lastig om goed contact te houden met beide ouders. Beide kinderen hebben in het gesprek met de kinderrechter duidelijk aangegeven dat zij op dit moment niet openstaan voor contact met hun vader. In deze situatie is het risico dat het opleggen van een regeling de kinderen zal doen verharden, groot. Daar komt bij dat de kinderen inmiddels een leeftijd hebben waarop niet goed voor te stellen is dat de vrouw tot uitvoering van een zorgregeling kan worden gedwongen. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij ook inziet dat het niet zal werken om de kinderen te dwingen om een structurele regeling te volgen. Wel heeft de man benadrukt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd welkom bij hem zijn.
5.8.
Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw toewijzen. Dit betekent dat er geen vaste zorgregeling meer geldt. Het staat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vrij om contact op te nemen met hun vader als zij daaraan toe zijn.
5.9.
De rechtbank merkt daarbij het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk naar voren gekomen dat de vrouw erg boos is op de man. De rechtbank wijst de vrouw erop dat de kinderen daar ook iets van meekrijgen. De aversie die de kinderen tegen hun vader uitten kan daar mede door beïnvloed zijn. Het zou verdrietig zijn als de kinderen om die reden hun vader blijven mijden. De rechtbank benadrukt daarom dat het belangrijk is dat de vrouw haar boosheid over het verleden zoveel mogelijk loslaat en dat zij zich gaat richten op de toekomst, hoe moeilijk dat ook is. Het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vergt dit van haar.
De voorlopige ondertoezichtstelling
5.10.
De rechtbank zal het verzoek van de man om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen, afwijzen. De rechtbank begrijpt dat de man vreest dat het contact tussen hem en de kinderen niet zal worden hersteld als er niet wordt ingegrepen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat sprake is van een dusdanige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat een beschermingsmaatregel noodzakelijk is. Los van de verstandhouding tussen de ouders en het gebrek aan contact tussen de man en de kinderen, lijkt het namelijk goed te gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard geen aanleiding te zien om een beschermingsonderzoek te doen. Gelet op deze omstandigheden zal de rechtbank het verzoek van de man afwijzen.
De kinderalimentatie
5.11.
De rechtbank zal beslissen dat de man een bedrag van € 488,50 per kind per
maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen, vanaf 3 oktober 2025. Dit betekent dat een deel van het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. De berekening is in de bijlage van deze beschikking opgenomen.
De reden voor de wijziging
5.12.
De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [1] Dat is hier het geval, nu de rechtbank zal bepalen dat er geen vaste zorgregeling tussen de man en de kinderen meer geldt.
De ingangsdatum
5.13.
Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en
belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de (gewijzigde) kinderbijdrage gaat gelden.
5.14.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de
ingangsdatum van de (gewijzigde) alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechtbank beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de door de man te betalen (gewijzigde) bijdrage 3 oktober 2025, omdat dit de datum is van het inleidend processtuk van de vrouw en de man met ingang van die datum rekening heeft kunnen houden met een wijziging van de te betalen bijdrage.
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
5.15.
De man en de vrouw zijn het met elkaar eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2025 in totaal € 1.300,- bedroeg. De behoefte staat daarmee in rechte vast.
De draagkracht van beide ouders
5.16.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd.
De draagkracht van de man
5.17.
De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.060,- per maand. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
5.18.
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank eerst naar het inkomen van de man. Voor het inkomen gaat de rechtbank uit van de jaaropgaaf 2025, waarin een inkomen van € 69.464,- bruto per jaar staat genoemd. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man berekent de rechtbank op € 4.035,- per maand.
5.19.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.20.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van € 4.035,-=) afgerond € 1.210,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.310,- per maand.
5.21.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (€ 4.035,- -/- € 1.210,- -/- € 1.310,- =) € 1.515,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 1.060,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
5.22.
De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 263,- per maand. De rechtbank zal uitleggen hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
5.23.
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank eerst naar haar inkomen. Voor dat inkomen gaat de rechtbank uit van de uitkeringsspecificaties over de maanden oktober-december 2025, waarin een inkomen van € 1.897,91 bruto per maand staat genoemd. Dit bedrag wordt vermeerderd met de vakantietoeslag waar de vrouw recht op heeft. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw, inclusief haar aanspraak kindgebonden budget en alleenstaande ouderschap van € 10.050,- per jaar, komt daarmee op € 2.409,- per maand.
5.24.
De rechtbank zal geen rekening houden met het gegeven dat het recht van de vrouw op kindgebonden budget voor [minderjarige 1] in oktober 2026 stopt, zoals de vrouw heeft verzocht. De (gewijzigde) kinderalimentatie gaat immers in per 3 oktober 2025. Vanaf dat moment heeft de vrouw nog een jaar lang recht op kindgebonden budget ten behoeve van beide kinderen. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders de kinderalimentatie in onderling overleg aanpassen zodra [minderjarige 1] 18 jaar wordt.
5.25.
Vervolgens kijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.26.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld, zoals de rechtbank ook in rechtsoverweging 5.20. heeft gedaan. Uitgaande van die formule blijft van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw een bedrag van (€ 2.409,- -/- € 723,- -/- € 1.310,- =) € 376,- over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 263,- per maand.
De verdeling van de kosten
5.27.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
5.28.
Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 1.060,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 263,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 1.323,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te betalen, want die zijn € 1.300,- per maand. Dit betekent dat de man een deel van (€ 1.060,- / € 1.323,- x € 1.300,- =) afgerond € 1.042,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (€ 263,- / € 1.323,- x € 1.300,- =) afgerond € 258,- per maand dragen.
Zorgkorting
5.29.
Tot slot krijgt normaal gesproken de ouder die kinderalimentatie moet betalen een korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd.
5.30.
Zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank bepalen dat er geen vaste zorgregeling tussen de man en de kinderen meer geldt. Gelet hierop acht de rechtbank een zorgkorting van 5% van de behoefte passend. Dat is € 65,- per maand. Dit betekent dat de man een bedrag van (€ 1.042,- -/- € 65,- =) € 977,- voor beide kinderen moet betalen, oftewel € 488,50 per kind per maand.
De alimentatie moet vooruit worden betaald
5.31.
De rechtbank zal beslissen dat de man vanaf nu de (gewijzigde) kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
5.32.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
5.33.
De rechtbank zal beslissen dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
wijzigt de in het ouderschapsplan van 7 augustus 2025 opgenomen zorgregeling en bepaalt dat er geen vaste zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geldt;
6.2.
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen:
[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008,
[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 2010
zoals opgenomen in het ouderschapsplan van 7 augustus 2025 en bepaalt die bijdrage met ingang van 3 oktober 2025 op
€ 488,50(
vierhonderdachtentachtig EURO en vijftig EUROCENT)per kind per maand, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt;
6.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2026 in tegenwoordigheid van mr. C. Ruiter, griffier.
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
[afbeelding]
[afbeelding]
[afbeelding]

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek.