ECLI:NL:RBOVE:2026:1432

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/08/338124 / HA ZA 25-296
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen mede-eigendom en intimidatie Menzil-gemeenschap

Eisers, volgelingen van de Menzil-gemeenschap, vorderen mede-eigendom van vijf panden die eigendom zijn van gedaagde en een verbod op intimidatie en bedreiging door gedaagde. Zij stellen dat de panden zijn gefinancierd met donaties van de gemeenschap.

Gedaagde betwist dit en voert aan dat de panden rechtmatig zijn gekocht met middelen uit het vermogen van de overleden spiritueel leider. De rechtbank stelt vast dat de panden notarieel zijn geleverd aan gedaagde en in het kadaster op haar naam staan, waardoor zij juridisch eigenaar is. Het feit dat volgelingen mogelijk hebben bijgedragen aan de financiering leidt niet tot mede-eigendom.

De vordering tot eigendomsoverdracht wordt daarom afgewezen. Ook de vordering om te stoppen met intimidaties en bedreigingen wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing dat gedaagde zich hieraan schuldig maakt. Eisers worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eisers af en veroordeelt hen in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/338124 / HA ZA 25-296
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van

1.de stichting STICHTING WELZIJN MUALLA,

gevestigd en kantoorhoudende te Rotterdam,
2. de stichting
STICHTING DEMOCRATISCHE JONGEREN,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,
3.
[eiser],
wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers],
advocaat: mr. J. Peters,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A. Prascevic.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding d.d. 21 februari 2025,
  • het door de kantonrechter op 4 maart 2025 tussen [eisers] en [gedaagde] bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer 11568061 (verder: het verstekvonnis),
  • de verzetdagvaarding d.d. 3 april 2025,
  • de mondelinge behandeling bij de kantonrechter te Enschede van 21 juli 2025,
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 juli 2025.
1.2.
Bij vonnis van 2 september 2025 heeft de kantonrechter te Enschede het verstekvonnis van 3 maart vernietigd. In dit vonnis is verder bepaald dat twee vorderingen de absolute rechtsmacht van de kantonrechter te boven gaan. De zaak is vervolgens voor deze onderdelen naar de civiele kamer bij deze rechtbank verwezen in de stand waarin deze zich bevindt.
1.3.
Er is vervolgens op verzoek van [eisers] een nieuwe mondelinge behandeling bepaald.
1.4.
De griffie van het kantongerecht in Enschede heeft het dossier doorgestuurd naar de rechtbank. Uit de aantekeningen van de zittingsgriffier blijkt dat de kantonrechter de stukken die [eisers] kort voor de zitting hadden toegestuurd en waartegen [gedaagde] bezwaar had gemaakt, door de kantonrechter ‘voorlopig’ buiten beschouwing zijn gelaten. Ook de rechtbank beschikt dus niet over deze stukken.
1.5.
Bij e-mailbericht van 20 januari 2026 hebben [eisers] een vijftal aanvullende producties in het geding gebracht. Daarnaast hebben [eisers] bij e-mailbericht van 21 januari 2026 en 22 januari 2026 gegevens van de door hen opgegeven getuigen naar de griffie van de rechtbank verzonden.
1.6.
Op 2 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij partijen en hun advocaten zijn verschenen. Mr. J. Peters en mr. A. Prascevic hebben daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen die zijn overgelegd.
1.7.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[gedaagde] is eigenaar van vijf onroerende zaken, te weten panden gelegen te [plaatsen]. [eisers] vorderen de eigendom danwel mede-eigendom van deze panden. Zij stellen dat deze panden zijn gefinancierd door de volgelingen van de Menzil gemeenschap middels donaties en dat de panden daarom eigendom zijn van de gemeenschap en de volgelingen. Verder willen [eisers] dat [gedaagde] stopt met het intimideren en bedreigen van de volgelingen en bestuurders van de Menzil gemeenschap. De rechtbank wijst de vorderingen van [eisers] af. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd.

3.De feiten

3.1.
Stichting Welzijn Mualla c.s. maken onderdeel uit van de overkoepelende Stichting Semerkand Vakfi, gevestigd in Istanbul, Turkije. Deze stichting is een onderdeel van de religieuze gemeenschap van Menzil.
3.2.
Sinds de jaren ’90 zijn de Menzil soefi’s actief met lezingen, seminars en groepsmeditaties op verschillende locaties in Nederland.
3.3.
[gedaagde] is in 2011 opgericht. [naam 1] is als uiteindelijk belanghebbende (UBO) verbonden aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft vijf panden in Nederland in eigendom. De panden zijn gekocht met notariële levering en inschrijving.
3.4.
[eisers] maken gebruik van de panden van [gedaagde], soms op basis van een mondelinge overeenkomst en soms op basis van een schriftelijk contract.
3.5.
Op [overlijdensdatum] 2023 is de leider van de Menzil gemeenschap, [naam 1] overleden. Hij was op dat moment sjeik, de spiritueel leider. Toen hij overleed had hij drie zoons: [naam 2], [naam 3] en [naam 4].
3.6.
Tussen de drie zoons is verschil van mening ontstaan over de bezittingen van de Stichting Semerland Vakfi. Hierdoor zijn er wrijvingen ontstaan binnen de Menzil gemeenschap tussen de volgelingen van de oudste zoon [naam 2], en de volgelingen van de andere twee zoons: [naam 3] en [naam 4].
3.7.
[eisers] zijn volgelingen van [naam 2], [naam 4] is de UBO van [gedaagde].

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vorderen - samengevat – dat de rechtbank [gedaagde] gelast:
I. Te stoppen met intimideren en bedreigen zodat [eisers] en haar volgelingen/vrijwilligers zonder enige vrees, vrijelijk de nodige ativiteiten voor [eisers] kunnen verrichten;
II. Mee te werken aan eigendomsoverdracht van de panden op naam van [gedaagde], waarin [eisers] zijn gevestigd ter verkrijging van het mede-eigendom hieran door [eisers]
4.2.
[gedaagde] voert verweer en verzoekt de rechtbank om de vorderingen van [eisers] af te wijzen met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.

5.De beoordeling

De vordering tot (mede-) eigendom van de vijf panden
5.1.
[eisers] stellen dat de panden zijn aangeschaft met financiële bijdragen van volgelingen van de Menzil-gemeenschap en dat deze panden daardoor in eigendom van die gemeenschap zouden behoren te zijn. [eisers] hebben ter onderbouwing van deze stelling verklaringen van de soefi’s in het geding gebracht. Verder hebben zij bewijs aangeboden van hun stelling dat de panden met gedoneerde gelden zijn aangekocht en dat het de bedoeling was dat deze panden in eigendom van de gemeenschap zouden komen ten behoeve van de activiteiten van de gemeenschap.
5.2.
[gedaagde] betwist dit en voert in dat verband aan dat de panden rechtmatig en zelfstandig zijn aangekocht met middelen afkomstig uit het vermogen van de heer [naam 1]. Verder voert [gedaagde] aan dat de aankopen op reguliere wijze zijn gefinancierd en dat bij de transacties de herkomst van de gelden door de betrokken bankinstellingen en notaris zijn gecontroleerd.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat de eigendom van de panden bij notariële akte is overgedragen aan [gedaagde] en in de openbare registers op haar naam zijn gesteld. De panden zijn nooit mede aan [eisers] geleverd. Dit betekent dat [gedaagde] de juridische eigendom heeft. Dit is door [eisers] ook niet betwist. Dat de volgelingen van de Menzil-gemeenschap mogelijk een financiële bijdrage hebben geleverd, maakt dit niet anders. Dit kan misschien leiden tot een vergoedingsrecht, maar dat is in deze procedure niet gevorderd. De panden zijn uitsluitend in eigendom van [gedaagde]. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het voor het rechtsverkeer van groot belang is dat in de registers van het kadaster de juiste eigendomsverhoudingen met betrekking tot onroerende zaken staan vermeld en dat niet enkel door de bedoeling van partijen of betalingen die zij verricht(t)en een andere eigendomsverhouding kan worden aangenomen of verkregen dan vermeld in die registers.
5.4.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] kennelijk al jaren eigenaar is van de panden, dat [eisers] en andere aan de Menzil-gemeenschap gelieerde gebruikers van de panden voor dat gebruik jarenlang vergoedingen hebben betaald en dat [eisers] tot het overlijden van [naam 1] medio 2023 nooit bezwaar tegen een en ander hebben gemaakt. Pas na diens overlijden is de discussie begonnen die tot deze procedure heeft geleid. De rechtbank begrijpt dat de onenigheid tussen de zonen van [naam 1] repercussies heeft voor de geloofsgemeenschap. Maar ingrijpen in de eigendomssituatie van de panden van [gedaagde] is een vergaande vordering die niet op grond daarvan kan worden toegewezen.
5.5.
De conclusie is dat de vordering van [eisers] om [gedaagde] te gelasten mee te werken aan eigendomsoverdracht moet worden afgewezen.
5.6.
Het voorgaande sluit niet uit dat [eisers] anderszins aanspraken kunnen hebben op [gedaagde], maar in dit geding zijn niet voldoende feiten gesteld of gebleken die een andere rechtsgrond daarvoor kunnen vormen en die [gedaagde] ook als zodanig had moeten begrijpen. Er hoeft in deze procedure dan ook geen nader onderzoek te worden gedaan naar de vraag van wie de gelden die gebruikt zijn voor de aankoop van de panden afkomstig waren of wat de bedoeling van betrokkenen was. Zelfs als de panden zijn aangekocht met gedoneerde gelden van de volgelingen maakt dit namelijk nog niet dat zij daarmee eigenaar zijn geworden of kunnen worden van de panden. Dit betekent dat het door [eisers] gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd.
De vordering om te stoppen met intimideren en bedreigen
5.7.
Partijen zijn het met elkaar eens dat er sprake is van verdeeldheid binnen de Menzil gemeenschap. Partijen hebben op 21 juli 2025 in een vaststellingsovereenkomst bij de kantonrechter ook afspraken gemaakt over de intimidaties en bedreigingen, maar deze overeenkomst is kennelijk opgezegd. [eisers] stellen dat [gedaagde] zich schuldig maakt aan intimidaties en bedreigingen richting het bestuur en haar volgelingen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] gesteld dat de volgelingen zich bedreigd voelen door aanhangers van [naam 4] . Er is volgens hen ook aangifte gedaan en de Haarlemse recherche zou een onderzoek hebben ingesteld. [gedaagde] betwist dat er sprake is van intimidaties en bedreigingen. In dat verband voert [gedaagde] aan dat deze beschuldiging op geen enkele wijze is onderbouwd met feiten.
5.8.
De rechtbank wijst de vordering van [eisers] af omdat zij onvoldoende hebben onderbouwd dat de rechtspersoon [gedaagde] zich schuldig maakt aan deze intimidaties en bedreigingen noch dat [gedaagde] kan voorkomen dat aanhangers van [naam 4] zich hier schuldig aan maken. De rechtbank wijst er beide partijen (hopelijk ten overvloede) op dat dit niet betekent dat het hen vrij staat om te intimideren en te bedreigen. De afwijzing van de vordering is namelijk enerzijds gegrond op het feit dat de gedragingen op zichzelf al strafbaar zijn en anderzijds dat [eisers] onvoldoende hebben onderbouwd dat er sprake is van intimidaties en bedreigingen door de rechtspersoon [gedaagde].
Proceskosten
5.9.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.959,00
(3 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.862,00
5.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.862,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.