ECLI:NL:RBOVE:2026:1433

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/08/335353 / HA ZA 25-212
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:59 BWArt. 6:61 lid 2 BWArt. 6:87 BWArt. 6:89 BWArt. 7:750 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens niet tijdig klagen over gebrekkige aanneming kozijnen

Eiser gaf opdracht aan gedaagde om kozijnen, deuren en vensterbanken te plaatsen tegen betaling. Eiser stelde dat gedaagde de opdracht niet deugdelijk had uitgevoerd en niet had voltooid, en vorderde een vervangende schadevergoeding van € 37.000,-.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet binnen bekwame tijd over de gebreken had geklaagd, waardoor hij geen beroep kon doen op de gebreken. Daarnaast had eiser gedaagde geen duidelijke gelegenheid gegeven om herstelwerkzaamheden uit te voeren, waardoor eiser in verzuim was gekomen. Gedaagde had wel herstel aangeboden, maar dit werd door eiser afgewezen zonder specificatie van de gewenste werkzaamheden.

De rechtbank concludeerde dat de vordering van eiser daarom niet toewijsbaar was. Ook werd vastgesteld dat gedaagde niet in verzuim was geraakt. De proceskosten werden aan eiser opgelegd en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering van eiser tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens niet tijdig klagen en geen verzuim van gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/335353 / HA ZA 25-212
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. E. Nijhoff,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.R. van Leeuwen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 14,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 10 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De zaak in het kort

[gedaagde] heeft in opdracht van [eiser] tegen betaling in de woning van [eiser] kozijnen, deuren en vensterbanken geplaatst.
[eiser] stelt dat [gedaagde] deze opdracht niet deugdelijk heeft uitgevoerd en niet heeft voltooid. In deze procedure vordert hij een vervangende schadevergoeding van
€ 37.000,-. [gedaagde] voert verweer.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet tijdig bij [gedaagde] over gebreken in de prestatie van [gedaagde] heeft geklaagd en [gedaagde] geen gelegenheid heeft gegeven om gebreken weg te nemen. De vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen. Hierna wordt deze beslissing toegelicht.

3.De feiten

3.1.
Op 29 mei 2022 heeft [eiser] een door [gedaagde] een hem uitgebrachte offerte voor akkoord ondertekend. Daarmee zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] in opdracht van [eiser] de volgende werkzaamheden aan de woning van [eiser] zou verrichten:
- het demonteren van de oude kozijnen € 1.750,00
- het plaatsen van de kozijnen incl. nieuwe spouwlatten zetten € 4.968,00
- kraan voor het plaatsen van de groeten kozijnen € 630,00
- container bouw sloop € 560,00
- rolsteiger € 250,00
- verzekeringen CAR € 250,00
- beton vensterbanken € 1.936,00
Totaal excl. BTW € 10.344,00
BTW Hoog 21% € 2.172,24
Totaal € 12.516,243.2. In de periode na de totstandkoming van de overeenkomst tussen partijen tot juni 2023 heeft [gedaagde] werkzaamheden voor [eiser] verricht.
3.3.
Bij e-mail van 11 augustus 2023 heeft GGN namens [gedaagde] aan [eiser] bericht dat [gedaagde] voor de verrichte werkzaamheden een vordering van € 1.009,44 op [eiser] heeft. In deze e-mail is vermeld dat [gedaagde] de werkzaamheden niet gaat afmaken.
3.4.
Op 20 mei 2024 heeft [gedaagde] de woning van [eiser] bezocht om mogelijke gebreken te beoordelen. [eiser] is daarbij aanwezig geweest.
3.5.
Op 13 juni 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] naar [eiser] gemaild dat [gedaagde] naar aanleiding van het bezoek op 20 mei 2024 zijn bevindingen heeft vastgesteld. Bij deze e-mail is een rapport van [gedaagde] gevoegd met voorgestelde oplossingen. [gedaagde] is bereid de werkzaamheden op te lossen die toezien op het door hem uitgevoerde werk en verneemt graag de reactie van [eiser] op de in het rapport genoemde punten.
3.6.
Op 3 juli 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] naar [gedaagde] gemaild dat hij binnen tien dagen graag verneemt of [gedaagde] bereid is om aanvullende werkzaamheden, zoals verwoord in de reactie van [eiser] , uit te voeren, bij gebreke waarvan [eiser] zich genoodzaakt ziet om vervangende schadevergoeding te vorderen.
3.7.
Bij voornoemde e-mail van 3 juli 2024 is een e-mail van 1 juli 2024 van de vader van [eiser] gevoegd met als onderwerp: “
reacties op bezoek van [gedaagde] aan de [eiser] aan de [adres]”. In deze e-mail heeft de vader van [eiser] aan de gemachtigde van [eiser] geschreven:

In de bijlagen zijn mijn antwoorde/ reacties toegevoegd op de bevindingen die [gedaagde] tijdens het bezoek op 20 mei heeft gedaan. Ik heb zowel de PDF als Word versie bijgevoegd, zodat U mogelijk makkelijker kunt knippen en/of plakken.
Indien er aan de offerte moet worden voldaan moeten eigenlijk alle kozijnen opnieuw worden gemonteerd. Maar willen we dit? Alle schilderwerk wordt dan (wederom) beschadigd terwijl ook o.a. het stucwerk (binnen) wordt beschadigd.
Tevens moeten de bewoners mogelijk tijdelijk ergens anders worden ondergebracht enz.
We willen eigenlijk een reële vergoeding voor het erin rammen van de kozijnen en dus het niet nakomen van de offerte
(dat [gedaagde] in eerste instantie een hoop kosten heeft bespaard en hem nu gaat opbreken), andere nalatigheden en vernielingen.
PS Tijdens het schrijven van de antwoorden/ reacties hinkte ik steeds op 2 gedachten. Enerzijds wil je antwoord geven op de zaken die niet goed zijn, anderzijds vervalt er een hoop indien de kozijnen allemaal op nieuw moeten worden geïnstalleerd.
3.8.
Ook is met voornoemde e-mail van 3 juli 2024 een reactie van de vader van [eiser] op de bevindingen van [gedaagde] van 20 mei 2024 meegestuurd.
3.9.
Bij brief van 11 juli 2024 heeft de gemachtigde van [gedaagde] naar [eiser] gemaild dat [gedaagde] zich niet kan vinden in de toevoegingen van [eiser] en bereid is om zijn werk te herstellen conform zijn rapportage van 20 mei 2024. [gedaagde] zal op 14 oktober 2024 starten met de herstelwerkzaamheden. Als [eiser] niet meewerkt aan herstel vanaf
14 oktober 2024, dan verkeert hij in schuldeisersverzuim.
3.10.
Bij e-mail van 21 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] naar [gedaagde] gemaild dat [eiser] vanwege de structurele weigering van [gedaagde] om gebreken te herstellen geen enkel vertrouwen meer in hem heeft en dat [eiser] aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot vergoeding van geleden schade ad € 37.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente en in de proceskosten. [gedaagde] voert verweer.
4.2.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Er is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk5.1. De rechtbank stelt voorop dat het geschil tussen [eiser] en [gedaagde] gaat over een overeenkomst van aanneming van werk in de zin van artikel 7:750 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). [gedaagde] heeft in opdracht van [eiser] kozijnen, deuren en vensterbanken geplaatst.
Hiermee is een werk van stoffelijke aard tot stand gebracht als bedoeld in voornoemd wetsartikel.
5.2.
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] de opdracht niet deugdelijk heeft uitgevoerd en niet heeft voltooid. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de kozijnen niet op nieuwe spouwlatten zijn gemonteerd en door middel van compriband zijn geïsoleerd. Het benodigde zaagwerk is volgens [eiser] zeer slecht uitgevoerd en bij het uitvoeren van de werkzaamheden zijn beschadigingen ontstaan aan onder andere kozijnen en de lichtkoepel.
5.3.
[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Hij heeft betwist verantwoordelijk te zijn voor de door [eiser] gestelde schade, omdat deze schade gedeeltelijk ziet op werkzaamheden die niet door hem zijn verricht en de schade niet door hem is veroorzaakt. Voor het overige heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] te laat over de gebreken heeft geklaagd en hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om herstel uit te voeren van de werkzaamheden die hij heeft verricht.
[eiser] heeft niet binnen bekwame tijd bij [gedaagde] geklaagd5.4. De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van artikel 6:89 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kan de schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar daartegen heeft geprotesteerd.
5.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser] niet binnen bekwame tijd over gebreken in de prestatie van [gedaagde] heeft geklaagd en overweegt daarover het volgende.
5.6.
[eiser] heeft een half jaar na het ontdekken van mogelijke gebreken daartegen bij [gedaagde] geprotesteerd. [gedaagde] heeft tot juni 2023 werkzaamheden voor [eiser] verricht. [eiser] was – naar eigen zeggen – in augustus 2023 ermee bekend dat [gedaagde] deze werkzaamheden ondeugdelijk had uitgevoerd. Desondanks heeft [eiser] [gedaagde] pas bij brief van 4 maart 2024 over mogelijke gebreken geïnformeerd. Voor dit tijdsverloop heeft [eiser] geen verklaring gegeven. Dat [eiser] niet eerder heeft kunnen klagen, is gesteld noch gebleken en kan daarom niet worden vastgesteld.
5.7.
Daar staat tegenover dat [gedaagde] door het tijdsverloop van een half jaar tussen het ontdekken van mogelijke gebreken en het protesteren wel in zijn belangen is geschaad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat hij na juni 2023 door derden werkzaamheden heeft laten uitvoeren om zijn woning bewoonbaar te maken. [eiser] heeft de kozijnen laten schilderen en de muren laten stuken. Namens [eiser] is naar voren gebracht dat [gedaagde] als gevolg van deze werkzaamheden geen herstel meer kan uitvoeren zonder dat het schilder- en/of stucwerk wordt beschadigd. In dit kader wordt onder andere gewezen op de e-mail van 1 juli 2024 van de vader van [eiser] aan de gemachtigde van [eiser] (hiervoor onder 3.7).
5.8.
Nu [eiser] zonder verklaring pas een half jaar na het ontdekken van mogelijke gebreken daartegen bij [gedaagde] heeft geprotesteerd en [gedaagde] door dit tijdsverloop in zijn belangen is geschaad, komt [gedaagde] een geslaagd beroep op artikel 6:89 BW Pro toe. Dit betekent dat [eiser] in deze procedure geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding voor de mogelijke gebreken. De vordering van [eiser] is reeds op deze grond niet toewijsbaar.
[gedaagde] is niet in verzuim geraakt5.9. Naast de omstandigheid dat [eiser] niet binnen bekwame tijd bij [gedaagde] heeft geklaagd over gebreken in de prestatie van [gedaagde] , neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde] niet in verzuim is geraakt.
5.10.
[gedaagde] heeft op 13 juni 2024 een aantal gebreken erkend en daarvan herstel aangeboden. De gemachtigde van [eiser] heeft op 3 juli 2024 daarop gereageerd dat hij graag binnen tien dagen verneemt of [gedaagde] bereid is aanvullende werkzaamheden zoals verwoord in de reactie van zijn cliënt uit te voeren.
5.11.
De rechtbank is van oordeel dat uit de e-mail van 3 juli 2024 niet blijkt welke aanvullende werkzaamheden [eiser] van [gedaagde] verwacht. Bij de e-mail zijn twee bijlagen gevoegd: een e-mail van 1 juni 2023 aan de gemachtigde van [eiser] en een reactie op de bevindingen van [gedaagde] van 13 juni 2024. Beide afkomstig van de vader van [eiser] . In de e-mail van 1 juni 2023 vraagt de vader van [eiser] zich af of zij wel herstel willen, omdat het stuk- en schilderwerk dan wordt beschadigd. Hij schrijft dat zij eigenlijk een reële vergoeding willen voor het erin rammen van de kozijnen. In de reactie op de inspectiebevindingen wijst de vader van [eiser] de door [gedaagde] aangeboden herstelwerkzaamheden af. Ook hier deelt hij mee dat na het verrichten van de herstelwerkzaamheden door [gedaagde] het stuc- en schilderwerk moet worden hersteld. Gelegenheid tot het verrichten van de aanvullende werkzaamheden is in deze stukken niet geboden. De reacties van de vader van [eiser] lijken er veeleer op te wijzen dat [eiser] het ontvangen van een schadevergoeding verkiest boven het verkrijgen van herstel.
5.12.
Nu onduidelijk is welke aanvullende werkzaamheden [eiser] wilde dat [gedaagde] zou verrichten, had [eiser] het aanbod van [gedaagde] om gebreken te herstellen niet mogen weigeren. Door aanvullende werkzaamheden van [gedaagde] te eisen zonder dit nader te specificeren, en zonder dat daarvoor een grond aanwezig was, heeft [eiser] verhinderd dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst alsnog kon nakomen. Hiermee is [eiser] op grond van artikel 6:59 BW Pro in schuldeisersverzuim is komen te verkeren. Zolang de schuldeiser in verzuim is, kan de schuldenaar ingevolge artikel 6:61 lid 2 BW Pro niet zelf in verzuim raken. Om in deze procedure aanspraak te kunnen maken op vervangende schadevergoeding had [gedaagde] op grond van artikel 6:87 BW Pro wel in verzuim moeten zijn. De vordering van [eiser] is daarom ook op deze grond niet toewijsbaar.
De conclusie
5.13.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen, omdat [eiser] niet aan de klachtplicht heeft voldaan en [gedaagde] niet in verzuim is. Aan de beoordeling van de stelling van [eiser] dat hij schade heeft geleden doordat [gedaagde] de opdracht niet deugdelijk heeft uitgevoerd, wordt daarom niet toegekomen. Het bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat er geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die – indien bewezen – tot een ander oordeel kunnen leiden.
5.14.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde] betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.235,00
5.15.
Het vonnis wordt wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de beslissing van de rechtbank moet worden gevolgd, ook als een van de partijen daartegen in hoger beroep gaat. De beslissing geldt in dat geval totdat in hoger beroep een beslissing is genomen.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] begroot op
€ 3.235,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Mul en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.