ECLI:NL:RBOVE:2026:1529

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
11860494 \ CV EXPL 25-2502
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 143 lid 2 RvArt. 6:52 BWArt. 7:757a BWArt. 7:764 lid 1 BWArt. 7:764 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsverplichting onder regieovereenkomst na opzegging en specificatiegeschil

Gedaagde heeft in opdracht van eiser werkzaamheden verricht onder een regieovereenkomst en vordert betaling van €9.065,92 voor gemaakte kosten en arbeid tot aan de opzegging door eiser. Eiser stelde zich op het standpunt dat zij haar betalingsverplichting mocht opschorten wegens het ontbreken van een volledige specificatie van materialen en urenstaten, en vorderde in reconventie het verstrekken van een kostenoverzicht en schadevergoeding.

De kantonrechter oordeelt dat eiser tijdig verzet heeft ingesteld tegen het verstekvonnis en dat zij zich niet mocht beroepen op opschorting omdat de facturen voldoende specificaties bevatten en de stellingen over onjuistheden onvoldoende waren onderbouwd. De opzegging door eiser maakte nakoming van toekomstige verplichtingen door gedaagde onmogelijk.

De gevorderde betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf de datum van opzegging en buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De vorderingen van eiser in reconventie worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van een overeengekomen verplichting tot het verstrekken van een opleverdossier. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van €9.065,92 met rente en incassokosten, en haar vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11860494 \ CV EXPL 25-2502
Vonnis van 10 maart 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in het verzet en in reconventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. G.H.P. van den Hoven,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in het verzet en in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.H. Lamers.

1.De procedure en het geschil

1.1.
[gedaagde] heeft bij inleidende dagvaarding van 3 oktober 2024 een vordering ingesteld tegen [eiser] . [eiser] is niet verschenen, waarna zij bij verstekvonnis van
15 oktober 2024 is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.065,92, vermeerderd met de in de dagvaarding gevorderde rente over dat bedrag vanaf 1 juni 2024 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Dit vonnis is op
11 november 2024 (niet in persoon) betekend.
1.2.
Bij dagvaarding van 25 augustus 2025 heeft [eiser] verzet ingesteld. Daarbij heeft zij in oppositie ontheffing van de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling gevorderd en afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van [gedaagde] . In reconventie heeft [eiser] gevorderd dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot het verstrekken van een volledig kostenoverzicht over het gehele werk, gespecificeerd per dag in materialen en manuren, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Vervolgens heeft zij deze eis in reconventie vermeerderd. Zij vordert nu aanvullend veroordeling van [gedaagde] tot betaling van schadevergoeding wegens het niet aanleveren van de gevraagde gegevens en het niet verhelpen van de door haar opgesomde gebreken, althans tot het, op straffe van verbeurte van een dwangsom, aanleveren van de gevraagde gegevens en het herstellen van de door haar opgesomde gebreken. Zij wordt namelijk geconfronteerd met handhavende maatregelen van het college van burgemeester en wethouders, aldus [eiser] .
1.3.
Volgens [gedaagde] kan [eiser] niet worden ontvangen in haar verzet. Mocht hierover anders worden beslist, dan moet volgens haar het gevorderde in conventie worden toegewezen en in reconventie worden afgewezen.
1.4.
Op 11 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Beide partijen hebben gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] heeft in opdracht en voor rekening van [eiser] werkzaamheden verricht in een appartementencomplex aan de [adres] .
2.2.
[gedaagde] heeft (als productie 5 bij haar conclusie van antwoord in reconventie) diverse facturen overgelegd, welke facturen zien op gewerkte uren en op gebruikte materialen. De eerste factuur, met nummer [factuurnummer 2] , dateert van 1 april 2024. Uit de tweede factuur ( [factuurnummer 1] d.d. 2 april 2024), met bijgevoegde weekstaat, kan worden opgemaakt dat met de werkzaamheden is begonnen op 27 maart 2024.
2.3.
[eiser] heeft (als productie 8) de WhatsApp-conversatie tussen [gedaagde] en
[naam 1] (de vader van de (middellijk) bestuurder van [eiser] en namens [eiser] betrokken bij het werk) in de periode van 8 maart tot en met 5 juni 2024 overgelegd.
2.4.
Op 6 mei 2024 19:31:20 appt [gedaagde] :
[naam 1] wat voor specificatie bedoel je heb Queens 2 en 3 de etage
(...)
En om 19:31:46:
Of bedoel je de materialen
(...)
Op diezelfde dag antwoordt [eiser] om 19:33:50:
Materialen met prijs
Daarop appt [gedaagde] :
(...)
(19:44:53) Heb je via de mail specificatie gestuurd [naam 1] wat er bij in zit lijkt me voldoende
(19:45:18) als je overal prijzen bij wilt hebben , kan je beter zelf volgende keer bestellen .
2.5.
Op 4 juni 2024 12:06:41 appt [gedaagde] :
[naam 1] we hebben een steiger nodig we komen niet tot boven is te hoog
En om 12:06:53:
En gevaarlijk op deze manier.
Daarop appt [naam 1] :
Rolsteiger is niet gevaarlijk.
Op 5 juni 2024 appt [gedaagde] :
Dag [naam 1] ,
Ik vind het vervelend dat de frustratie zo hoog bij je is opgelopen dat je me weg stuurd en helemaal niet meer tegen me wilt praten. (...)
2.6.
Op 30 juni 2024 mailt [eiser] aan [gedaagde] (productie 3 [eiser] ):
We wachten op de credit nota’s zie eerder mails we verwachten dat dit meer is als 10.00,00€ daarom betalen kunnen we deze niet betalen. Ook hebben we nog steeds niet de overzichten ontvangen van de opbouw van de in rekening gebrachte materialen. Om deze hebben we meerde gevraagd. Ook is ons nu opgevallen dat de gewerkte uren niet kloppen je hebt de pauzes m, een uur per dag per persoon als gewerkte uren doorberekend graag hiervan een credit nota.
(...)
2.7.
De gemachtigde van [eiser] schrijft op 23 juli 2024 (productie 4 dagvaarding) aan de gemachtigde van [gedaagde] :
(...)
Cliënte verwacht dat het bedrag dat door uw cliënte gecrediteerd dient te worden hoger is dan het bedrag dat uw cliënte nog meent te kunnen vorderen. (...)
Cliënte heeft uw cliënte meermaals verzocht om een specificatie van de verwerkte materialen, die ten grondslag liggen aan de facturen. Uw cliënte weigert, althans laat na, die specificatie te verstrekken. Voorts heeft cliënte uw cliënte er op gewezen dat de opgave van verloonde uren niet correct is. Zo zijn de pauzes – een uur per dag per persoon – ten onrechte doorberekend.
(...)
2.8.
[gedaagde] heeft (als productie 2) een verklaring van [naam 3] overgelegd, waarin onder meer staat:
Op dinsdag 4 juni 2024 was ik aanwezig en zag ik dat de heer [naam 1] met collega
[naam 2] in discussie kwam over de bouw van steigers in het trappenhuis van het Queens gebouw in Oldenzaal waar wij aan het werk waren.
[naam 1] zei dat [naam 2] wel meerdere rolsteigers op elkaar kon stapelen om de hogere delen van het trappenhuis te kunnen aansmeren. [naam 2] wilde dat niet omdat die werkwijze veel te gevaarlijk is, het is ook verboden. (...)
[naam 1] weigerde veilige steigers te regelen en werd erg boos op [naam 2] en zei toen dat [naam 2] het werk niet verder hoefde af te maken en naar huis kon gaan.
2.9.
[eiser] heeft (als productie 12 bij haar akte vermeerdering van eis) een brief
d.d. 16 december 2025 van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldenzaal overgelegd. Hierin staat onder meer:
(...)
Onze toezichthouders (...) hebben op 22 mei 2025 een controle uitgevoerd waarbij een aantal constateringen op hoofdlijnen zijn gedaan. Deze constateringen zijn vastgelegd in het controlerapport van 17 juli 2025. Dit controlerapport hebben wij u bij brief van 24 juli 2025 toegezonden. Op 5, 9 en 15 september 2025 hebben onze toezichthouders (...) hercontroles gehouden. (...)
In de algemene ruimten zijn de volgende constateringen gedaan:
(...)

Het detail van de WBDBO scheiding van de wanden tussen woning-trappenhuis en berging-trappenhuis moet nog worden aangeleverd. (...)
Met betrekking tot alle appartementen (genummerd [nummer 1] tot en met [nummer 2] ) vermeldt de brief dat onder andere
“het detail van de WBDBO scheiding van de wanden tussen woning-woning en woningtrappenhuis nog moet worden aangeleverd”en dat
“de uitvoering van de bekleding van de hoofddraagconstructie (kolommen) niet inzichtelijk is gemaakt”.
Bij appartement [nummer 1] is verder geconstateerd dat er geen verspringing in de brandcompartimentscheiding zit en dat dit gedeelte moet voldoen aan de vereiste WBDBO van minimaal 30 minuten. Bij appartement [nummer 3] is nog vermeld dat onbekend is welk plaatmateriaal is verwerkt in het (achter het plafond zittende) deel van de hoofddraagconstructie en dat moet worden aangetoond welk materiaal is gebruikt en of het materiaal voldoet aan een WBDBO van minimaal 60 minuten.
In de brief staat tot slot:
(...)
U krijgt van ons een termijn van 8 weken, ingaande dagtekening van deze brief, om zelf de in deze brief geconstateerde overtredingen ongedaan te maken. (...).
2.10.
Bij brief van 30 januari 2026 (productie 13 bij haar akte vermeerdering van eis) heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om binnen acht dagen na dagtekening van deze brief te verklaren dat zij de in de akte gevraagde gegevens binnen een maand na dagtekening van de brief zal verstrekken.

3.De beoordeling

ten aanzien van het verzet
3.1.
Het verzet is een rechtsmiddel voor de gedaagde die niet verschenen is en dus niet gehoord is om alsnog voor de rechter te verschijnen en zijn verweer naar voren te brengen. Het verzet moet op grond van artikel 143 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden gedaan bij exploot van dagvaarding binnen vier weken na de betekening van het vonnis of van enige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan de veroordeelde in persoon, of na het plegen door deze van enige daad waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging aan hem bekend is.
3.2.
[eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat zij (eerst) op 28 juli 2025 kennis heeft genomen van correspondentie van de gemachtigde van [gedaagde] van augustus 2024 en van de daarop gevolgde dagvaarding van 3 oktober 2024. Vervolgens heeft zij een afschrift van het vonnis opgevraagd bij deze rechtbank welk afschrift zij bij brief van 5 augustus 2025 heeft gekregen. Zij heeft vervolgens tijdig (binnen vier weken na 28 juli 2025) verzet ingesteld, aldus [eiser] .
3.3.
Gelet op deze door [eiser] geschetste gang van zaken, waarbij zij ter zitting is gebleven, moet het ervoor worden gehouden dat zij tijdig verzet heeft ingesteld. In het navolgende zal dan ook het gevorderde (in conventie en in reconventie) worden beoordeeld.
in conventie en in reconventie
3.4.
In casu heeft [gedaagde] (als onderaannemer van [eiser] ) op basis van een regieovereenkomst gewerkt. Bij een regieovereenkomst ontvangt de aannemer een vergoeding voor de werkelijk gemaakte uitvoeringskosten (zoals arbeidsloon en materiaalkosten). Daarbij worden deze kosten in het algemeen verhoogd met (doorgaans in percentages van die kosten uitgedrukte) opslagen voor winst en algemene kosten.
3.5.
[gedaagde] is begonnen met de werkzaamheden in maart 2024 en heeft deze gestaakt op 4 juni 2024. Zij heeft [eiser] in totaal 17 facturen gestuurd; 5 facturen voor materialen, 11 facturen voor gewerkte uren en 1 creditfactuur.
3.6.
Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de met onderstaande facturen in rekening gebrachte bedragen (in totaal € 9.065,92) ten onrechte niet betaald:
[factuurnummer 4] d.d. 26 mei 2024 ten bedrage van € 2.843,50
[factuurnummer 5] d.d. 2 juni 2024 ten bedrage van € 580,80
[factuurnummer 6] d.d. 2 juni 2024 ten bedrage van € 5.233,25
[factuurnummer 7] d.d. 4 juni 2024 ten bedrage van € 484,00
[factuurnummer 8] d.d. 24 juni 2024 (creditfactuur) ten bedrage van - € 75,63.
Geen bevoegdheid tot opschorting
3.7.
In haar dagvaarding in verzet (punt 9) schrijft [eiser] dat zij haar betalingsverplichting heeft opgeschort in afwachting van de door haar verzochte “kostenspecificatie over het gehele werk” (opschorting ter fine van nakoming).
Voor een beroep op opschorting is ex artikel 6:52 BW Pro vereist dat de schuldenaar beschikt over een opeisbare vordering op zijn wederpartij en dat tussen de verbintenis van de schuldenaar en zijn vordering op de wederpartij voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen. In casu mocht [eiser] zich naar het oordeel van de kantonrechter niet op opschorting beroepen. Hieronder wordt dit uitgelegd.
3.8.
Op de eerste factuur voor materialen (met nummer [factuurnummer 2] ) is verwezen naar een voordien (op 10 maart) gemailde specificatie, op de volgende vier facturen is telkens vermeld welke materialen zijn gebruikt. [eiser] merkt in haar dagvaarding in verzet (punt 9) dan ook ten onrechte op “dat de facturen van [gedaagde] geen enkele specificatie van de tijdens de werkzaamheden gebruikte materialen bevatten”.
Alle in rekening gebrachte bedragen voor materialen zijn betaald, alleen het met de laatste factuur (met nummer [factuurnummer 3] , zie hiervoor onder 3.6) in rekening gebrachte bedrag niet, hoewel ook op deze factuur de gebruikte materialen zijn vermeld (“8 emmers joint butter, 2 rollen tape, 2 rol gaas, 2 doos schuurpapier en 1 doos schuur spons”).
Waarom [gedaagde] jegens [eiser] verplicht zou zijn om (nog) meer inzicht te bieden – door een bedrag per materiaalsoort op te nemen en (zelfs, zie punt 19 van de pleitnota van [eiser] ) de onderliggende facturen voor de materialen over te leggen – valt niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, in te zien. Daarbij verdient opmerking dat [eiser] blijkens de door haar overgelegde WhatsApp-conversatie (slechts) eenmaal (op 6 mei 2024, zie hiervoor onder 2.4) heeft verzocht om “materialen met prijs”, waarop [gedaagde] heeft laten weten dat [eiser] (immers hoofdaannemer) dan beter zelf kon bestellen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] daarop vervolgens is teruggekomen.
3.9.
Voor zover [eiser] haar beroep op opschorting ook heeft willen baseren op het (voorafgaand aan deze procedure) ontbreken van urenstaten gaat dit beroep niet op. Nog daargelaten dat [gedaagde] te kennen heeft gegeven dat zij bij elke factuur voor gewerkte uren ook een urenstaat met de door de diverse medewerkers gewerkte uren voegde – waarmee dit ontbreken dus niet vaststaat – geldt dat [eiser] zich (al) op 30 juni 2024 op het standpunt heeft gesteld “dat de pauzes (een uur per dag per persoon) zijn doorberekend” (zie hiervoor onder 2.6). Daarmee heeft zij, zo begrijpt de kantonrechter, niet zozeer een beroep op opschorting ter fine van nakoming (van de verplichting tot het aanleveren van urenstaten), maar op opschorting ter fine van verrekening willen doen (omdat zij naar eigen zeggen dus te veel heeft betaald). Dit verweer slaagt niet, nu [eiser] een en ander op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De enkele stelling dat pauzes zijn doorberekend, is daarvoor onvoldoende.
Opzegging door [eiser]
3.10.
Partijen zijn het erover eens dat het werk niet is afgemaakt. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] de overeenkomst op 4 juni 2024 opgezegd, volgens [eiser] is het [gedaagde] geweest die ervoor heeft gekozen de werkzaamheden niet voort te zetten.
3.11.
De kantonrechter gaat er, gelet op het hiervoor onder 2.5 weergegeven WhatsApp-bericht van 5 juni 2024, in samenhang bezien met de door [gedaagde] overgelegde verklaring van [naam 3] (zie onder 2.8), vanuit dat het [eiser] is geweest die de overeenkomst heeft opgezegd. Dit stond haar (naar overigens niet in geschil is) vrij, gelet op het bepaalde in artikel 7:764 lid 1 BW Pro. Deze opzegging betekent dat toekomstige verplichtingen voor
[gedaagde] zijn komen te vervallen; het vorderen van nakoming daarvan is niet meer mogelijk. [gedaagde] is dus, anders dan [eiser] lijkt te veronderstellen, niet meer gehouden om het werk op te leveren (en evenmin om vervangende schadevergoeding in verband met (het niet herstellen van) gestelde gebreken te betalen).
Aanlevering gevraagde gegevens?
3.12.
In haar akte vermeerdering van eis heeft [eiser] het, na een opsomming van diverse constateringen van de toezichthouders (zie hiervoor onder 2.9), gelaten bij de enkele stelling dat “deze onderdelen het werk van [gedaagde] betreffen” en dat zij [gedaagde] heeft gesommeerd “deze gegevens” aan te leveren. Eerst ter zitting heeft [eiser] gesteld dat
[gedaagde] revisiebescheiden c.q. een opleverdossier als bedoeld in artikel 7:757a BW had moeten verstrekken, maar dat [gedaagde] dit niet heeft gedaan. Zij mag ook daarom haar betalingsverplichting opschorten, aldus [eiser] .
3.13.
Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
In geval van aanneming van bouwwerken is de aannemer op grond van artikel 7:757a BW verplicht om bij zijn kennisgeving dat het werk klaar is om te worden opgeleverd het zogenoemde opleverdossier met betrekking tot het tot stand gebrachte bouwwerk aan de opdrachtgever over te leggen. Dat dossier moet gegevens en bescheiden bevatten die volledig inzicht geven in de nakoming van de overeenkomst door de aannemer en de te dien aanzien uitgevoerde werkzaamheden. Het dossier moet blijkens de bepaling in ieder geval bevatten: a. tekeningen en berekeningen betreffende het tot stand gebrachte bouwwerk en de bijbehorende installaties, en een beschrijving van de toegepaste materialen en installaties, alsmede de gebruiksfuncties van het bouwwerk, en b. gegevens en bescheiden die nodig zijn voor gebruik en onderhoud van het bouwwerk. Voormeld artikel bevat aanvullend recht, nu de bepaling geen beperking bevat voor afwijking daarvan door partijen.
3.14.
Nu het, gelet op de opzegging door [eiser] , van een kennisgeving dat het werk klaar was om te worden opgeleverd niet is gekomen, is het evenmin gekomen van een verplichting tot overlegging van het opleverdossier ex artikel 7:757a BW.
3.15.
Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat het haar gaat om (nakoming van de verplichting tot) overlegging van de bescheiden met betrekking tot de door [gedaagde] tot het moment van opzegging uitgevoerde werkzaamheden, geldt het volgende. Volgens [gedaagde] voerde zij, als onderaannemer, haar werkzaamheden uit aan de hand van door [eiser] verschafte tekeningen/ plannen/aanwijzingen en is niet met haar overeengekomen dat zij in aanvulling daarop nog bescheiden zou verschaffen. In het licht van deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [eiser] gelegen haar stelling dat [gedaagde] verplicht was revisiebescheiden te verstrekken nader te onderbouwen. Nu zij dit niet heeft gedaan, wordt het er voor gehouden dat een dergelijke verplichting niet is overeengekomen.
Daarbij komt nog dat [gedaagde] ter zitting heeft betwist dat de door [eiser] vermelde constateringen zien op door haar uitgevoerde werkzaamheden.
[eiser] moet hoofdsom betalen
3.16.
Zoals hiervoor (onder 3.6) is vermeld, vordert [gedaagde] dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 9.065,92, welk bedrag ziet op de door
[gedaagde] tot aan de opzegging gemaakte kosten en verrichte arbeid. Haar vordering ziet dus niet ook (anders dan waartoe zij gerechtigd zou zijn geweest op grond van artikel 7:764
lid 2 BW) op winst over het gehele werk.
3.17.
[gedaagde] – op wie in het kader van de afrekening stelplicht en bewijslast rusten – heeft facturen met weekstaten en (uiteindelijk zelfs) specificaties van gebruikte materialen per soort, met aantallen, stuksprijs en uiteindelijke prijs, overgelegd. Met de enkele stelling ter zitting (zie punt 19 van haar pleitnota) dat zij nog steeds niet kan controleren “of de materiaalkosten correct zijn” heeft [eiser] de omvang van de door [gedaagde] gestelde materiaalkosten onvoldoende betwist. De gestelde kosten voor arbeid heeft zij evenmin afdoende betwist; zij heeft het slechts gelaten bij de stelling dat “ [gedaagde] ten onrechte pauzetijd in rekening brengt”, met dien verstande dat zij daaraan ter zitting nog heeft toegevoegd dat het ook zou gaan om ten onrechte in rekening gebrachte reistijd.
Rente
3.18.
Met betrekking tot de veroordeling tot betaling van de wettelijke handelsrente (waartegen [eiser] zich heeft verzet) wordt als volgt overwogen. Ten tijde van de opzegging was [eiser] niet in verzuim met betaling van de haar in rekening gebrachte bedragen (de wettelijke handelsrente “liep dus nog niet”). Op het moment van opzegging door [eiser] ontstond er een direct opeisbare vordering van [gedaagde] op [eiser] uit hoofde van artikel 7:764 lid 2 BW Pro. Artikel 6:119a BW (het artikel met betrekking tot wettelijke handelsrente) ziet enkel op de primaire betalingsverplichting uit hoofde van een handelstransactie en niet op schadeloosstelling of schadevergoedingen. Dit betekent dat over de door [gedaagde] gevorderde hoofdsom de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf 4 juni 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.19.
Niet in geschil is dat door en namens [gedaagde] buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. In het feit dat [gedaagde] geen concreet bedrag gevorderd heeft (maar “de kosten voor incasso volgens de wet incassokosten”) ziet de kantonrechter geen aanleiding om de vordering af te wijzen. Duidelijk is immers dat [gedaagde] vergoeding van haar incassokosten, voor zover redelijk geacht, vordert.
3.20.
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter zal daarom de door
[gedaagde] gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn.
3.21.
In overeenstemming met de gangbare tarieven zal een bedrag van € 828,30 worden toegewezen.
Conclusie
3.22.
In het voorgaande wordt aanleiding gezien het verzet gedeeltelijk gegrond te verklaren en uitspraak te doen als volgt, waarbij [eiser] , als (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in conventie en in reconventie wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.23.
De proceskosten van [gedaagde] worden in conventie begroot op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
524,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.503,22
3.24.
De proceskosten van [gedaagde] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
Totaal
1.154,00

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 9.065,92, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag vanaf 4 juni 2024 tot de dag van volledige betaling.
4.2.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 828,30 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.503,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.5.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.154,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.6.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.1, 4.2, 4.3 en 4.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.