Eiseres sloot op 11 juli 2024 een koopovereenkomst voor een woning met erflater, met een boetebeding van 10% van de koopsom (€32.300). Eiseres nam de woning niet af, werd in gebreke gesteld en betaalde de boete. Zij vorderde matiging van de boete tot €16.150 en terugbetaling van €500 wegens onrechtmatige verrijking.
De kantonrechter oordeelde dat erflater de koopovereenkomst rechtsgeldig mocht ontbinden en dat eiseres tekort was geschoten. De boete was niet buitensporig gelet op de aard van de overeenkomst, maar er was sprake van een wanverhouding tussen de werkelijke schade (€2.500) en de boete. Ook de omstandigheden waaronder de boete werd ingeroepen, zoals het niet kunnen financieren door eiseres, rechtvaardigden matiging.
De vordering tot terugbetaling van €500 wegens onrechtmatige verrijking werd afgewezen omdat niet was gebleken dat erflater hierdoor was verrijkt. Daarnaast werden incassokosten en wettelijke rente toegewezen. Erflater werd veroordeeld tot betaling van €16.150, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten.