Uitspraak
PARACLETE B.V.,
BIJZONDERVASTGOED B.V.,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van Paraclete,
- de pleitnota van Bijzondervastgoed.
Rechtbank Overijssel
In deze zaak staat centraal of tussen Paraclete en Bijzondervastgoed een overeenkomst is gesloten die Paraclete het recht geeft om kantoorruimte zes dagen per week te gebruiken. Paraclete vordert in kort geding dat Bijzondervastgoed haar de toegang tot de kantoorruimte niet ontzegt totdat in een bodemprocedure definitief is beslist over hun rechtsverhouding.
Paraclete baseert haar vordering op een mondelinge afspraak medio november 2025 tussen haar bestuurder en de bestuurder van Bijzondervastgoed, waarbij zij recht zou hebben gekregen op gebruik van de kantoorruimte tegen een vergoeding in de vorm van inrichting. Bijzondervastgoed betwist dat een dergelijke overeenkomst is gesloten en stelt dat het gebruik beperkt was tot twee dagen per week en aanvankelijk om niet was.
De kantonrechter oordeelt dat in kort geding onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die aannemelijk maken dat een afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen. De stellingen van Paraclete zijn door Bijzondervastgoed gemotiveerd betwist en Paraclete heeft dit niet met concreet bewijs kunnen onderbouwen. Ook de investeringen in de inrichting en een geluidsopname bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat een overeenkomst is gesloten.
De kantonrechter wijst de vordering af en veroordeelt Paraclete in de proceskosten. De Domicilieovereenkomst die eerder tussen partijen bestond, biedt geen grondslag voor de vordering omdat deze slechts betrekking had op het gebruik van een kantooradres en faciliteiten, niet op het gebruik van de kantoorruimte zelf.
Deze uitspraak benadrukt het belang van voldoende feitelijke onderbouwing en bewijs in kort geding om voorlopige voorzieningen te verkrijgen omtrent het gebruik van onroerend goed.
Uitkomst: De vordering van Paraclete wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het bestaan van een overeenkomst die recht geeft op gebruik van de kantoorruimte.