ECLI:NL:RBOVE:2026:1605

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
12116532 \ CV EXPL 26-596
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 RvArt. 254 lid 1 RvArt. 256 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing kort geding over gebruik kantoorruimte wegens ontbreken overeenkomst

In deze zaak staat centraal of tussen Paraclete en Bijzondervastgoed een overeenkomst is gesloten die Paraclete het recht geeft om kantoorruimte zes dagen per week te gebruiken. Paraclete vordert in kort geding dat Bijzondervastgoed haar de toegang tot de kantoorruimte niet ontzegt totdat in een bodemprocedure definitief is beslist over hun rechtsverhouding.

Paraclete baseert haar vordering op een mondelinge afspraak medio november 2025 tussen haar bestuurder en de bestuurder van Bijzondervastgoed, waarbij zij recht zou hebben gekregen op gebruik van de kantoorruimte tegen een vergoeding in de vorm van inrichting. Bijzondervastgoed betwist dat een dergelijke overeenkomst is gesloten en stelt dat het gebruik beperkt was tot twee dagen per week en aanvankelijk om niet was.

De kantonrechter oordeelt dat in kort geding onvoldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld die aannemelijk maken dat een afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen. De stellingen van Paraclete zijn door Bijzondervastgoed gemotiveerd betwist en Paraclete heeft dit niet met concreet bewijs kunnen onderbouwen. Ook de investeringen in de inrichting en een geluidsopname bieden onvoldoende grond voor het oordeel dat een overeenkomst is gesloten.

De kantonrechter wijst de vordering af en veroordeelt Paraclete in de proceskosten. De Domicilieovereenkomst die eerder tussen partijen bestond, biedt geen grondslag voor de vordering omdat deze slechts betrekking had op het gebruik van een kantooradres en faciliteiten, niet op het gebruik van de kantoorruimte zelf.

Deze uitspraak benadrukt het belang van voldoende feitelijke onderbouwing en bewijs in kort geding om voorlopige voorzieningen te verkrijgen omtrent het gebruik van onroerend goed.

Uitkomst: De vordering van Paraclete wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het bestaan van een overeenkomst die recht geeft op gebruik van de kantoorruimte.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 12116532 \ CV EXPL 26-596
Vonnis in kort geding van 24 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
PARACLETE B.V.,
gevestigd in Steenwijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Paraclete,
gemachtigde: mr. P.J. Contermans,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BIJZONDERVASTGOED B.V.,
gevestigd in Tuk,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Bijzondervastgoed,
gemachtigde: mr. J.D. Poot.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, betekend op 2 maart 2026, met 20 producties,
- producties 1 en 2 van de zijde van Bijzondervastgoed,
- productie 21 van de zijde van Paraclete,
- de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van Paraclete,
- de pleitnota van Bijzondervastgoed.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
In deze zaak bestaat tussen Paraclete en Bijzondervastgoed discussie over het antwoord op de vraag of tussen hen op enig moment een overeenkomst tot stand is gekomen die Paraclete het recht geeft om kantoorruime die eigendom is van Bijzondervastgoed zes dagen per week te gebruiken, ten titel van huur, bruikleen of anderszins. Paraclete vordert in kort geding om Bijzondervastgoed te verbieden om haar de toegang tot de kantoorruimte te ontzeggen, op straffe van een dwangsom, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk over hun rechtsverhouding is beslist. De kantonrechter wijst de vorderingen van Paraclete af. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Paraclete onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan – mede gelet op de voorlopigheid van een oordeel in kort geding – de conclusie kan worden getrokken dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen die Paraclete afdwingbare rechten verschaft.

3.De feiten

3.1.
Tussen partijen is op 30 december 2024 een overeenkomst tot stand gekomen, die door henzelf is aangeduid als “Domicilieovereenkomst” (hierna: ‘de Domicilieovereenkomst’).
3.2.
De Domicilieovereenkomst had tot 28 februari 2025 betrekking op kantoorruimte gelegen aan de [adres 1], die Bijzondervastgoed huurde van een derde. Vanaf 1 maart 2025 zag deze overeenkomst op de kantoorruimte gelegen aan de [adres 2] , die aan Bijzondervastgoed in eigendom toebehoort.
3.3.
Op grond van de Domicilieovereenkomst was het Paraclete en de vennootschap Paraclete Holding B.V. (hierna: ‘Paraclete Holding’) toegestaan om de in rechtsoverweging 3.2 genoemde kantoorruime te gebruiken als kantooradres. Tevens mochten Paraclete en Paraclete Holding gebruik van de volgende faciliteiten: printfaciliteiten, vergaderruimtes en een postvak-/doorzendservice. Paraclete betaalde hiervoor aan Bijzondervastgoed een vergoeding van € 299,40 per jaar.
3.4.
De Domicilieovereenkomst is door Bijzondervastgoed opgezegd bij brief van 6 maart 2026, tegen 30 april 2026.

4.Het geschil

4.1.
Paraclete vordert – samengevat weergegeven – om Bijzondervastgoed te verbieden dat zij Paraclete, haar bestuurder en haar personeel de toegang ontzegt tot de kantoorruimte op de bovenverdieping van het pand aan de [adres 2] (hierna: ‘de Kantoorruimte’), totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld over de rechtsverhouding tussen partijen. Paraclete vordert ook een dwangsomveroordeling van Bijzondervastgoed.
4.2.
Paraclete legt aan haar vordering het standpunt ten grondslag dat tussen partijen op enig moment (omstreeks medio november 2025) een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan zij de Kantoorruimte zes dagen in de week in gebruik zou mogen nemen. Als tegenprestatie zou Paraclete de inrichting van de Kantoorruimte voor haar rekening nemen. Volgens Paraclete is de overeenkomst aangegaan voor een termijn van ten minste 3 jaar. Paraclete kwalificeert de overeenkomst primair als een huurovereenkomst, subsidiair als een bruikleenovereenkomst en meer subsidiair als een onbenoemde duurovereenkomst.
4.3.
Bijzondervastgoed voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van Paraclete. Bijzondervastgoed betwist dat op enig moment tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen die Paraclete het recht geeft om zes dagen per week gebruik te maken van de Kantoorruimte.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat hier om een vordering in kort geding. Dergelijke vorderingen kunnen worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv Pro). Het gaat in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Een oordeel in kort geding is niet van beslissende invloed op het oordeel in een eventueel nog te voeren bodemprocedure (artikel 256 Rv Pro).
5.2.
In dit kort geding is de vordering van Paraclete gebaseerd op de stelling dat tussen partijen op enig moment een overeenkomst tot stand is gekomen die haar het recht verschaft om de Kantoorruimte zes dagen per week te gebruiken. Dit afgezien van de vraag hoe die overeenkomst exact zou moeten worden gekwalificeerd.
5.3.
In een kort geding-procedure kan niet een rechtstoestand tussen partijen worden vastgesteld, in die zin dat kan worden uitgesproken dat tussen partijen op enig moment een overeenkomst tot stand is gekomen. Gelet op de wijze waarop Paraclete haar vordering heeft ingestoken, kan deze alleen maar worden toegewezen indien de kantonrechter, op basis van de schriftelijke stukken en de mondelinge behandeling, de kans waarschijnlijk acht dat een bodemrechter zal oordelen dat tussen partijen op enig moment een overeenkomst met betrekking tot de Kantoorruimte tot stand is gekomen met een inhoud zoals door Paraclete wordt gesteld. [1]
5.4.
Omdat het Paraclete is die zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stelling dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, ligt het op haar weg om feiten te stellen waaruit dit kan worden afgeleid (artikel 150 Rv Pro).
5.5.
De maatstaf voor beantwoording van de vraag of een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van het Bunde/Erckens-arrest van de Hoge Raad. Daarin is – voor zover van belang – het volgende overwogen:
“dat immers (…) het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid;” [2]
5.6.
Concreet voor deze zaak betekent de hierboven geciteerde maatstaf dat Paraclete aannemelijk zal moeten maken, en daartoe dus voldoende feiten zal moeten stellen, dat zij aan verklaringen en gedragingen van de zijde van Bijzondervastgoed, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs het vertrouwen mocht ontlenen dat Bijzondervastgoed met haar een overeenkomst heeft willen sluiten met een inhoud zoals door Paraclete in deze procedure wordt verdedigd.
5.7.
Paraclete heeft in dit kader het volgende aangevoerd:
( i) tussen de heer [naam 1] (hierna: ‘ [naam 1] ’), in de hoedanigheid van bestuurder van Paraclete, en de heer [naam 2] (hierna: ‘ [naam 2] ’), in de hoedanigheid van (indirect) bestuurder van Bijzondervastgoed, is medio november 2025 mondeling overeenstemming bereikt over het gebruik door Paraclete van de Kantoorruimte;
( ii) de overeenstemming hield inhoudelijk in dat Paraclete zes dagen per week de Kantoorruimte mocht gebruiken. Als tegenprestatie is afgesproken dat Paraclete de kosten van inrichting van de Kantoorruimte (meubilair, stoffering en apparatuur) voor haar rekening zou nemen. Die inrichtingskosten zouden worden verrekend met de huurprijs, die was vastgesteld op € 100,00 per vierkante meter per jaar. Tussen partijen is daarbij een termijn van 3 jaar overeengekomen. Na afloop van de 3 jaar zou de volledige inrichting eigendom worden van Bijzondervastgoed;
( iii) de overeenstemming is tussen [naam 1] en [naam 2] op enig moment bezegeld door een handdruk, waarbij [naam 2] de volgende woorden heeft uitgesproken: “Goed, we gaan het zo doen.”;
( iv) Paraclete is vervolgens daadwerkelijk overgegaan tot het doen van investeringen in de inrichting van de Kantoorruimte, die beliepen tot een bedrag van in totaal € 24.712,67, exclusief btw.
5.8.
Bijzondervastgoed heeft in reactie daarop het volgende aangevoerd:
( i) de contacten over het gebruik van het pand vonden plaats in de persoonlijke, familiaire sfeer tussen [naam 1] en [naam 2] . Als er al een afspraak is gemaakt, betrof dit geen afspraak tussen Paraclete en Bijzondervastgoed;
( ii) er is nooit overeenstemming bereikt over het gebruik door Paraclete van de Kantoorruimte voor 6 dagen per week;
( iii) [naam 2] heeft [naam 1] , zijnde zijn schoonzoon, willen helpen en hem daarom willen toestaan om 2 dagen per week gebruik te maken van de Kantoorruimte, waarbij uit coulance ook de werknemers van Paraclete toegang is verschaft;
( iv) het gebruik van de Kantoorruimte voor 2 dagen per week was aanvankelijk ‘om niet’. Er is in december 2025 wel gesproken over een huurprijs, maar daar is geen overeenstemming over bereikt. Over een termijn van 3 jaar is niet gesproken.
( v) het schudden van elkaars hand en het uitspreken van de woorden “Goed, we gaan het zo doen”, wordt ontkend;
( vi) de gedane investeringen in de Kantoorruimte waren op initiatief van Paraclete. Deze waren overigens ook noodzakelijk, omdat het een nieuwbouwpand betrof en de Kantoorruimte nog casco was. [naam 1] gaf aan dat hij voor de inrichting kon zorgen. Over de investeringen in de Kantoorruimte als tegenprestatie voor het gebruik van de Kantoorruimte, is niet gesproken.
5.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de stellingen van Paraclete door Bijzondervastgoed – op het punt van de gestelde totstandkoming van een overeenkomst – voldoende gemotiveerd betwist. Paraclete heeft haar stellingen daarna ook niet verder kunnen onderbouwen met concrete omstandigheden. Gelet daarop kunnen de stellingen van Paraclete, zonder nadere bewijslevering, niet als feit worden vastgesteld. Voor bewijslevering is in een kort geding-procedure echter geen plaats.
5.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat Paraclete in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen partijen een rechtens afdwingbare overeenkomst tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is, gelet op de huidige stand van het partijdebat, onvoldoende waarschijnlijk geworden dat in een bodemprocedure wordt geoordeeld dat Paraclete aan verklaringen en gedragingen van de zijde van Bijzondervastgoed, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs het vertrouwen mocht ontlenen dat Bijzondervastgoed met haar een overeenkomst heeft willen sluiten met een inhoud zoals door Paraclete in deze procedure wordt verdedigd.
5.11.
Het enkele feit dat Paraclete investeringen heeft gedaan in de Kantoorruimte tot een bedrag van € 24.712,67 exclusief btw, acht de kantonrechter, in het licht van het gemotiveerde verweer van Bijzondervastgoed, onvoldoende voor het – voorlopige – oordeel dat een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan Paraclete 6 dagen gebruik zou mogen maken van de Kantoorruimte voor de duur van 3 jaar. De geluidsopname van het gesprek tussen [naam 1] en [naam 2] biedt hiervoor evenmin voldoende grond.
5.12.
Met dit oordeel van de kantonrechter ontvalt de grondslag aan de volledige vordering van Paraclete. Een huurovereenkomst, een bruikleenovereenkomst en een onbenoemde duurovereenkomst hebben, voor wat betreft de totstandkoming, alle gemeen dat er een moment moet zijn aan te wijzen waarop voor partijen rechten en verplichtingen (in de zin van: in rechte afdwingbare verbintenissen) zijn ontstaan. Als dat moment in redelijkheid niet is aan te wijzen, zoals in deze zaak het geval is, kan geen sprake zijn van de totstandkoming van een overeenkomst.
5.13.
Paraclete heeft uiterst subsidiair nog een beroep gedaan op de Domicilieovereenkomst. Paraclete heeft echter onvoldoende toegelicht waarom de – inmiddels opgezegde – Domicilieovereenkomst ten grondslag kan worden gelegd aan de door haar ingestelde vordering. De Domicilieovereenkomst ziet immers alleen op het gebruik van het kantooradres als postadres en het gebruik van een vergaderruimte en printfaciliteiten, terwijl Paraclete met haar vordering in dit kort geding een veel meeromvattend recht beoogt te verkrijgen, te weten het gebruik van de Kantoorruimte. De Domicilieovereenkomst biedt daarom geen grondslag voor de vordering om Bijzondervastgoed te verbieden aan Paraclete de toegang tot de Kantoorruimte te ontzeggen. Voor zover Paraclete heeft bedoeld aan te voeren dat zij op grond van de Domicilieovereenkomst recht heeft om het pand binnen te gaan om bijvoorbeeld haar postvak te benaderen, geldt dat dit recht als gevolg van de de opzegging per 30 april 2026 wordt beëindigd.
5.14.
De conclusie is dat de door Paraclete ingestelde vordering wordt afgewezen.
5.15.
Paraclete is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bijzondervastgoed worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van Paraclete af,
6.2.
veroordeelt Paraclete in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98.00 plus de kosten van betekening als Paraclete niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.