Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.MR. [gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2] B.V.,
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord met 8 producties;
- de mondelinge behandeling van 24 september 2025, ter gelegenheid waarvan partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3.De feiten
Een reguliere veiling van de gronden van Side, die zal worden ingezet op (…) € 1.950.000.
Ik ben het niet eens met je lezing en de motiveringen waarom ik minder rechten zou hebben dan de anderen. Je kunt als advocaat heel goed een rekensommetje maken voor iedereen waar iedereen mee tevreden is. Je bent dat zelfs gehouden te doen.(…) Ik zal mijn advocaat instrueren om met [naam 5] in contact te treden om het dossier over te nemen. (…) Mijn advocaat is de opvatting toegedaan dat [naam 5] mijn belangen niet goed heeft behartigd. Hij zal dan ook het betaalde aan [naam 5] namens mij vorderen.ij
(…)
1. Ik heb jou maandag gezegd dat er inmiddels enorme bedragen zijn betaald – en jij daarin niet hebt bijgedragen – om deze zaak uit het moeras te trekken en uiteraard deze eerst moeten worden terugbetaald.
(…)Ik kan het nog proberen als volgt:(…)
[naam 8] is van mening dat hij geen enkele verplichting heeft jegens jou. Niettemin heb ik hem bereid gevonden om een voorstel te doen voor afwikkeling tegen finale kwijting. Hij is bereid om uit de netto-opbrengst in geval van verkoop van al de percelen de volgende bedragen aan jou te betalen. (…)
I give a guaranty that you can pay € 235.000 to [eiser] from the revenue
Er werd overeenstemming bereikt. Er is geen noodzaak om bezwaar te maken.
4.Het geschil
5.De beoordeling
hijin geval van verkoop bereid is dat bedrag uit de netto-opbrengst van de percelen te betalen, volstaat daartoe niet. In de e-mail van 27 april 2022 is immers ook duidelijk gemaakt dat het bedrag in mindering zal strekken op de fee van het proces-team.
De rechtbank overweegt als volgt. De mededeling van [eiser] is gedaan in de context van zakelijke onderhandelingen ten gevolge van een (mislukt) vastgoedproject in Turkije. In zijn aangetekende brief van 27 april 2022 wijst [gedaagden] [eiser] eveneens in stevige bewoordingen op de (procedurele en financiële) gevolgen van de door [eiser] aangekondigde actie. In de dagen daarna is er tussen partijen overleg gevoerd over de wijze waarop [eiser] gecompenseerd zou kunnen worden. Daarbij heeft [gedaagden] een voorstel gedaan wat uiteindelijk heeft geresulteerd in de afspraken zoals hij die in zijn e-mail van 5 mei 2022 heeft neergelegd. Op die dag verstreek de bezwaartermijn waardoor partijen onder tijdsdruk scherp met elkaar hebben onderhandeld. In het licht van deze omstandigheden heeft [gedaagden] onvoldoende onderbouwd dat van de bezwaarmededeling een zodanige dreiging uitging dat hij daardoor werd bewogen om per e-mail het voorstel te doen dat tot de totstandkoming van voornoemde afspraken heeft geleid. Het beroep van [gedaagden] op artikel 3:44 lid 2 BW Pro faalt dus.
De rechtbank verwijst naar haar overwegingen met betrekking tot de uitleg van de overeenkomst (5.12) en overweegt dat niet is gebleken dat [gedaagden] gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt die hij in strijd met de overeenkomst niet is nagekomen. [eiser] wist dat [naam 5] zelf een rol had in het geheel en heeft de rechtstreekse bevestiging van [naam 5] van de afspraken als relevant meegewogen bij zijn beslissing om af te zien van het maken van bezwaar tegen de veilinguitkomst.
[eiser] stelt dat de betalingsvoorwaarde is vervuld. Hij heeft gereconstrueerd dat de totale opbrengst voor alle percelen tenminste € 4.208.639,23 p.m. bedraagt. Dit blijkt uit het door hem als productie 71 overgelegde overzicht. Daaruit volgt ook dat de verkoop van de grondstukken van Apollo Side/Apollo Invest € 90.038,31 (perceel 123.1), € 1.950.000 (percelen 126.2, 214.1, 214.2 en 123.2) en € 1.500.000 (perceel 124) heeft opgeleverd. Ten aanzien van de percelen 123.1 en 126.2 stelt [eiser] dat door de koper in ieder geval het bedrag van € 910.325 (valutakoers 2 mei 2023) is betaald en dat dit bedrag als betaalde opbrengst zich in de executiekas bevindt. Hij verwijst daarbij naar productie 66. Volgens [eiser] levert dit bewijs op dat de Apollo-verkoopopbrengst (tot nu toe) minimaal € 2.410.325 (€ 1.500.000 + € 910.325) is, zodat de drempel met minstens € 410.325 is overschreden en [eiser] dus (volledig) betaald dient te worden.
Uit de stellingen van [eiser] maakt de rechtbank verder op dat de voorwaarde in de visie van [eiser] zowel bestaat uit de betaling uit de opbrengst, de betaling door [naam 5], als de afhankelijkheid van de netto-opbrengst. Dat deze elementen van de afspraken allemaal als voorwaarden hebben te gelden waar artikel 6:23 BW Pro op ziet, heeft [eiser] onvoldoende over het voetlicht kunnen brengen. Evenmin is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de redelijkheid en billijkheid verlangen dat de voorwaarde(n) als vervuld hebben te gelden. Al met al ziet de rechtbank geen aanleiding om op grond van artikel 6:23 BW Pro [gedaagden] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 235.000. Het beroep op artikel 6:23 BW Pro faalt.
De hiervoor genoemde verwijten zijn voor het grootste deel in het voorgaande al verworpen, zodat deze geen bespreking meer behoeven. Ten aanzien van het gestelde verspreiden van lasterlijke berichten heeft [eiser] nagelaten zijn stellingen te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden, zodat hij op dit onderdeel niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.