ECLI:NL:RBOVE:2026:1611

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
C/08/343220 / KG ZA 25-319
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 RvArt. 509hh Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing contact- en gebiedsverbod ter bescherming van eiseres en kinderen na beëindiging relatie

Eiseres en gedaagde hadden een relatie waaruit twee minderjarige kinderen zijn geboren. Na beëindiging van de relatie ervaart eiseres overlast door het gedrag van gedaagde, waaronder stalking, bedreiging en ongewenst contact, ook richting de kinderen.

Eiseres vordert een contact- en gebiedsverbod voor gedaagde, dat hij niet mag overtreden. Gedaagde voert verweer en stelt dat reeds een gedragsaanwijzing geldt en dat het contact met de kinderen niet mag worden belemmerd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het spoedeisend belang aanwezig is en dat het gedrag van gedaagde een inbreuk op de persoonlijke vrijheid van eiseres rechtvaardigt. Het contact- en gebiedsverbod wordt toegewezen voor twaalf maanden, met uitzondering van contact en aanwezigheid die noodzakelijk is voor omgang met de kinderen. Tevens wordt eiseres gemachtigd om naleving met politiehulp af te dwingen.

Uitkomst: Contact- en gebiedsverbod voor twaalf maanden toegewezen met uitzondering voor omgang met de kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/343220 / KG ZA 25-319
Vonnis in kort geding van 26 maart 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. B.J. Driessen

1.Samenvatting

1.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben enige jaren een relatie gehad, doch deze is inmiddels beëindigd. Zij hebben twee kinderen. [eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter een gebiedsverbod en een contactverbod oplegt aan [gedaagde] . [eiseres] stelt overlast van [gedaagde] te ervaren door het ongewenst gedrag dat hij vertoont, waarvan niet alleen zijzelf, maar ook de kinderen het slachtoffer zijn. De voorzieningenrechter wijst de vordering toe, zij het dat hij een uitzondering mogelijk maakt ten behoeve van de omgang met de kinderen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de producties van [eiseres] ,
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen de op 11 maart 2026 door [eiseres] ingediende akte waarbij zij haar eis in die zin wijzigt, dat zij niet alleen een gebiedsverbod vordert voor de [adres 1] , maar ook voor het [adres 2] en de [adres 3] aldaar. Volgens [gedaagde] is de akte te laat ingediend, zodat deze buiten beschouwing gelaten moet worden.
2.3.
Zolang geen eindvonnis is gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan te veranderen, aldus artikel 130 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Slechts indien sprake is van strijd met de goede procesorde kan de rechter beslissen dat de wijziging van eis buiten beschouwing blijft. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hier geen sprake van strijd met de goede procesorde. Weliswaar heeft [eiseres] haar akte kort voor de mondelinge behandeling genomen, maar de wijziging betreft slechts een uitbreiding van het gebied waarvoor [eiseres] een gebiedsverbod vordert. Het wijzigen van de eis is ingegeven door de hierna onder 3.3. omschreven wijziging die de officier van justitie aangebracht heeft in de door hem aan [gedaagde] gegeven gedragsaanwijzing. [gedaagde] was op de hoogte van die wijziging. Bovendien heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling voldoende gelegenheid gehad om op de wijziging van de eis te reageren. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding de wijziging van de eis buiten beschouwing te laten en zal de vordering zoals opgenomen in de gewijzigde eis beoordelen.

3.De feiten

3.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren, die thans minderjarig zijn. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit. De kinderen verblijven thans bij [eiseres] .
3.2.
Op 3 december 2025 heeft [eiseres] aangifte gedaan tegen [gedaagde] wegens belaging, bedreiging en vernieling.
3.3.
Op 17 februari 2026 heeft de officier van justitie als maatregel om [eiseres] te beschermen [gedaagde] een gedragsaanwijzing als bedoeld in artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering gegeven, inhoudende een contact- en gebiedsverbod (hierna ook: de gedragsaanwijzing). Op grond van het contactverbod mag [gedaagde] op geen enkele wijze direct of indirect contact opnemen met [eiseres] . Op grond van het gebiedsverbod mag [gedaagde] zich niet ophouden en/of bevinden in/aan de [adres 1] , het [adres 2] en de [adres 3] . Deze verboden gelden vanaf 16 februari 2026 tot 16 mei 2026.
3.4.
De gedragsaanwijzing is nadien op 2 maart 2026 door de officier van justitie gewijzigd in die zin dat het gebied waarop het gebiedsverbod betrekking heeft, is beperkt tot het woonadres van [eiseres] aan de [adres 1] . In de maatregel is vermeld dat [gedaagde] zich niet mag ophouden en/of bevinden in de woning en/of op het erf gelegen aan de [adres 1] . Het verbod geldt van 16 februari 2026 tot 16 mei 2026.
3.5.
[gedaagde] heeft de gedragsaanwijzing tweemaal overtreden. Naar aanleiding daarvan is hij telkens door de politie aangehouden.
3.6.
[eiseres] is woonachtig in de [adres 1] . [gedaagde] woont aan het [adres 4] . Het [adres 2] vormt een verbinding tussen delen van de rondlopende [adres 1] .
3.7.
Het oudste kind van [eiseres] en [gedaagde] bezoekt een school aan de [adres 1] en hun jongste kind een kinderdagverblijf aan de [adres 3] .

4.Het geschil

4.1.
[eiseres] vorderde bij dagvaarding dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] verbiedt om zich na betekening van het te dezen te wijzen vonnis,
gedurende twaalf maanden, althans een periode welke de rechtbank redelijk acht, op te houden in de [adres 1] ;
II. [gedaagde] verbiedt om, na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op enigerlei wijze contact te hebben, dan wel direct of indirect te zoeken met [eiseres] , meer in het bijzonder, doch niet uitputtend, door het (trachten te) zoeken van persoonlijk/lijfelijk contact waar dan ook, en het zoeken van telefonisch contact, het verzenden van sms-berichten en/of e-mailberichten;
III. aan [eiseres] verlof verleent om elke overtreding van de onder I en II genoemde verboden ongedaan te maken met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
4.2.
Met inachtneming van de eiswijziging vordert [eiseres] dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] verbiedt om zich na betekening van het te dezen te wijzen vonnis,
gedurende twaalf maanden, althans een periode welke de rechtbank redelijk acht, op te houden in de [adres 1] , het [adres 2] en de [adres 3] ;
II. [gedaagde] verbiedt om, na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, op enigerlei wijze contact te hebben, dan wel direct of indirect te zoeken met [eiseres] , meer in het bijzonder, doch niet uitputtend, door het (trachten te) zoeken van persoonlijk/lijfelijk contact waar dan ook, en het zoeken van telefonisch contact, het verzenden van sms-berichten en/of e-mailberichten;
III. aan [eiseres] verlof te verlenen om elke overtreding van de onder I en II genoemde verboden ongedaan te maken met behulp van de sterke arm van politie en justitie.
4.3.
[eiseres] legt – samengevat – aan haar vordering het volgende ten grondslag. Sinds de beëindiging van de relatie tussen partijen is sprake van een structureel patroon van intimidatie en bedreiging door [gedaagde] , waaraan deze zich schuldig maakt al dan niet onder invloed van middelen of wanneer hij in psychotische toestand is. Zo belt [gedaagde] [eiseres] dagelijks meerdere malen, stuurt hij haar herhaaldelijk berichten, verschijnt hij onverwacht voor haar deur en zoekt hij contact met haar familieleden. Ook gaat hij naar de school van het oudste kind en het kinderdagverblijf waar het jongste kind naar toe gaat om de kinderen op te halen. Ondanks herhaalde waarschuwingen vanuit [eiseres] is zijn gedrag niet gestopt, maar juist voortgezet. Zo heeft [gedaagde] zich herhaaldelijk agressief en dreigend opgesteld richting [eiseres] en negeert hij consequent de door [eiseres] gestelde grenzen. Het gevorderde verbod is noodzakelijk om de veiligheid van [eiseres] en de minderjarige kinderen te waarborgen, verdere escalatie te voorkomen en de psychische en fysieke integriteit van alle betrokkenen te beschermen, aldus [eiseres] .
4.4.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing, dan wel tot aanhouding van haar vorderingen.
4.5.
[gedaagde] voert allereerst aan dat bij de vorderingen geen spoedeisend belang bestaat, nu aan hem reeds een contact- en gebiedsverbod is opgelegd door middel van de gedragsaanwijzing. Daarbij komt dat de vordering verder strekt dan noodzakelijk is ter bescherming van de belangen van [eiseres] . Het gaat [gedaagde] om het contact met zijn kinderen. [eiseres] heeft er in de afgelopen periode voor gezorgd dat [gedaagde] geen contact met zijn kinderen kon krijgen. Het is niet in het belang van de kinderen dat [eiseres] [gedaagde] bij zijn kinderen weghoudt. Inmiddels is een procedure bij deze rechtbank aanhangig met betrekking tot de omgang met de kinderen, waarbij [gedaagde] heeft verzocht om tweemaal per week omgang te kunnen hebben met zijn kinderen, terwijl [eiseres] een verbod vraagt voor contact tussen de kinderen en [gedaagde] . Een dergelijk verbod zou haaks staan op de gevraagde omgang tussen [gedaagde] en de kinderen. [gedaagde] is voorts niet van plan om contact op te nemen met [eiseres] , anders dan in verband met contact met zijn kinderen. [gedaagde] wil bovendien op de hoogte gehouden worden van het wel en wee van de kinderen en [eiseres] heeft in dat verband ook een consultatieplicht. Daarnaast is [gedaagde] onlangs gedurende enkele weken in Zuid-Afrika behandeld in verband met zijn verslaving . Ook thans is hij nog in Nederland in behandeling voor onderliggende trauma’s. Op dit moment gaat het goed met hem en er bestaat geen risico (meer) dat [gedaagde] ongewenst met [eiseres] contact opneemt, aldus [gedaagde] .
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang
5.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering. Het betoog van [gedaagde] dat dit belang ontbreekt vanwege de aan hem opgelegde gedragsaanwijzing, volgt de voorzieningenrechter niet. Het Wetboek van Strafvordering regelt het geven van een gedragsaanwijzing en de wijziging, de verlenging en de opheffing van een dergelijke aanwijzing. Daaruit volgt dat de gedragsaanwijzing niet noodzakelijkerwijs blijft gelden in de periode van 12 maanden waarin volgens [eiseres] de thans door haar gevorderde verboden zouden moeten gelden. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Hoewel het thans door [eiseres] gevorderde en de inhoud van de door de officier van justitie gegeven gedragsaanwijzing een raakvlak kunnen hebben, in het bijzonder daar waar het doel van zowel het één als van het ander het voorkomen van belastend gedrag van [gedaagde] jegens [eiseres] is, bestaat geen zodanige overlap tussen beide combinaties van verboden dat [eiseres] geen belang meer zou hebben bij de thans door haar gevorderde verboden. In dat verband wijst de voorzieningenrechter op de hiervoor besproken wijziging van de gedragsaanwijzing door de officier van justitie, die [eiseres] ertoe gebracht heeft haar eis te wijzigen. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat [eiseres] voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening.
Contact- en straatverbod
5.2.
Aangezien een contact- en straatverbod inbreuk maakt op het recht op de persoonlijke vrijheid, stelt de voorzieningenrechter voorop dat toewijzing van dergelijke verboden pas aan de orde kan zijn indien sprake is van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen. Er moet in ieder geval een reële dreiging bestaan van toekomstig onrechtmatig handelen van [gedaagde] tegenover [eiseres] . Bij de beantwoording van de vraag of de verboden gerechtvaardigd zijn, moeten alle omstandigheden van het geval alsmede de belangen van partijen in acht worden genomen.
5.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [eiseres] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, die met bescheiden zijn onderbouwd, een dergelijke inbreuk rechtvaardigen.
5.4.
Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vorderingen onder andere gewezen op een proces-verbaal van aangifte tegen [gedaagde] wegens stalking in de periode van oktober tot december 2025, alsmede op twee schriftelijke verklaringen van de vader onderscheidenlijk de moeder van [gedaagde] en een door haar, [eiseres] , bijgehouden en met bescheiden onderbouwd logboek van incidenten in de periode van november 2025 tot en met maart 2026. Ook heeft [eiseres] informatie van het kinderdagverblijf dat het jongste kind van partijen bezoekt over intimiderend gedrag van [gedaagde] in het geding gebracht. [gedaagde] heeft het bestaan en de inhoud van deze bescheiden niet (voldoende) betwist.
Aannemelijk is op grond daarvan geworden dat [gedaagde] zich meermalen tegen de wil van [eiseres] in de buurt van haar woning heeft begeven en heeft aangebeld. Ook heeft [gedaagde] veelvuldig contact gezocht met [eiseres] (en haar moeder) via telefoon, e-mail en WhatsApp en daarbij onder andere dreigende teksten geuit. Daarnaast is van belang dat [eiseres] onweersproken heeft gesteld dat [gedaagde] ook tegenover zijn schoonzuster en ouders bedreigingen jegens [eiseres] heeft geuit. Het betoog van [gedaagde] dat hij [eiseres] , ondanks deze geuite bedreigingen, nooit iets zou aandoen, doet daar niet aan af. Ook het overlast veroorzakend gedrag van [gedaagde] dat verband houdt met zijn wens de kinderen te zien is voldoende aannemelijk gemaakt. Alles overziende acht de voorzieningenrechter het gedrag van [gedaagde] van dien aard dat dit het opleggen van een contact -en straatverbod kan rechtvaardigen.
5.5.
De voorzieningenrechter beantwoordt de vraag of ook op dit moment nog het opleggen van die verboden gerechtvaardigd is, bevestigend. [eiseres] heeft [gedaagde] in oktober 2025 een zogenaamde stopbrief gestuurd, waarin zij hem onder meer verbiedt contact met haar op te nemen en bij haar woning te komen. Die heeft [gedaagde] gedrag niet doen veranderen. Vast staat voorts dat het grensoverschrijdende gedrag van [gedaagde] jegens [eiseres] ook na de oplegging van de gedragsaanwijzing door de officier van justitie niet is gestaakt. Tussen partijen staat immers vast dat [gedaagde] tot tweemaal toe aangehouden is in verband met handelen in strijd met die gedragsaanwijzing. Weliswaar was in beide gevallen volgens [gedaagde] sprake van een misverstand, dat neemt niet weg dat hij in beide gevallen, zo begrijpt de voorzieningenrechter uit de uitlatingen van [gedaagde] zelf, in verzekering is gesteld en dat [gedaagde] in ieder geval één keer in voorlopige hechtenis heeft gezeten, die geschorst is onder de bijzondere voorwaarde van reclasseringsbegeleiding. Pas daarna namen de bewuste gedragingen in intensiteit af en heeft [gedaagde] het verboden gebied niet meer betreden. De eerdere waarschuwingen en maatregelen hebben kennelijk onvoldoende effect gehad. Daarbij komt dat nog geen, al dan niet rechterlijke regeling voor de omgang tussen [gedaagde] en de kinderen tot stand is gekomen, waarvan vaststaat dat deze naar de zin van [gedaagde] is. Dit alles onderstreept dat het risico op herhaling van dergelijk gedrag reëel is.
5.6.
Gelet op het voorgaande heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt niet alleen dat [gedaagde] jegens haar onrechtmatig gehandeld heeft maar ook dat hij wederom onrechtmatig jegens haar kan handelen door haar op de hiervoor beschreven wijzen te benaderen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat onder dat onrechtmatig handelen jegens [eiseres] ook valt het hiervoor genoemde overlast veroorzakend gedrag van [gedaagde] dat verband houdt met zijn wens de kinderen te zien. [eiseres] heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij daar de nadelige gevolgen van ondervindt en [gedaagde] heeft dit niet althans onvoldoende betwist. Voor zover de kinderen door het handelen van [gedaagde] van streek geraakt zijn treft dat ook [eiseres] , omdat de kinderen nog minderjarig zijn en bij [eiseres] verblijven en zij, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de zorg voor de kinderen heeft. Daarmee is de vordering strekkende tot het opleggen van het contactverbod en het straatverbod toewijsbaar, tenzij een afweging van de belangen van partijen tot een andere beslissing dwingt.
Belangenafweging
5.7.
Bij die belangenafweging is het volgende van belang. [gedaagde] wil omgang met zijn kinderen hebben en stelt om die reden contact gezocht te hebben met [eiseres] en naar de school van het oudste kind en het kinderdagverblijf van het jongste kind gegaan te zijn. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling in dit kort geding medegedeeld dat zij daags daarop een mondelinge behandeling zouden bijwonen in een procedure bij deze rechtbank die ziet op het treffen van een regeling voor de omgang met de kinderen en op het instellen van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming in verband met de omgang met de kinderen.
5.8.
In het licht van wat hiervoor onder 5.7. vermeld is, overweegt de voorzieningenrechter over de belangen van partijen als volgt. Uit hetgeen de voorzieningenrechter hiervoor overwogen heeft, volgt dat [eiseres] een belang heeft bij verboden die haar beschermen in haar persoonlijke levenssfeer. Daar staat tegenover dat de inbreuk op de bewegingsverheid van [gedaagde] door het gevorderde straatverbod beperkt is. Het gaat slechts om de straat waarin de woning van [eiseres] en de school van het oudste kind staan, een bij die straat behorende verbindingsroute – het [adres 2] – en de straat waar het kinderdagverblijf van het jongste kind van [eiseres] en [gedaagde] gevestigd is. Daarbij komt dat, zoals hiervoor overwogen, het [gedaagde] er vooral om te doen is omgang met zijn kinderen te kunnen hebben. Om die reden zoekt hij contact met [eiseres] en begeeft hij zich naar de school van het oudste kind en het kinderdagverblijf van het jongste kind. De vordering van [eiseres] ziet niet op een contactverbod met de kinderen. Het contact met de kinderen zou derhalve ook plaats kunnen vinden zonder dat [gedaagde] op de school, op het kinderdagverblijf of bij de woning van [eiseres] komt. Voor de omgang met de kinderen zal contact met [eiseres] nodig zijn. Dat contact zou echter zo nodig ook door tussenkomst van een derde kunnen plaatsvinden. Gelet op het belang dat [gedaagde] heeft bij de mogelijkheid om omgang met de kinderen te hebben, zal de voorzieningenrechter, indachtig aan een eventuele afspraak tussen partijen dan wel een eventuele beslissing van de rechter over een regeling voor de omgang met de kinderen, een contact- en straatverbod aan [gedaagde] opleggen, maar een uitzondering maken voor hetgeen noodzakelijkerwijs voortvloeit uit een tussen partijen overeengekomen dan wel door de rechter vastgestelde regeling voor de omgang met de kinderen. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat het belang dat [gedaagde] heeft bij zijn persoonlijke vrijheid het belang dat [eiseres] heeft bij het op te leggen contact- en straatverbod niet opzij zet.
Ouderlijk gezag
5.9.
De omstandigheid dat partijen gezamenlijk gezag hebben over hun kinderen leidt niet tot een ander oordeel. Het enkele feit dat [gedaagde] ook het ouderlijk gezag heeft over de kinderen staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering. Ook ten aanzien van een ouder die (mede) het ouderlijk gezag heeft, moeten immers in voorkomend geval voorlopige voorzieningen getroffen kunnen worden. Los daarvan maakt het verbod om bij de school of het kinderdagverblijf van de kinderen te komen contact tussen [gedaagde] en de kinderen niet onmogelijk. Dat contact valt immers ook anders te regelen, bijvoorbeeld door tussenkomst van derden. Het opleggen van een contact- en straatverbod sluit immers niet uit dat, zoals hiervoor reeds opgemerkt, voor zover noodzakelijk, via derden of via de advocaten van partijen contact kan plaatsvinden over de kinderen. In samenhang met het voorgaande faalt ook het verweer, voor zover [gedaagde] dat heeft willen voeren , dat in zijn ouderlijk gezag een belang gelegen ligt dat zich verzet tegen het opleggen van het gevorderde contact-of straatverbod.
Duur van de verboden
5.10.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat het contactverbod en het straatverbod gelden voor een periode van twaalf maanden. Deze duur acht de voorzieningenrechter passend, nu het belastend gedrag van [gedaagde] (mede) zijn oorzaak vindt in het gebruik van middelen en de onderliggende problematiek en [gedaagde] daarvoor nog behandeld en begeleid wordt. Daarnaast zullen partijen moeten onderzoeken of, en zo ja wanneer, zij een omgangsregeling voor hun kinderen tot stand kunnen brengen en vervolgens naar behoren uit kunnen voeren. Ook daarom acht de voorzieningenrechter het bestaan van het contactverbod en het straatverbod voor de duur van twaalf maanden aangewezen.
Sterke arm
5.11.
De door [eiseres] ter versterking van de verboden gevorderde machtiging aan haar om naleving van het vonnis zo nodig met de sterke arm te doen uitvoeren zal worden toegewezen. Tegen dit onderdeel van de vordering heeft [gedaagde] ook geen afzonderlijk verweer gevoerd.
Proceskosten
5.12.
Gelet op de omstandigheid dat partijen voormalig partners zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
verbiedt [gedaagde] om zich, na betekening van dit vonnis, gedurende twaalf maanden op te houden in de [adres 1] , het [adres 2] en de [adres 3] , waarbij het verbod niet geldt indien zijn aanwezigheid aldaar deel uitmaakt van een tussen partijen schriftelijk overeengekomen of door de rechter bepaalde regeling voor de omgang met hun minderjarige kinderen,
6.2.
verbiedt [gedaagde] , na betekening van dit vonnis, gedurende twaalf maanden op enigerlei wijze contact te hebben, dan wel direct of indirect te zoeken met [eiseres] , meer in het bijzonder, doch niet uitputtend, door het (trachten te) zoeken van persoonlijk/lijfelijk contact waar dan ook, en het zoeken van telefonisch contact, het verzenden van sms-berichten en/of e-mailberichten, waarbij het verbod niet geldt indien het contact met [eiseres] deel uitmaakt van een tussen partijen schriftelijk overeengekomen of door de rechter bepaalde regeling voor de omgang met hun minderjarige kinderen,
6.3.
machtigt [eiseres] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van deze beslissing te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 6.1 en 6.2 van dit vonnis bepaalde te voldoen,
6.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort en in het openbaar uitgesproken door
mr. M.O. Frentrop op 26 maart 2026.