ECLI:NL:RBOVE:2026:1665

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
08.263699.25, 08.326803.24 (gevoegd ter terechtzitting) en 13.211863.24 (vordering TUL) (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 300 SrArt. 304 SrArt. 342 SvArt. 359 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling mishandeling partner, bedreiging politiemedewerker en oplegging TBS met voorwaarden

De rechtbank Overijssel heeft op 26 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling en bedreiging van zijn partner, bedreiging van een politieambtenaar, en betrokkenheid bij een poging tot beroving en poging tot doodslag. De rechtbank sprak verdachte vrij van de beroving en poging tot doodslag wegens gebrek aan bewijs.

Voor de mishandeling en bedreiging van zijn partner en de bedreiging van de politieambtenaar achtte de rechtbank verdachte schuldig. De mishandeling vond plaats in de woning van het slachtoffer, waarbij ook het zoontje aanwezig was. De rechtbank verwierp het verweer van noodweer omdat de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar werd geacht en niet aannemelijk was dat zij als eerste had geslagen.

De rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van voorarrest, en gelastte TBS met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar zijn. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. De voorlopige hechtenis wordt geschorst vanaf het moment dat verdachte wordt opgenomen in een zorginstelling. De rechtbank volgde de adviezen van deskundigen en reclassering, die een hoog recidiverisico en noodzaak tot langdurige behandeling constateerden.

De vordering van de benadeelde partij in de vrijgesproken zaak werd niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wees ook de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af wegens de opgelegde straf en maatregel in deze zaak.

De uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Almelo en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, TBS met voorwaarden en gedragsbeïnvloedende maatregel, voorlopige hechtenis geschorst vanaf opname in zorginstelling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummers: 08.263699.25, 08.326803.24 (gevoegd ter terechtzitting) en 13.211863.24 (vordering TUL) (P)
Datum vonnis: 26 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 op [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ,
nu verblijvende in de PI [locatie] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman, mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
parketnummer 08.263699.25:
zijn partner [slachtoffer 1] heeft mishandeld (feit 1) en bedreigd (feit 2) en een politieambtenaar heeft bedreigd (feit 3);
parketnummer 08.326803.24:
met een ander [slachtoffer 2] heeft geprobeerd te beroven (feit 1) en hem met een ander van het leven heeft geprobeerd te beroven (feit 2 primair) of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 2 subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging onder parketnummer 08.263699.25 aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Enschede
[slachtoffer 1] ,
heeft mishandeld, door
- één of meerdere malen in het gezicht, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1]
te slaan/stompen, en/of
- de keel van die [slachtoffer 1] te pakken/grijpen en/of vervolgens (met kracht) de keel van
voornoemde [slachtoffer 1] dicht te knijpen en/of te houden,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Enschede
[slachtoffer 1] heeft bedreigd met
- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of
- zware mishandeling, en/of
- brandstichting,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " eigenlijk moet ik al je tanden uit je mond slaan", en/of
- dat hij, verdachte, het gezicht van die [slachtoffer 1] zou verminken door sneeën te maken
van haar mond tot aan haar ogen (zakelijk weergegeven),
althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking
en/of
door die [slachtoffer 1] een bericht te sturen met daarin de tekst "antwoord of ik ga de hele
huis branden", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Enschede
[verbalisant] (agent bij Politie Eenheid Oost Nederland) heeft bedreigd met enig
misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling
door die [verbalisant] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik schiet je door je kop",
in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of
strekking,
terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [verbalisant] in diens hoedanigheid van
ambtenaar van politie;
Voluit luidt de tenlastelegging onder parketnummer 08.326803.24 aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Enschede
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een tas en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten
dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] , te plegen met het
oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of
om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het
misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
die [slachtoffer 2] heeft/hebben aangesproken en/of vervolgens naar zijn tas en/of telefoon
heeft/hebben gegrepen en/of die tas/telefoon heeft/hebben gepakt en/of
vervolgens
die [slachtoffer 2] dreigend een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp
heeft/hebben voorgehouden en/of getoond
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
2
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Enschede
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer 2]
opzettelijk
van het leven te beroven,
op korte afstand met een vuurwapen, althans een wapen op/naar die [slachtoffer 2] te
schieten tengevolge waarvan hij in zijn linkerarm is geraakt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 augustus 2024 te Enschede
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
op korte afstand met een vuurwapen, althans een wapen naar/op die [slachtoffer 2] te
schieten tengevolge waarvan hij in zijn linkerarm is geraakt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de onder parketnummer 08.263699.25 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend te bewijzen. Voor de feiten onder parketnummer 08.326803.24 heeft de officier van justitie vrijspraak gevraagd wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de onder feit 1 van parketnummer 08.263699.25 tenlastegelegde mishandeling sprake is van noodweer, omdat [slachtoffer 1] verdachte als eerste heeft geslagen. Daarom moet verdachte van dat feit worden vrijgesproken. Verder heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd voor wat betreft de ten laste gelegde feiten onder parketnummer 08.263699.25. Voor de feiten onder parketnummer 08.326803.24 heeft de raadsman vrijspraak bepleit.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Parketnummer 08.326803.24
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij de in de zaak met parketnummer 08.326803.24 tenlastegelegde feiten.
Voorafgaand aan deze feiten heeft verdachte op een voor hem belastende manier via Whatsapp contact gehad met [medeverdachte] , één van de twee daders van de beroving. Ruim een uur voor de beroving was verdachte ook samen met onder andere deze [medeverdachte] . Er is echter geen bewijs dat hij ook daadwerkelijk aanwezig is geweest bij de beroving en de daarop volgende beschieting van de aangever. Zo voldoet hij niet aan het signalement van de andere dader zoals dat uit getuigenverklaringen en camerabeelden naar voren komt. De omschrijving die zowel [medeverdachte] als de aangever van de dader hebben gegeven sluiten verdachte bovendien uit als dader. Ook de politie heeft geverbaliseerd dat uit onderzoek geen betrokkenheid van verdachte is gebleken. Daarom spreekt de rechtbank verdachte van deze feiten vrij.
3.3.2
Parketnummer 08.263699.25
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast, welke ter zitting ook niet ter discussie hebben gestaan. Verdachte heeft vanaf mei 2024 een relatie met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Op 1 oktober 2025 was verdachte in haar woning in [plaats] . Verdachte en [slachtoffer 1] hadden ruzie. Verdachte heeft [slachtoffer 1] in haar gezicht geslagen.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar als eerste heeft geslagen en dat hij haar tweemaal hard met zijn vlakke hand op haar wang heeft geraakt. Daarna heeft [slachtoffer 1] hem drie klappen met de vlakke hand gegeven op zijn wang. Vervolgens kwam verdachte voor haar staan en ging hij met zijn hand om de voorzijde van haar keel. [slachtoffer 1] voelde dat hij met kracht kneep; ze had moeite met ademhalen. De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar. Zij heeft haar verklaring afgelegd kort na de tenlastegelegde feiten en verklaart consistent en gedetailleerd, waarbij ze zichzelf ook niet spaart (onder meer dat zij een lach op haar gezicht kreeg toen verdachte haar een verwijt maakte en dat zij verdachte drie klappen in zijn gezicht heeft gegeven). De rechtbank ziet in haar verklaring of anderszins in het dossier geen aanwijzingen die maken dat er redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. De rechtbank zal daarom uitgaan van de juistheid van haar verklaring.
Haar verklaring vindt steun in een foto van het letsel en de verklaring van verdachte bij de politie dat hij [slachtoffer 1] meermalen in haar gezicht heeft geslagen en dat zij daardoor letsel onder haar oog heeft opgelopen.
Verdachte heeft ontkend dat hij [slachtoffer 1] bij haar keel heeft gepakt/gegrepen en die heeft dichtgeknepen. Uitgangspunt volgens artikel 342, tweede lid, Sv is dat het bewijs dat een verdachte een feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op één verklaring. Deze bepaling heeft echter betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Niet vereist is dat elk onderdeel door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Zoals hiervoor is overwogen acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer 1] betrouwbaar. Op basis daarvan acht de rechtbank niet alleen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meermalen in haar gezicht te slaan, maar ook door haar bij haar keel te pakken/grijpen en die vervolgens dicht te knijpen en te houden.
Ter zitting heeft verdachte voor het eerst verklaard dat aangeefster hem als eerste heeft geslagen waarna hij haar heeft teruggeslagen. Die verklaring van verdachte is zeer summier; verdachte kan zich naar eigen zeggen niet herinneren wat er precies is gebeurd ‘omdat het hem zwart voor de ogen werd’. Bovendien is deze verklaring niet in lijn met eerdere verklaringen die hij heeft afgelegd, waarin hij heeft verklaard dat hij haar twee keer heeft geslagen waarna zij hem drie keer heeft geslagen (welke verklaring één op één overeenkomt met de verklaring van [slachtoffer 1] ). De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] verdachte als eerste heeft geslagen waardoor een noodweersituatie voor verdachte is ontstaan. Het beroep op noodweer wordt reeds daarom verworpen.
Feit 2 [1]
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn:
  • de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting op 12 maart 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , pagina 10 tot en met 27.
Feit 3
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – omdat verdachte heeft bekend en door de verdediging geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359 lid 3 Sv Pro zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Die bewijsmiddelen zijn:
  • de bekennende verklaring van verdachte tijdens de zitting op 12 maart 2026;
  • het proces-verbaal van aangifte door [verbalisant] , pagina 46 en 47.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Parketnummer 08.263699.25:
1
hij op 1 oktober 2025 te Enschede [slachtoffer 1] heeft mishandeld, door
- meerdere malen in het gezicht te slaan, en
- de keel van die [slachtoffer 1] te pakken/grijpen en vervolgens (met kracht) de keel van
voornoemde [slachtoffer 1] dicht te knijpen en te houden,
terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
2
hij op en omstreeks 2 oktober 2025 te Enschede [slachtoffer 1] heeft bedreigd met
- zware mishandeling, en
- brandstichting,
door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:
- " eigenlijk moet ik al je tanden uit je mond slaan", en
- dat hij, verdachte, het gezicht van die [slachtoffer 1] zou verminken door sneeën te maken
van haar mond tot aan haar ogen, en
door die [slachtoffer 1] een bericht te sturen met daarin de tekst "antwoord of ik ga de hele
huis branden";
3
hij op 7 oktober 2025 te Enschede [verbalisant] (agent bij Politie Eenheid Oost Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [verbalisant] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik schiet je door je kop", terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [verbalisant] in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
feit 2
het misdrijf:
bedreiging met zware mishandelingen
bedreiging met brandstichting
feit 3
het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van zes maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden te gelasten, welke voorwaarden bovendien dadelijk uitvoerbaar zouden moeten worden verklaard, en oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat een gevangenisstraf van zes maanden te fors is gezien de oriëntatiepunten van het LOVS. De oplegging van TBS met voorwaarden is disproportioneel. Verdachte heeft weliswaar behandeling nodig maar dit hoeft niet in een TBS-kader. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat indien de rechtbank van oordeel is dat de maatregel van TBS met voorwaarden passend is, een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest moet worden opgelegd zodat verdachte direct op de TBS-wachtlijst kan worden gezet.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het mishandelen en bedreigen van zijn (toenmalige) vriendin. Huiselijk geweld maakt niet alleen inbreuk op de lichamelijke integriteit en de gezondheid van slachtoffers, maar de ervaring leert dat slachtoffers hiervan nog lange tijd zowel lichamelijk als geestelijk hinder en klachten kunnen ondervinden als gevolg van gevoelens van schaamte, angst en onveiligheid. De mishandeling heeft plaatsgevonden in de woning van het slachtoffer, bij uitstek de plek waar zij zich veilig en geborgen zou moeten kunnen voelen. Bovendien was hun zoontje van toen bijna 2,5 maand op dat moment in de woning aanwezig. Daarnaast heeft verdachte een politiemedewerker met de dood bedreigd.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van 10 november 2025 van verdachte. Hieruit blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en dat hij zich al meerdere keren schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld. Bovendien liep hij in de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, opgelegd voor huiselijk geweld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van psychiater A. Banaei Kashani van
25 december 2025. De psychiater rapporteert dat bij verdachte in ieder geval sprake is van beperkte cognitieve vermogens, zonder dat de mate van de beperking duidelijk is. Daarnaast is bij hem sprake van een ongespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Verder is verdachte getraumatiseerd maar is het niet helemaal duidelijk wat de gevolgen daarvan zijn geweest. Wat betreft de mishandeling en bedreiging heeft verdachte impulsief en ondoordacht gehandeld, passend bij de aanwezige impulsregulatie problemen en heeft hij zijn gedrag onvoldoende beheerst. Door zijn cognitieve beperkingen heeft hij nog minder controle gehad over zijn gedrag. Wat betreft de bedreiging van de politiemedewerker is het volgens de psychiater voor te stellen dat verdachte door de angstige gevoelens die hij ervoer niet helemaal de controle heeft kunnen hebben over zijn gedrag, waarna hij op impulsieve wijze zijn boosheid heeft geuit in de vorm van verbale agressie. De psychiater adviseert om alle feiten in een verminderde mate toe te rekenen en schat de kans op herhaling van agressief gedrag, ook huiselijk geweld, hoog in. Er zijn geen beschermende factoren en verdachte disfunctioneert op vrijwel alle levensgebieden. Toezicht en behandeling hebben tot op heden niet geleid tot gedragsverandering. Om de kans op herhaling te beperken, wordt terbeschikkingstelling met voorwaarden geadviseerd, gezien de complexiteit van de problematiek van verdachte, het hoog ingeschatte recidiverisico én omdat langdurige behandeling en begeleiding noodzakelijk worden geacht. Om verdachte lange tijd te kunnen monitoren en in te kunnen grijpen waar nodig, nadat de TBS is beëindigd, wordt tevens het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) geadviseerd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van psycholoog M. ten Berge van
19 december 2025. De psycholoog rapporteert dat bij verdachte sprake is van antisociale persoonlijkheidskenmerken, van impulscontrole- en agressieregulatie problematiek, en van psychotrauma gerelateerde problematiek. Er zijn daarnaast aanwijzingen voor verminderde cognitieve vaardigheden, en mogelijk ook voor middelenproblematiek. Vanuit de trauma gerelateerde klachten – waaronder angst en paniek – lijkt verdachte snel getriggerd te kunnen worden, waarbij hij mede uit een gebrek aan overzicht en adequate oplossingsvaardigheden impulsief en met agressie kan reageren. De psycholoog adviseert de mishandeling en de bedreiging van de politiemedewerker in een verminderde mate toe te rekenen en schat de kans op recidive op relationeel geweld bij onbehandelde problematiek in als hoog. De behandeling zou in theorie plaats kunnen vinden in het kader van bijzondere voorwaarden. In het verleden heeft dit echter tot onvoldoende resultaat geleid en de reclassering heeft eerder aangegeven geen mogelijkheden meer te zien om verdachte binnen het kader van bijzondere voorwaarden te begeleiden. Een andere mogelijkheid is om de behandeling en begeleiding op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Dit kader biedt meer ‘stevigheid’ en daarmee meer kans van slagen. Ook zijn meer mogelijkheden voor maatwerk op de langere termijn, zowel wat betreft de inhoud van de behandeling en het risicomanagement, als het vormgeven van het resocialisatieproces.
De rechtbank acht de conclusies van de deskundigen gedegen onderbouwd. In de rapportages is helder gemotiveerd hoe de deskundigen tot hun conclusies zijn gekomen. De rechtbank neemt de conclusies daarom over en maakt die tot de hare. Dit brengt mee dat de rechtbank alle bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte zal toerekenen. Anders dan de psycholoog lijkt te veronderstellen heeft verdachte zijn (toenmalig) partner niet alleen bedreigd met het sturen van een bericht, maar ook verbaal tijdens de mishandeling.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van
26 februari 2026. Gezien de problematiek en risicofactoren acht de reclassering een bij start intensieve klinische behandeling noodzakelijk. Een intensief ambulant traject van behandeling en begeleiding zal aansluitend ingezet dienen te worden om verdachte stapsgewijs optimaal te laten resocialiseren en toe te zien op het ontwikkelen van beschermende factoren zoals het vergroten van zijn draagkracht en copingvaardigheden. Gezien het delictverleden van verdachte, de ernst van de (recidiverende) feiten en de noodzaak tot nader diagnostisch onderzoek en een klinische behandeling vanwege de hoge kans op recidive zonder behandeling, acht de reclassering TBS met voorwaarden het meest passende kader. Daarnaast adviseert de reclassering de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.
In aanvulling op het advies heeft de reclassering laten weten dat voor verdachte inmiddels een indicatie is afgegeven voor FPK Transfore en er op 17 maart 2026 een intake gepland stond bij Transfore. Om de tijd op de wachtlijst te overbruggen is er een overbruggingsplek voor verdachte aangevraagd.
De oplegging van een gevangenisstraf
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Vanwege de omstandigheden waaronder de feiten hebben plaatsgevonden (gepleegd in huiselijke kring, tegen zijn levensgezel, en gepleegd tegen een politieambtenaar) en de recidive van verdachte, zijn de door het LOVS geformuleerde oriëntatiepunten niet meer aan de orde. Alles afwegende acht de rechtbank de gevorderde geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.
De oplegging van de TBS-maatregel met voorwaarden
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de TBS-maatregel. De rechtbank beschikt over een advies van deskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht. De door verdachte (onder 1 en onder 3) begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Met inachtneming van de conclusies en het advies van de deskundigen stelt de rechtbank vast dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Ook is duidelijk beschreven in de rapporten dat sprake is van recidivegevaar en stelt de rechtbank vast dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, de oplegging van de maatregel eist. De rechtbank zal dan ook gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld.
Gezien de inhoud van de rapporten zoals hiervoor omschreven, ziet de rechtbank aanleiding om de maatregel op te leggen met de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en zoals deze hierna (in het dictum) zijn opgenomen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmotivering, in onderling verband en samenhang bezien, sprake is van misdrijven die gericht waren tegen of gevaar veroorzaakten voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen zoals bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. De totale duur van de terbeschikkingstelling is daarom niet beperkt tot de duur van vier jaren.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen. De rechtbank zal daarom bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Schorsing voorlopige hechtenis
In zijn arrest van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729) heeft de Hoge Raad uiteengezet dat er geen mogelijkheid bestaat om een nog niet onherroepelijk geworden dadelijk uitvoerbare TBS-maatregel met voorwaarden ‘om te zetten’ in een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege.
De rechtbank zal met het oog daarop bevelen dat de voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop verdachte voor zijn klinische behandeling binnen een zorginstelling of een soortgelijke instelling dan wel in een soortgelijke instelling ter overbrugging zal worden opgenomen. Zou verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan bestaat de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier wordt de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen gewaarborgd. Aan de schorsing zal de rechtbank dezelfde voorwaarden verbinden als te stellen in het kader van de TBS-maatregel.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank leidt uit de stukken over de persoon van verdachte af dat verdachte langdurig behandeling nodig heeft. Mede gelet op de inschatting van de deskundigen en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat het creëren van een mogelijkheid om verdachte, ook na beëindiging van de TBS-maatregel, langdurig onder toezicht te stellen noodzakelijk is om recidive te voorkomen. De rechtbank constateert dat de oplegging van deze maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen is en dat daarmee aan de wettelijke voorwaarden voor oplegging van een GVM is voldaan. De rechtbank zal daarom, overeenkomstig het advies van de reclassering, aan de verdachte een GVM als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 2] heeft zich in de zaak met parketnummer 08.326803.24 als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 10.608,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- Fysiotherapie € 452,--
- Temazepam € 46,59
- T-shirt € 110,--.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 10.000,-- gevorderd.
7.2
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 08.326803.24 tenlastegelegde.
Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

8.De vordering tenuitvoerlegging

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tenuitvoerlegging gevorderd van de op 4 september 2024 door de politierechter van de rechtbank Amsterdam voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 weken (in de zaak met parketnummer 13.211863.24).
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen over de vordering tenuitvoerlegging
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat tenuitvoerlegging gezien de op te leggen straf en maatregel niet opportuun is en zal daarom de vordering van de officier van justitie afwijzen.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a, 38, 38a en 57 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08.326803.24 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08.263699.25 onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel
feit 2
het misdrijf:
bedreiging met zware mishandelingen
bedreiging met brandstichting
feit 3
het misdrijf:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, terwijl het feit wordt gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid van ambtenaar van politie;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden stelt daarbij de volgende
voorwaarden;
Algemene voorwaarden
1. Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;
2. verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zonder toestemming van de reclassering;
3. verdachte verleent medewerking aan het verstrekken van een actuele foto aan de reclassering ten behoeve van eventuele opsporing;
4. als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
5. verdachte verleent medewerking aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere, maar niet uitsluitend, in:
a. medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of het ter inzage aanbieden van een geldig identiteitsbewijs (als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht) ten behoeve van het vaststellen van de identiteit;
b. zich melden op afspraken bij de reclassering, zo vaak de reclassering dat nodig acht;
c. zich houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering, die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te bewegen tot het naleven van de voorwaarden;
d. medewerking verlenen aan huisbezoeken;
e. inzicht geven aan de reclassering over de voortgang van begeleiding of
behandeling door andere instellingen/hulpverleners;
f. niet verhuizen of van adres veranderen zonder toestemming van de reclassering;
g. medewerking verlenen aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
Bijzondere voorwaarden
6. Verdachte laat zich opnemen in een FPK of FPA (of soortgelijke zorginstelling), zulks te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie, zolang de reclassering dat nodig acht. Hij volgt de aanwijzingen van de behandelaars conform de op stellen (delictpreventieve) behandelovereenkomst en het nader te formuleren behandelplan op. Dit behandelplan zal op geëigende momenten bijgesteld en nader gespecificeerd worden;
7. verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling aan hem geeft in het kader van de behandeling, ook als dit inhoudt het innemen van medicatie die nodig is voor de behandeling;
8. indien tijdens de behandeling een overgang naar een FBW, ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst is, zulks ter beoordeling van de reclassering, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
Verdachte zal zich committeren aan het nazorgtraject waaraan te zijner tijd invulling gegeven zal gaan worden, ook als dit inhoudt begeleiding en behandeling van en FACT-team of het innemen van medicatie. Dit omvat tevens het bepalen van een woonplek na overleg en toestemming van de reclassering. Contact en afstemming met de wijkagent zal in de (nieuwe) woonomgeving tot stand gebracht worden;
9. verdachte onthoudt zich van alcohol- en drugsgebruik. Hij werkt mee aan controles zo vaak en lang als de reclassering dit nodig acht;
10. verdachte zal inzicht geven in zijn sociaal netwerk en medewerking verlenen aan het betrekken van zijn naasten bij de behandeling. Indien er sprake is van een relatie verleent hij, indien geïndiceerd, medewerking aan relatie- en of systeemgesprekken;
11. verdachte verschaft de reclassering zicht in zijn financiën en eventuele schulden, zolang de reclassering dat nodig acht. Verdachte werkt mee aan het aflossen van eventuele schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan bewindvoering;
12. verdachte wordt verplicht zich in te zetten voor stabiliteit op het gebied van dagbesteding (school, werk, re-integratie), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- draagt Reclassering Nederland op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;
- beveelt dat deze maatregel
dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet
worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen;
- legt aan verdachte op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij (in de zaak met parketnummer 08.326803.24) [slachtoffer 2] in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
schorsing voorlopige hechtenis
- beveelt de
schorsing van de voorlopige hechtenisvan verdachte met ingang van het moment waarop verdachte zich heeft laten opnemen in een zorginstelling, dan wel in een instelling ter overbrugging, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Aan de schorsing worden de voorwaarden verbonden, zoals deze onder 1 tot en met 12 zijn vermeld bij de voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde;
vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 13.211863.24
- wijst
afde vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2024 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee weken.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijnk, voorzitter, mr. P.M.F. Schreurs en mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.P. Ponsteen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
Mr. P.M.F. Schreurs en mr. J.P. Ponsteen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Parketnummer 08.263699.25
Feit 1
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2025484264. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , pagina’s 10-14, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] en ik hebben een relatie vanaf mei 2024. Op woensdag 1 oktober 2025, omstreeks 13.00 uur, was ik, samen met mijn zoontje in mijn woning, te [plaats] . Diezelfde dag, rond 18.00 uur, kwam [verdachte] thuis. Rond 21.00 uur ging ik naar boven. [verdachte] was nog steeds boven. Ik zag hij heel erg agressief in mijn ogen keek. Ik zag dat het hoofd van [verdachte] op ongeveer 40 centimeter afstand van mijn hoofd was. Ik zag dat hij zijn lichaam iets in mijn richting bewoog. Ik zag dat dat [verdachte] zijn rechter hand ter hoogte van zijn rechterzij had en vanuit het niets, met kracht en kennelijk met opzet, in de richting van de linkerzijde van mijn wang bewoog. Ik voelde dat hij mij met kracht raakte en met een vlakke hand mijn wand raakte ter hoogte van mijn jukbeen. Het ging dusdanig hard dat niet alleen met hoofd meebewoog in de richting van de klap die [verdachte] mij gaf maar mijn lichaam ook. Het ging namelijk met dusdanig veel kracht dat ik bijna ten val kwam en tegen de muur aan kwam maar wel kon blijven staan. Ik voelde dat hij mij nog twee of drie keer hard raakte op mijn wang met zijn vlakke hand. Het ging zo snel dat ik niet meer precies weet hoe het ging.
Ik zag dat [verdachte] weer voor mij kwam staan en zijn rechterhand naar mijn nek bracht. Ik zag dat hij mij in mijn ogen aan keek. Ik zag de woede in zijn ogen. Ik voelde dat zijn hand om de voorzijde van mijn keel heen ging. Ik voelde dat hij met kracht kneep en merkte namelijk dat ik moeite had met adem halen. Tussen het knijpen door duwde hij mij naar achter. Ik denk een meter of 2 a 3. Ik voelde dat ik met kracht met mijn rug tegen een kledingkast aan kwam en zakte daar door mijn knieen. Ik voelde direct bonkende hoofdpijn en een erg pijnlijk en warmte wang. Ik had ook gelijk een vlek voor mijn linkeroog en was erg misselijk.
2.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina’s 63-70, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Wij hadden ruzie gekregen. Ik heb haar toen met vlakke hand geslagen. Ik heb haar twee keer met de vlakke hand in het gezicht geslagen (een soort van high five in haar gezicht). Ze
viel toen bijna om. Verbalisanten tonen de foto's van het letsel van slachtoffer/aangever.
Het letsel onder haar oog komt van de harde high five die ik haar twee keer heb gegeven.
3.
Een schriftelijk bescheid, te weten een fotoblad, pagina 22:
[afbeelding]

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het digitale dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer 2025484264. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.