ECLI:NL:RBOVE:2026:1670
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepteelt
De officier van justitie vorderde dat de rechtbank het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt en de veroordeelde verplicht tot betaling van €208.090,50 aan de Staat. Deze vordering was gebaseerd op vermeend voordeel uit het medeplegen van hennepteelt.
De vordering werd behandeld op 16 maart 2026, gelijktijdig met de hoofdzaak. De veroordeelde was aanwezig en werd bijgestaan door zijn advocaat. De verdediging verzocht primair afwijzing van de vordering vanwege de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak en subsidiair wegens gebrek aan aanwijzingen voor genoten voordeel.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde slechts veroordeeld is voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en hennepplanten, maar vrijgesproken is van medeplegen van hennepteelt. Op basis van het dossier kon niet worden vastgesteld dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezenverklaarde feiten. Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs van genoten voordeel.