ECLI:NL:RBOVE:2026:1675

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
08190962-25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 241 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor drie gekwalificeerde opzetaanrandingen met schakelbewijs

Op 22 juni 2025 heeft verdachte in Oldenzaal drie vrouwen onvrijwillig betast, waarbij hij telkens onverhoeds handelde en dwang toepaste. De rechtbank heeft op basis van directe bewijzen en schakelbewijs vastgesteld dat verdachte de opzetaanrandingen heeft gepleegd.

De feiten betroffen het betasten van de billen van twee vrouwen en de borst van een derde vrouw, waarbij verdachte telkens op de fiets langs de slachtoffers ging en plotseling handelde. DNA-sporen, getuigenverklaringen en camerabeelden ondersteunden de bewijsvoering. Verdachte ontkende de feiten en was niet aanwezig bij de zitting.

De rechtbank oordeelde dat de gedragingen kwalificeerden als opzetaanranding met dwang, zoals bedoeld in artikel 241, tweede lid, Sr. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 47 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard in hun schadevorderingen wegens gebrek aan onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 47 dagen gevangenisstraf, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor drie gekwalificeerde opzetaanrandingen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-190962-25 (P)
Datum vonnis: 31 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1]
.

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat namens verdachte door zijn raadsvrouw mr. M. Adolfs, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet opzettelijk en onder dwang de billen of borsten van drie vrouwen heeft betast.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de billen van die [slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 1] hiermee te overrompelen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de billen van die [slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak;
2
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de billen van die [slachtoffer 2] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 2] hiermee te overrompelen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 2] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de billen van die [slachtoffer 2] , terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak;
3
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de borsten van die [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en/of die [slachtoffer 3] hiermee te overrompelen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het betasten van de borsten van die [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 3 primair en (met gebruik van een schakelbewijsconstructie) ook feit 2 primair wettig overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Omdat het overrompelen van een slachtoffer een dwanghandeling betreft, is sprake van gekwalificeerde opzetaanranding. Verdachte moet van feit 1 primair en subsidiair worden vrijgesproken.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 en feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair dient bij alle feiten vrijgesproken te worden van de strafverzwarende bestanddelen, omdat geen sprake is van dwang, geweld of bedreiging.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen. Bij de politie heeft hij ontkend dat hij de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Feit 3
Verdachte fietst op 22 juni 2025 omstreeks 19:00 uur in de omgeving van de Johanna van Burenlaan in Oldenzaal. Op dat moment wandelt daar [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ). Verdachte fietst [slachtoffer 3] tegemoet. Wanneer hij haar passeert, grijpt verdachte plotseling de linkerborst van [slachtoffer 3] vast en knijpt hierin. Op het shirt van [slachtoffer 3] , ter hoogte van haar linkerborst, is DNA-materiaal van verdachte aangetroffen.
Feiten 1 en 2
[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) is op 22 juni 2025 omstreeks 15:45 in Albert Heijn aan de Vloedbeldlaan, De Thij, in Oldenzaal. Zij verklaart dat zij, nadat zij de winkel heeft verlaten, wordt aangesproken door verdachte. [slachtoffer 1] fietst weg en verdachte volgt haar. Als [slachtoffer 1] in de Vloedbeldlaan fietst, gaat verdachte naast haar fietsen en pakt hij haar plotseling bij haar linkerbil. Hierna keert verdachte om en fietst hij weg van [slachtoffer 1] .
Kort daarna fietst verdachte in de omgeving van de Saasvelderlaan in Oldenzaal waar, [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), zoals [slachtoffer 2] verklaart, op dat moment wandelt op de terugweg van een bezoek aan dezelfde Albert Heijnwinkel. Verdachte gaat vlak naast [slachtoffer 2] fietsen, knijpt plotseling hard in haar linkerbil en fietst weg van [slachtoffer 2] .
3.3.2
Overwegingen van de rechtbank
Feit 3
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer 3] , de getuigenverklaring van [getuige 1] en het aangetroffen DNA-materiaal van verdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de ten laste gelegde gedraging heeft begaan.
Feit 2 en 3 – Schakelbewijs
De rechtbank maakt voor de bewezenverklaring van feit 1 en 2 gebruik van zogenoemd schakelbewijs. Dit is een wijze van bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de - uit één of meer bewijsmiddelen blijkende - omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Daarvan is in deze zaak sprake. Het bewijsmateriaal voor de feiten vertoont op essentiële punten belangrijke overeenkomsten of kenmerkende gelijkenissen en duidt op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte. Dat geldt niet voor de beschrijving van de kleding van verdachte, maar dat staat aan een bewezenverklaring niet in de weg zoals de rechtbank hierna zal uitleggen.
De overeenkomsten zijn als volgt. Er is sprake van eenzelfde modus operandi, namelijk dat verdachte nietsvermoedende vrouwen nadert op zijn fiets, hen dan plotseling bij borst of bil grijpt en direct hierna verder fietst. Het signalement dat alle vrouwen van verdachte geven, komt op essentiële punten overeen. De drie aanrandingen zijn gepleegd op locaties die zich binnen een kilometer afstand van elkaar bevinden, hetgeen via een algemeen toegankelijke openbare bron (Google maps) wordt vastgesteld. Verder zijn de aanrandingen binnen een (kort) tijdsbestek van ongeveer drie uren gepleegd, waarbij twee aanrandingen slechts enkele minuten na elkaar zijn gepleegd. In samenhang bezien versterken de feiten en omstandigheden het bewijs in alle zaken en zijn zij over en weer redengevend omdat de wijze waarop de onderscheidende feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomen.
Kleding van verdachte
[slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] verklaren dat de dader een ‘donker soort van voetbalshirt’ dan wel een ‘oversized zwart-wit gestreept T-shirt’ droeg. Verdachte wordt aangehouden terwijl hij een zwart T-shirt draagt met daarop de tekst Miami. Het verschil in kleding verklaart de rechtbank als volgt.
Op camerabeelden van de Albert Heijn-locatie – die zich in het middelpunt bevindt van de straten waar de aanrandingen hebben plaatsgevonden – is te zien dat een persoon op 22 juni 2025 om 15:55 uur de winkel verlaat met een tray bier in zijn handen. [1] Verbalisanten herkennen de persoon op de beelden als verdachte [2] en de rechtbank stelt vast - op basis van eigen waarneming van die beelden en de foto’s van verdachte die gemaakt zijn na zijn aanhouding – dat dit verdachte is. In Albert Heijn draagt verdachte een shirt dat voldoet aan het signalement van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , namelijk een zwart oversized shirt, dat doet denken aan een sportshirt, met daarop witte verticale strepen. Bovendien draagt verdachte een tray bier bij zich, wat door [slachtoffer 1] wordt genoemd in haar aangifte, en komt de in de signalementen genoemde leeftijd, haarkleur en haardracht overeen met die van verdachte. Het voorgaande – in combinatie met de factoren die zijn meegewogen in de schakelbewijsconstructie – maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte direct na het verlaten van de Albert Heijn [slachtoffer 1] is gevolgd en haar bil heeft betast, waarna hij langs [slachtoffer 2] is gefietst en ook haar bil heeft betast, om daarna naar zijn woning te fietsen waar verdachte volgens zijn ex-vriendin omstreeks 16:00 uur aankwam. [3] Hierna heeft verdachte zich kennelijk omgekleed voordat hij enkele uren later de aanranding van [slachtoffer 3] pleegde.
3.3.3
Opzetaanranding en dwang
De rechtbank beantwoordt de vraag of de bewezenverklaarde handelingen opzetaanranding in de gekwalificeerde vorm van artikel 241, tweede lid, Sr opleveren als volgt.
Artikel 241 Sr Pro is ingevoerd op 1 juli 2024. In het eerste lid wordt de opzetaanranding strafbaar gesteld. In het tweede lid de opzetaanranding die wordt voorafgegaan door, vergezeld gaat van of wordt gevolgd door dwang, geweld of bedreiging. In beide gevallen is het onverhoeds handelen (overrompelen) van betekenis. Voor de opzetaanranding geldt dat het onverhoeds ontuchtig aanraken kan bijdragen zowel aan het bewijs van het (voorwaardelijk) opzet als bedoeld in lid 1 als voor de dwang in lid 2.
De rechtbank leidt dit af uit de wetgeschiedenis:
“De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen; de dader is zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil de ander niet de ruimte geven om daarover zijn of haar wil te uiten.
(…)
Onder dergelijke omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de dader bewust handelt en de wilsonvrijheid bij de ander heeft gewild. [4]
(…)
In het tweede lid is de toepassing van dwang als een zelfstandig bestanddeel gepositioneerd naast geweld en bedreiging.
(…)
Tot de toepassing van dwang zal doorgaans aanleiding bestaan indien men weet dat de ander het gewenste niet wil. Dit betekent dat deze strafverzwaringsgrond pas in beeld komt wanneer iemand weet, in de zin van voorwaardelijk opzet, dat de wil van de ander met betrekking tot het seksuele contact ontbreekt en dit contact toch wordt doorgezet.
(…)
Voor de strafverzwarende omstandigheid dwang komt een wat lager bewijsvereiste te gelden: het volstaat dat zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat die ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen en kan worden uitgeoefend met gebruik van verschillende middelen. Bij het een ander onmogelijk maken anders te handelen kan worden gedacht aan het veroorzaken van een fysiek beletsel, zoals vastbinden, opsluiten, in het nauw drijven, overrompelen of iemand meevoeren naar een verlaten plek”. [5]
Verdachte heeft door onverhoeds te handelen de mogelijkheid van een ontbrekende wil bij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor lief genomen (opzetaanranding) en hij heeft die opzetaanranding van dwang vergezeld laten gaan. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde gekwalificeerde feiten.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij op
of omstreeks22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 1] , een
of meerseksuele handeling
enheeft verricht, te weten het betasten van de bil
lenvan die [slachtoffer 1] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd
voorafgegaan door,vergezeld van
en/of gevolgd doordwang,
geweld en/of bedreiging, door voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en
/ofdie [slachtoffer 1] hiermee te overrompelen;
2.
hij op
of omstreeks22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten
[slachtoffer 2] , een
of meerseksuele handeling
enheeft verricht, te weten het betasten van de bil
lenvan die [slachtoffer 2] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd
voorafgegaan door,vergezeld van
en/of gevolgd doordwang
, geweld en/of bedreiging, door voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en
/ofdie [slachtoffer 2] hiermee te overrompelen;
3.
hij op
of omstreeks22 juni 2025 te Oldenzaal met een persoon, te weten [slachtoffer 3] , een
of meerseksuele handeling
enheeft verricht, te weten het betasten van een borst
envan die [slachtoffer 3] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer 3] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd
voorafgegaan door,vergezeld van
en/of gevolgd doordwang,
geweld en/of bedreiging,door voornoemde seksuele handeling onverhoeds te verrichten en
/ofdie [slachtoffer 3] hiermee te overrompelen.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De rechtbank heeft een schrijf-/taalfout in de tenlastelegging verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is daardoor niet in zijn belangen geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 241 Sr Pro. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair
telkens het misdrijf: opzetaanranding vergezeld van dwang.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte voor de feiten 2 en 3 op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte voor feit 3 een taakstraf op te leggen voor de duur van vijftig uren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van enkele uren schuldig gemaakt aan drie opzetaanrandingen. Telkens fietste verdachte langs een nietsvermoedende vrouw en greep hij uit het niets naar een borst of bil. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en zich niet bekommerd om de negatieve gevoelens die dit bij hen veroorzaakte. Dit getuigt van een gebrek aan respect.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 29 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 17 november 2025. Hierin is het volgende te lezen. Verdachte is met zijn (toenmalige) vriendin een half jaar voor het ten laste gelegde naar Nederland gekomen. Hoewel de reclassering verdachte in het vroeghulpgesprek ervoer als een kwetsbare en emotionele jongeman, zijn de mogelijkheden voor hulpverlening en begeleiding zeer beperkt vanwege een taalbarrière en een ontbrekende binding met Nederland. Er is geen zicht op eventuele risicofactoren. Het is niet mogelijk een plan van aanpak met voorwaarden op te stellen.
Volgens de verdediging verblijft verdachte inmiddels weer in Polen. Hij is vanwege de ten laste gelegde feiten en de tijd die hij daarvoor in voorlopige hechtenis heeft gezeten zijn baan en daarmee ook zijn woonruimte in Nederland kwijtgeraakt. Hij zag zich hierdoor, en vanwege zijn gezondheidstoestand, genoodzaakt om terug te keren naar Polen. Inmiddels heeft verdachte in Polen een baan gevonden.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Verdachte heeft zeventien dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat met oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan. Het onvoorwaardelijk deel daarvan bedraagt zeventien dagen. Het is zorgelijk dat verdachte vanuit het niets tot deze drie gekwalificeerde opzetaanrandingen is gekomen. Het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf dient om te voorkomen dat verdachte opnieuw dergelijke feiten begaat.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstaf voor de duur van 47 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in dit strafproces. De benadeelden hebben in hun vorderingen schadebedragen ingevuld.
7.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, zoals ook is betoogd door de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen. In de vorderingen zijn geen bedragen genoemd en een onderbouwing waaruit blijkt dat schadevergoeding moet volgen ontbreekt. De rechtbank zal geen gebruik maken van haar mogelijkheid om naar billijkheid een schadevergoeding voor immateriële schade vast te stellen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
telkens het misdrijf: opzetaanranding vergezeld van dwang;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
47 (zevenenveertig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
30 (dertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] in het geheel niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. D.K. ten Cate, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A.B. Kroeze, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025293177, onderzoeksnummer ONRBC25242 / YELMO. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] van 30 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 26):
Op 22 juni 2025 omstreeks 15.45 uur was ik in Oldenzaal. Ik zag dat een man naast mij ging fietsen. Ik zag en voelde dat hij met een hand mij bij mijn billen pakte aan mijn linkerzijde. Ik wilde dit niet en ik verwachte het niet.
Ik kan de man als volgt omschrijven: man, donker haar. Ik zag dat hij een donker, soort van voetbalshirt droeg. Ik schat hem ongeveer 20 jaar oud.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 26 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 21-22):
Op 22 juni 2025 tussen ongeveer 15.45 uur en 16.00 uur liep ik in Oldenzaal vanaf de Johanna van Burenlaan. Er kwam een jongeman heel dicht naast mij fietsen. Op dat moment voelde ik dat deze man op de fiets mij behoorlijk hard met zijn rechterhand in mijn linkerbil kneep.
Signalement van de man: jongeman, vermoedelijk tussen 20 en 25 jaar, donkerbruin/zwart kort haar, de man droeg een oversized zwart/wit gestreept t-shirt met korte mouw.
3. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] ( [slachtoffer 3] ) van 22 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 17-18):
Plaats delict: Johanna van Burenlaan, Oldenzaal
Pleegdatum/tijd: 22 juni 2025
Er kwam een jongen op de fiets aan. Hij passeerde ons aan mijn kant en ik voelde en zag dat hij met een van zijn handen mijn linkerborst vastgreep. Hij greep met kracht en kneep in mijn borst. Ik droeg een rood shirt.
4. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 24 juni 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 31-32):
Op 22 juni 2025 liep ik met mijn vriendin [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) in Oldenzaal. Ik zag dat een jongen op ons af kwam fietsen. Ik hoorde toen mijn vriendin schelden. Ik vroeg wat er was aan mijn vriendin. Ik hoorde toen dat mijn vriendin tegen mij zei ze dat de jongen haar borst had vastgepakt toen hij haar op de fiets passeerde.
5. Het proces-verbaal opbouw dossier van 2 december 2025, voor zover inhoudende (p. 11):
[afbeelding]
6. Het proces-verbaal vooronderzoek lab van 29 september 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 85-87):
Sporendrager
SIN: AAOG4242NL
Object: shirt
Kleur: rood
Veiliggesteld spoor:
SIN: AASY4900NL
Relatie met SIN: AAOG4242NL
Spooromschrijving: Epitheel
Plaats veiligstellen: gebied linkerborst.
7. Een geschrift, te weten een rapport van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) van 13 oktober 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (p. 91-94):
[afbeelding]
[afbeelding]

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van bevindingen van 27 juni 2025 met bijbehorend fotoblad, p. 52-57.
2.Het proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2025, p. 61-62.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van verhoor getuige [getuige 2] van 3 juli 2025, p. 34.
4.Kamerstukken II 2022-2023, 36 222, nr. 3 p. 18.
5.Kamerstukken II 2022-2023, 36 222, nr. 3, p. 84.