Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1694

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
AK_26_898
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Regeling opvang ontheemden OekraïneBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tot opvang ontheemde Oekraïner na locatieverbod

De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente om de opvang van een ontheemde uit Oekraïne te beëindigen en een locatieverbod op te leggen voor alle gemeentelijke opvanglocaties.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit als zodanig moet worden aangemerkt, maar dat het college onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van een ernstige inbreuk op het huishoudelijk reglement of een ernstige vorm van geweld die het intrekken van de opvang rechtvaardigt. De rapportages geven vooral aan dat de verzoeker regelmatig onder invloed verkeert, maar zwaarwegende incidenten zijn niet duidelijk vastgesteld.

Het arrest Haqbin is van belang en verplicht het college om ook aan overlastgevers een basale vorm van huisvesting te bieden. Het college heeft niet voldoende gedaan om aan deze verplichting te voldoen. De voorzieningenrechter schorst daarom het besluit en verlengt de ordemaatregel, waarbij het college verplicht wordt een vorm van opvang te bieden tot de beslissing op bezwaar. Tevens worden de proceskosten en het griffierecht aan de verzoeker vergoed.

Uitkomst: Het college wordt verplicht een vorm van opvang te bieden aan verzoeker tot de beslissing op bezwaar en het besluit wordt geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/898
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats],
hierna: [verzoeker],
(gemachtigde: mr. L.A. Fischer),
en
het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,
hierna: het college,
(gemachtigde: mr. N.A.M.G van Rhijn).

1.Inleiding

1.1.
[verzoeker] is afkomstig uit Oekraïne en verbleef op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (hierna: de Regeling) vanaf 6 januari 2026 tot 3 maart 2026 op de gemeentelijke opvanglocatie [locatie] in [vestigingsplaats].
1.2.
Op 3 maart 2026 is [verzoeker] schriftelijk meegedeeld dat de opvang binnen de gemeentelijke opvanglocaties wordt beëindigd en dat hem een locatieverbod voor onbepaalde tijd wordt opgelegd voor alle gemeentelijke opvanglocaties van de gemeente Hof van Twente.
1.3.
Op 10 maart 2026 heeft [verzoeker] hiertegen bezwaar gemaakt.
1.4.
Ook heeft hij de voorzieningenrechter op 11 maart 2026 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 13 maart 2026 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een ordemaatregel te treffen.
1.5.
Op 13 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen, die inhoudt dat door het college aan [verzoeker] vanaf 13 maart 2026 tot het moment van de zitting op 16 maart 2026 een vorm van onderdak moet worden aangeboden.
1.6.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker], de gemachtigde van [verzoeker] en E. Batalova als tolk, en de gemachtigde van het college.
1.8.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

2.Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • zet de als ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening voort en
  • schorst het besluit van 3 maart 2026 en;
  • bepaalt dat het college een vorm van opvang aan [verzoeker] moet aanbieden tot aan de beslissing op bezwaar;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van [verzoeker];
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan [verzoeker] vergoedt.

3.Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de brief van 3 maart 2026 moet worden aangemerkt als besluit. Bevoegd tot het nemen van dit besluit is het college. Het college heeft het besluit evenwel niet genomen; het schrijven is ondertekend door de wethouder. Dit gebrek is echter reparabel in bezwaar.
3.2.
Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c van de Regeling is het college bevoegd de verstrekkingen bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Regeling, zoals de opvang, te beperken of in te trekken als ernstig inbreuk wordt gemaakt op het huishoudelijk reglement. Op grond van hetzelfde artikel, aanhef en onder d, heeft het college dezelfde bevoegdheid als een ernstige vorm van geweld wordt gepleegd.
3.3.
Dat sprake is van een ernstige inbreuk op het huishoudelijk reglement en/of dat een ernstige vorm van geweld is gepleegd, die het intrekken van de opvang rechtvaardigt, kan de voorzieningenrechter op basis van dossier zoals dat er nu ligt – de gegeven tijdlijn met rapportages van de beveiliging en twee waarschuwingen – niet vaststellen. Uit deze rapportages volgt met name het beeld dat [verzoeker] met regelmaat onder invloed verkeert. Al dan niet daarmee samenhangende, aan [verzoeker] toe te rekenen, voldoende zwaarwegende incidenten worden nauwelijks beschreven. Door het college is op zitting nog een nadere toelichting gegeven, maar die is dermate algemeen gebleven dat daarmee de vraag blijft openstaan of sprake is van een
ernstigeinbreuk op het huishoudelijk reglement en/of een
ernstigevorm van gepleegd geweld.
3.4.
Verder is het arrest Haqbin [1] van belang. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet dit arrest zo worden uitgelegd dat ook bij een overlastgever, wat [verzoeker] mogelijk is, voor de lidstaat, en daarmee in dit geval het college, de verplichting blijft bestaan dat in de meest elementaire behoeften wordt voorzien, waaronder het faciliteren van een (basale) vorm van huisvesting. Omdat [verzoeker] op dit moment in de gemeente Hof van Twente verblijft, is het daarmee de verplichting van het college om hierin te voorzien.
3.5.
De voorzieningenrechter ziet op dit moment op grond van het dossier en wat op zitting naar voren is gebracht, mede gelet op de Regeling en arrest Haqbin, niet dat het college alles in het werk heeft gesteld, dat van hem kan en mag worden gevergd, om aan de op hem rustende verplichtingen te voldoen.
3.6.
Wat onvoldoende duidelijk is gebleven is welk onderzoek is verricht naar wat precies de (psychische en/of verslavings)problematiek van [verzoeker] is, en in hoeverre problematiek de oorzaak van de volgens het college veroorzaakte overlast is en in hoeverre [verzoeker] daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Dit is bij de afweging voor het college van belang, bijvoorbeeld omdat bij het niet
kunnenvoldoen aan wat van hem wordt gevraagd in de huisregels vanwege zijn (verslavings)problematiek, een andere afweging moet worden gemaakt, dan wanneer hij dit niet
wil. Ook is onvoldoende duidelijk geworden of en zo ja welke andere vormen van huisvesting zijn overwogen en/of aangeboden.
3.7.
De verplichtingen van het college ontslaan [verzoeker] niet van zijn eigen verantwoordelijkheden en verplichtingen. Als het college hem gelet op alle betrokken belangen passende mogelijkheden aanbiedt tot opvang of hulp, dan ligt het op zijn weg om daarvan gebruik te maken.
3.8.
Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgesloten dat het bezwaar een kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding om de bij ordemaatregel getroffen voorlopige voorziening voort te zetten en te bepalen dat het college tot aan de beslissing op bezwaar een vorm van opvang moet aanbieden aan [verzoeker].
3.9.
De voorzieningenrechter ziet daarnaast aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht en de proceskosten van [verzoeker] moet vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [verzoeker] een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026 door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier.
De griffier is niet in de
gelegenheid te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 november 2019, ECLI:EU:C:2019:956.