Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1704

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
08.134319.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 361 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens geslaagd beroep op noodweer bij mishandeling met stok

Op 11 september 2023 werd verdachte beschuldigd van het mishandelen van twee benadeelden met een stok in Hardenberg. De benadeelden verklaarden dat verdachte hen met een stok had geslagen en geduwd, maar deze verklaringen werden door de rechtbank niet als betrouwbaar beoordeeld vanwege tegenstrijdigheden en gebrek aan steun in het dossier.

Verdachte gaf een consistente en gedetailleerde verklaring, ondersteund door een getuige, waarin hij stelde dat hij zich verdedigde tegen aanvallen van de benadeelden door hen met een stok te duwen. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de benadeelden heeft geduwd met een stok, maar niet geslagen.

De rechtbank beoordeelde het beroep op noodweer en concludeerde dat de gedragingen van de benadeelden als wederrechtelijke en ogenblikkelijke aanrandingen kwalificeerden. Verdachte mocht zich verdedigen en de wijze van verdediging was proportioneel. Hierdoor kon de wederrechtelijkheid van de mishandeling niet worden bewezen en sprak de rechtbank verdachte vrij.

De benadeelden werden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding. De kosten van het geding werden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens een geslaagd beroep op noodweer bij mishandeling met een stok.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.134319.24 (P)
Datum vonnis: 31 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. N. Hannaart, advocaat in Almere, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op
11 september 2023 in [plaats]:
feit 1:[benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) heeft mishandeld met een stok;
feit 2:[benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2]) heeft mishandeld met een stok.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 11 september 2023 te [plaats], gemeente Hardenberg
[benadeelde 1] heeft mishandeld door die [benadeelde 1] met een stok te slaan en/of met
een stok te duwen;
2
hij op of omstreeks 11 september 2023 te [plaats], gemeente Hardenberg
[benadeelde 2] heeft mishandeld door die [benadeelde 2] met een stok te slaan en/of met
een stok te duwen, waardoor [benadeelde 2] ten val komt.

3.Vrijspraak

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat bewezen is dat verdachte [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft geduwd en heeft geslagen met een stok.
De officier van justitie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat in beide gevallen geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van beide feiten bepleit dat verdachte een beroep op noodweer toekomt, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de feiten 1 en 2
Gelet op de samenhang in feitencomplex zal de rechtbank feit 1 en feit 2 gezamenlijk bespreken.
De rechtbank overweegt allereerst het volgende. In het dossier bevinden zich enerzijds verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en anderzijds verklaringen van verdachte en zijn partner, getuige [getuige] (hierna: [getuige]) over wat zich op 11 september 2023 in [plaats] heeft afgespeeld. Op bepaalde punten staan de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en de verklaringen van verdachte en [getuige] haaks op elkaar.
De rechtbank stelt vast dat de situatie zoals deze is omschreven door [benadeelde 1] en [benadeelde 2], waaronder dat zij op 11 september 2023 door verdachte zijn beschoten met een kruisboog, geen steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank zal deze verklaringen daarom niet gebruiken voor het vaststellen van de feiten.
De rechtbank acht de situatie zoals deze is omschreven door verdachte, wel aannemelijk geworden. Verdachte heeft een consistente, gedetailleerde en bovendien belastende verklaring over zichzelf afgelegd en zijn verklaring vindt steun in de verklaring van [getuige] en past bij de aard van het letsel dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben opgelopen. De rechtbank zal daarom uitgaan van de verklaring van verdachte.
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting, met uitzondering van de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2], het volgende vast.
Op 11 september 2023 omstreeks 16:00 uur zijn [benadeelde 1] en [benadeelde 2] bij de woning van [getuige] aan [adres] in [plaats]. Verdachte is op dat moment in de achtertuin. Als verdachte door [getuige] wordt geroepen, loopt verdachte naar de voortuin. Verdachte heeft een bezem in zijn handen en schopt de kop (de bezem) van de bezemsteel af, zodat verdachte alleen nog een stok in zijn handen heeft. Verdachte zegt tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] dat ze moeten vertrekken. Verdachte en [getuige] zien dat [benadeelde 2] direct op verdachte afloopt en wil uithalen met haar vuist. Verdachte weert [benadeelde 2] af door haar een flinke duw met de stok tegen haar borst te geven, waardoor [benadeelde 2] hard tegen een stenen muurtje valt. Vervolgens ziet verdachte dat [benadeelde 1] op hem af komt lopen en hem wil slaan. Verdachte houdt de stok overdwars vast en verdachte voelt dat [benadeelde 1] tegen de stok aan komt. Verdachte geeft [benadeelde 1] daarop een duw om ruimte tussen hen tweeën te creëren. Hierdoor breekt de stok doormidden. [benadeelde 1] heeft letsel opgelopen aan zijn arm. [benadeelde 2] heeft letsel opgelopen aan haar heup en arm.
Mishandeling
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [benadeelde 1] (feit 1) en [benadeelde 2] (feit 2) opzettelijk heeft geduwd met een stok. Door dit geweld hebben [benadeelde 1] en [benadeelde 2] pijn en letsel ondervonden. De rechtbank acht op basis van het dossier niet bewezen dat verdachte [benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft geslagen met een stok.
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer in de zin van artikel 41 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) moet allereerst de vraag worden beantwoord of sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van lijf, eerbaarheid en/of goed. Indien die vraag bevestigend beantwoord kan worden, moet worden bezien of het noodzakelijk was dat verdachte zich verdedigde (de zogeheten eis van de subsidiariteit) en of de manier waarop hij zich verdedigde geboden was (de zogeheten eis van de proportionaliteit).
Ten aanzien van [benadeelde 2] (feit 2)
Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedraging van [benadeelde 2], zoals deze hierboven is omschreven, worden gekwalificeerd als een wederrechtelijke en ogenblikkelijke aanranding van verdachte. Het kon gelet op deze plotselinge aanval van [benadeelde 2] niet van verdachte gevergd worden dat hij zich op dat moment aan de situatie onttrok. Om die reden was het noodzakelijk dat verdachte zich daartegen verdedigde. Aan de eis van subsidiariteit is daarmee voldaan. De manier waarop verdachte zich verdedigde staat naar het oordeel van de rechtbank ook in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft zich door middel van het duwen met een stok afgeweerd tegen [benadeelde 2] die hem wilde slaan. Daarmee is ook aan de eis van proportionaliteit voldaan. Verdachte komt dan ook een geslaagd beroep op noodweer toe.
Ten aanzien van [benadeelde 1] (feit 1)
Hetzelfde geldt voor het duwen van [benadeelde 1]. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedraging van [benadeelde 1], zoals deze hierboven is omschreven, worden gekwalificeerd als een wederrechtelijke en ogenblikkelijke aanranding van verdachte. Verdachte had zojuist een aanval van [benadeelde 2] afgeweerd en moest zich daarna direct verdedigen tegen een aanval van [benadeelde 1]. Het kon niet van verdachte gevergd worden dat hij zich op dat moment aan de situatie onttrok, zodat het noodzakelijk was dat verdachte zich daartegen verdedigde. Aan de eis van subsidiariteit is daarmee voldaan. De manier waarop verdachte zich verdedigde staat naar het oordeel van de rechtbank ook in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Verdachte heeft zich door middel van het duwen met een stok afgeweerd tegen [benadeelde 1] die hem wilde slaan, om zo ruimte te creëren tussen hemzelf en [benadeelde 1]. Daarmee is ook aan de eis van proportionaliteit voldaan. Verdachte komt een geslaagd beroep op noodweer toe.
Het geslaagde beroep op noodweer heeft tot gevolg dat de wederrechtelijkheid, die in de onder 1 en 2 ten laste gelegde mishandeling impliciet besloten ligt, niet kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van beide feiten.

4.De schade van benadeelden

De vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]
[benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Omdat verdachte van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, zal de rechtbank [benadeelde 1] en [benadeelde 2] op de voet van artikel 361, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering.

5.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
schadevergoeding [benadeelde 1] (feit 1)
- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;
schadevergoeding [benadeelde 2] (feit 2)
- bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk is in de vordering;
- bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. van Haren, voorzitter, mr. S.H. Peper en
mr. A.S. Metgod, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Kannegieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
Buiten staat
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.