De rechtbank Overijssel behandelde de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van verkrachting van aangeefster tijdens een afterparty in december 2022 te Zwolle. De tenlastelegging betrof onder meer seksueel binnendringen onder dwang en seksueel binnendringen van een onmachtige.
Tijdens de zittingen op 30 oktober 2025, 15 januari 2026 en 19 maart 2026 werd het bewijs besproken, waaronder DNA-sporen die van verdachte of een mannelijke familielid afkomstig konden zijn, en verklaringen van aangeefster en getuigen. De rechtbank concludeerde dat verdachte en aangeefster seksuele handelingen hadden gehad, maar dat er onvoldoende bewijs was voor dwang of lichamelijke onmacht.
De verklaringen van aangeefster waren wisselend en de getuigen konden geen steunbewijs leveren voor dwang. De rechtbank oordeelde dat de verklaring van getuige [getuige 1] onvoldoende betrouwbaar was vanwege haar middelengebruik en geheugenverlies. Hierdoor ontbrak het wettig en overtuigend bewijs voor verkrachting.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten en verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien een strafrechter geen schadevergoeding kan toekennen bij vrijspraak.
De kosten van het geding worden door partijen ieder zelf gedragen.