Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1722

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
AK_25_3477
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:69 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar bijzondere bijstand verhuiskosten

Eiser diende een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe werd afgewezen omdat de kosten als incidenteel algemeen voorkomend werden beschouwd en er geen bijzondere omstandigheden waren.

Eiser maakte bezwaar, maar diende geen bezwaargronden in. Het college verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk en bood een hersteltermijn aan, die eiser niet benutte. Eiser stelde in beroep dat het niet indienen van gronden verschoonbaar was vanwege het missen van een herstelverzuimbrief in zijn spambox door verhuizingshectiek.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Het was zijn verantwoordelijkheid om tijdig bezwaargronden in te dienen of iemand daarvoor in te schakelen. Het missen van de e-mail was voor zijn rekening en risico, mede gelet op zijn eerdere correspondentie met het college en bekendheid met de procedure.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Eiser krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3477

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe, het college

(gemachtigden: mr. A.C. Beijering- Beck, mr. I.M. de Vries en M. Luchtenberg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de kennelijk niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van [eiser] tegen de afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten op grond van de PW [1] . [eiser] is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar van [eiser] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiser] heeft een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor verhuiskosten. Het college heeft met het primaire besluit van 4 september 2025 de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 heeft het college het bezwaar van [eiser] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat hij geen bezwaargronden heeft ingediend.
2.1
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

De ontvankelijkheid van het beroep
3.1
Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [2] Dat houdt in: aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Wanneer dit niet wordt gedaan, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [3]
3.2
[eiser] heeft in beroep een groot aantal stukken overgelegd (genoemd producties 1 tot en met 12). [eiser] heeft op “productie 11” (een kopie van de herstelverzuimbrief in bezwaar) genoteerd; “Bleek achteraf in de spambox binnen gekomen maar gemist wegens de hectiek van de verhuizing”. Hoewel de rechtbank deze verklaring erg summier acht, dient de bestuursrechter de aangevoerde beroepsgronden voldoende ruim naar hun strekking op te vatten. Met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb, vat de rechtbank de opmerking van [eiser] zo op dat hij aanvoert dat het college zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het niet indienen van bezwaargronden verschoonbaar moet worden geacht. Het beroep is ontvankelijk.
Wat vooraf ging aan het bestreden besluit
4. [eiser] was eigenaar van de woningen aan de [adres 1] en de [adres 2]. [eiser] woonde op de [adres 1] en was voornemens te verhuizen naar de [adres 2]. Op 27 juni 2025 heeft [eiser] bij het college een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor verhuiskosten ter hoogte van € 2.500,-.
5. Met het primaire besluit heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen omdat de kosten behoren tot de incidenteel algemeen voorkomende kosten van bestaan en omdat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die er voor zorgen dat de algemene bijstandsnorm niet voorziet in deze kosten, of wel voorziet maar door bijzondere omstandigheden niet uit de norm betaald kunnen worden. [eiser] was in het bezit van twee woningen en heeft besloten om één van de woningen te verkopen. De verkoop en verhuizing berust op een keuze. Het was voor [eiser] voorzienbaar dat verhuiskosten zouden ontstaan.
6. [eiser] heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.
7. Het college heeft [eiser] met de brief van 12 september 2025, die is verzonden naar [eiser]’s e-mailadres, een hersteltermijn geboden voor het indienen van bezwaargronden tot uiterlijk 26 september 2025. [eiser] heeft daarna geen gronden ingediend.
Het standpunt van het college
8. Het college heeft, onder verwijzing naar het advies van de bezwarenadviescommissie, het bezwaar van [eiser] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Uit het advies van de bezwarenadviescommissie volgt dat [eiser] enkel pro-forma bezwaar heeft ingediend en dat [eiser], ondanks de geboden hersteltermijn, geen gronden heeft ingediend. [eiser] heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken. Omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, heeft het college geen hoorzitting gehouden.
Het standpunt van [eiser]
13. De rechtbank begrijpt dat [eiser] in beroep aanvoert dat het college zijn bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft een verschoonbare reden voor het niet indienen van bezwaargronden. [eiser] heeft de herstelverzuimbrief van het college van 12 september 2025 pas achteraf in zijn spambox aangetroffen en hij heeft die e-mail gemist vanwege de hectiek rondom de verhuizing.
Het oordeel van de rechtbank
14. Iemand die bezwaar maakt tegen een besluit van een bestuursorgaan, moet in het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar vermelden. [4] Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het besluit. Als dat niet gebeurt, kan het bestuursorgaan na een herstelmogelijkheid het bezwaar op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren. [5]
15 Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] geen bezwaargronden heeft ingediend. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar kan worden geacht.
16. De rechtbank ziet in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd onvoldoende reden om het ontbreken van bezwaargronden verschoonbaar te achten. Het is de verantwoordelijkheid van [eiser] om de gronden van bezwaar in te dienen. Voor zover hij daartoe als gevolg van een verhuizing niet toe in staat was, had het op zijn weg gelegen iemand in te schakelen. Niet is gebleken dat [eiser] gedurende de hele termijn waarin hij gronden kon indienen niet staat was om tijdig gronden van bezwaar in te dienen, dan wel iemand daartoe de opdracht te geven om dat namens hem te doen. [eiser] en het college hebben bij de zitting bevestigd dat [eiser] al jaren via e-mail correspondeert met het college. Dat [eiser] de herstelverzuimbrief niet heeft gezien omdat deze e-mail in de spambox terecht was gekomen, is een omstandigheid die voor rekening en risico van [eiser] dient te blijven. Hij had hierop bedacht kunnen zijn en de spambox kunnen bekijken. Daar komt bij dat [eiser] meerdere bezwaar- en beroepsprocedures heeft lopen tegen het college en hij bekend is met de verplichting om tijdig bezwaargronden aan te leveren. De onderhavige termijnoverschrijding blijft daarom voor rekening en risico van [eiser].

Conclusie en gevolgen

17. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het college het bezwaar terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Participatiewet.
2.Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:6 van Pro de Awb.
4.Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
5.Artikel 6:6 van Pro de Awb.