Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1728

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
AK_25_1606
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 97 Reglement rijbewijzenRegeling eisen geschiktheid 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

CBR verklaart rijgeschiktheid vrachtwagenchauffeur voor drie jaar na epileptische aanval

De zaak betreft een beroep van een vrachtwagenchauffeur tegen het besluit van het CBR om zijn rijgeschiktheid voor vrachtauto's met aanhangwagen te beperken tot drie jaar. De chauffeur had in 2017 een mogelijke epileptische aanval gehad en gebruikte sinds 2019 geen anti-epileptica meer. Het CBR baseerde het besluit op een medisch rapport van een neuroloog en de Regeling eisen geschiktheid 2000.

De neuroloog concludeerde dat sprake was van een mogelijke epileptische aanval en adviseerde een rijgeschiktheid van vijf jaar. Het CBR besloot echter, conform de Regeling, een termijn van drie jaar toe te passen omdat de chauffeur nog geen tien jaar aanvalsvrij was zonder medicatie. De rechtbank oordeelde dat het CBR terecht van het advies van de neuroloog mocht afwijken en dat de medische bevindingen en regelgeving dit rechtvaardigen.

De rechtbank stelde vast dat het CBR mocht uitgaan van de waarschijnlijkheid van een epileptische aanval, ook al was deze niet met absolute zekerheid vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het CBR-besluit om de rijgeschiktheid voor vrachtauto's te beperken tot drie jaar is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1606

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser, hierna: [eiser]

(gemachtigde: mr.drs. A.C.M. Brom),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder, hierna: het CBR
(gemachtigde: mr. Y.M. Wolvekamp).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de aan [eiser] afgegeven verklaring van rijgeschiktheid.
[eiser] is het er niet mee eens dat hij voor de vrachtauto (met aanhangwagen) rijgeschikt is verklaard tot en met 18 november 2027. Hij vindt dat deze verklaring voor vijf jaar en niet voor drie jaar afgegeven had moeten worden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR het besluit op goede gronden genomen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Het CBR heeft [eiser] bij besluit van 18 november 2024 rijgeschikt verklaard. Voor de vrachtauto (rijbewijscategorieën C1 en C) en de vrachtauto met aanhangwagen (rijbewijscategorieën C1E en CE) is [eiser] rijgeschikt verklaard tot en met 18 november 2027. Voor de auto (met aanhangwagen) en tractor en motorrijtuig met beperkte snelheid is [eiser] rijgeschikt geacht zonder beperking in tijd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van [eiser] is het CBR bij dit besluit gebleven.
1.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het CBR.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. [eiser] is vrachtwagenchauffeur.
2.1.
[eiser] heeft op 29 augustus 2024 een gezondheidsverklaring naar het CBR gestuurd. Door het toezenden van deze verklaring vraagt [eiser] aan het CBR om te beoordelen of hij volgens de regels geestelijk en lichamelijk in staat is om veilig te rijden.
In de gezondheidsverklaring heeft [eiser] bij de vraag "Heeft u weleens een epileptische aanval gehad?" het antwoord "Ja" gegeven.
2.2.
Het CBR heeft [eiser] bij brief van 23 oktober 2024 laten weten dat hij zich moet laten keuren door een onafhankelijk specialist, te weten een neuroloog, in verband met epilepsie.
2.3.
Neuroloog Ten Holter heeft op 11 november 2024 verslag uitgebracht van het onderzoek naar [eiser]. In het verslag is onder meer vermeld dat [eiser] één keer een epileptische aanval heeft gehad op 1 januari 2017 en dat de stopdatum van anti-epileptica 1 januari 2019 is. Ten Holter heeft geconcludeerd dat sprake is van een eenmalige wegraking in 2017, mogelijk epileptisch insult. Volgens Ten Holter voldoet [eiser] aan de normen van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) voor groep 1 [1] voor een onbeperkte termijn en voor groep 2 [2] voor een termijn van vijf jaar.
2.4.
Het CBR heeft vervolgens de besluiten genomen die beschreven zijn onder Procesverloop.
Het bestreden besluit
3. Het CBR heeft, met inachtneming van het verslag van neuroloog Ten Holter, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij [eiser] sprake is van een doorgemaakte epileptische aanval waarvoor hij sinds 2019 geen anti-epileptische medicatie meer gebruikt. Op grond van paragraaf 7.2.1 (Eerste epileptische aanval) onder b van de bijlage bij de Regeling is [eiser] daarom rijgeschikt verklaard voor een termijn van drie jaar. Pas wanneer [eiser] tien jaar aanvalsvrij is, zonder gebruik van anti-epileptische medicatie, kan hij voor het besturen van een vrachtauto (met aanhangwagen) rijgeschikt worden verklaard voor de maximale termijn van vijf jaar. Voor het besturen van een auto (met aanhangwagen), een tractor en een motorrijtuig met beperkte snelheid is [eiser] rijgeschikt verklaard zonder beperking in tijd.
Overwegingen
4. Het geschil in deze procedure spitst zich toe op de vraag of het CBR de verklaring van rijgeschiktheid voor het besturen van een vrachtauto (met aanhangwagen) terecht voor de beperkte termijn van drie jaar heeft afgegeven.
5. Volgens artikel 97 van Pro het Reglement rijbewijzen – voor zover hier van belang – worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen.
5.1.
In artikel 2 van Pro de Regeling is bepaald dat de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij de Regeling behorende bijlage.
5.2.
In paragraaf 7.2.1 (Eerste epileptische aanval) is onder b voor rijbewijzen van groep 2 beschreven dat na afloop van de aanvalsvrije periode personen die voldoen aan de voor groep 1 beschreven voorwaarden, geschikt kunnen worden verklaard voor een termijn van één jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan telkens vijf jaar. Personen die bij een eerste beoordeling door het CBR al tien jaar of langer aanvalsvrij zijn zonder gebruik van anti-epileptische medicatie, mogen op basis van een rapport van de neuroloog direct geschikt worden verklaard voor de maximale termijn van vijf jaar.
Epileptische aanval?
6. [eiser] heeft betoogd dat nooit is vastgesteld dat hij een epileptische aanval heeft gehad. Naar zijn mening heeft het CBR daarom ten onrechte paragraaf 7.2.1, onder b, van de bijlage bij de Regeling toegepast. Volgens [eiser] is ook geen sprake van een waarschijnlijkheidsdiagnose.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat neuroloog Ten Holter in het rapport van 11 november 2024 heeft geconcludeerd dat bij [eiser] sprake is geweest van mogelijk een epileptisch insult. Uit dit rapport volgt verder dat [eiser] in 2017 een wegraking heeft gehad waarna hij werd opgenomen in het ziekenhuis. Ook volgt uit het rapport dat [eiser] vanwege het vermoeden dat hij een epileptisch insult heeft doorgemaakt is behandeld met keppra en later depakine. Dit is in 2019 gestaakt. De rechtbank overweegt dat [eiser] zelf in de gezondheidsverklaring heeft aangegeven dat hij weleens een epileptische aanval heeft gehad en dat uit het procesdossier naar voren is gekomen dat [eiser] bij Sein [3] in Zwolle is onderzocht en behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank betekent het voorgaande dat het CBR in dit geval mocht uitgaan van de toepasselijkheid van paragraaf 7.2.1, onder b, van de bijlage bij de Regeling. Dat de epileptische aanval bij [eiser] niet met absolute zekerheid is vastgesteld, maakt dit niet anders. Zoals ook door het CBR is toegelicht, is het met absolute zekerheid vaststellen van een epileptische aanval zelden haalbaar omdat afwijkingen doorgaans alleen zichtbaar zijn op een EEG [4] wanneer dat tijdens een aanval wordt gemaakt. Daarom is hier voldoende dat zich waarschijnlijk een epileptische aanval heeft voorgedaan. Anders dan in de door [eiser] genoemde uitspraak [5] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, heeft de neuroloog over [eiser] geconcludeerd dat mogelijk sprake is van een epileptisch insult. De door [eiser] ingebrachte medische documenten geven voorts geen uitsluitsel over het wel of niet doormaken van een epileptische aanval. Dat [eiser] in 2024 depakine heeft gehad voor andere doeleinden, neemt verder niet weg dat de oorspronkelijk voorgeschreven medicatie in 2017 verband hield met het incident dat door de neuroloog als mogelijk epileptisch insult is geduid. Het CBR heeft zich daarom, onder verwijzing naar de medische bevindingen van neuroloog Ten Holter, op het standpunt mogen stellen dat paragraaf 7.2.1, onder b, van de bijlage bij de Regeling op [eiser] van toepassing is. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was immers nog geen sprake van tien jaar of langer aanvalsvrij zijn zonder gebruik van anti-epileptische medicatie.
Termijn van vijf jaar geadviseerd
7. Volgens [eiser] heeft het CBR ten onrechte neuroloog Ten Holter niet gevolgd in zijn advies om [eiser] rijgeschikt te verklaren voor een termijn van vijf jaar.
7.1.
Neuroloog Ten Holter is hier ingeschakeld als medisch deskundige en heeft in het rapport de medische bevindingen beschreven. Dat Ten Holter in het rapport aan de medische bevindingen vervolgens een termijn van vijf jaar verbindt voor de rijgeschiktheid voor rijbewijzen in de categorieën van groep 2, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezien worden als een medische bevinding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het CBR op dit punt dan ook mogen afwijken van het advies van Ten Holter. Gelet op de medische bevindingen van Ten Holter en de inhoud van paragraaf 7.2.1, onder b, van de bijlage bij de Regeling kon het CBR naar het oordeel van de rechtbank tot een rijgeschiktheid voor de termijn van drie jaar concluderen. Hierbij is tevens van belang dat de bijlage bij de Regeling moet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift, zodat het het CBR niet vrijstaat daarvan af te wijken. [6]
Zorgvuldigheidsbeginsel
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat met het bestreden besluit het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. Dat [eiser] blijkbaar eerder wel rijgeschiktheid is verklaard voor vijf jaar, leidt evenmin tot de conclusie dat het bestreden besluit onjuist is. Zoals ook door het CBR is opgemerkt, is hierbij mede van belang wat [eiser] op de gezondheidsverklaring heeft aangegeven en heeft [eiser] in de gezondheidsverklaring van augustus 2024 voor het eerst aangegeven dat hij weleens een epileptische aanval heeft gehad.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 1, eerste lid, onder a, van de Regeling betreft dit rijbewijzen van de categorieën A1, A2, A, B, B+ E en T.
2.Op grond van artikel 1, eerste lid, onder b, van de Regeling betreft dit rijbewijzen van de categorieën C, C1, CE, C1E, D, D1, DE en D1E.
3.expertisecentrum voor onder andere epilepsie
4.elektro-encefalogram
5.Een uitspraak van 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:190.
6.Dit volgt bijvoorbeeld uit de uitspraak van 28 november 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2012:BY4419.