ECLI:NL:RBOVE:2026:1733

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11758631 \ CV EXPL 25-1903
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:752 BWArt. 7:755 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling meerwerk en stelposten bij renovatie pand met cultuurhistorische waarde

Gedaagden kochten een pand met cultuurhistorische waarde en sloten een aanneemovereenkomst met eiser voor renovatiewerkzaamheden onder toezicht van een directievoerder namens de gemeente. Tijdens de renovatie ontstond discussie over meerwerk, stelposten en herstel van brandschade, waarbij gedaagden betaling weigerden vanwege vermeende late facturering en gebrek aan formele opdracht.

De rechtbank oordeelde dat de directievoerder gedaagden vertegenwoordigde en dat meerwerk en stelposten via bouwvergaderingen en overzichten waren besproken en goedgekeurd. Het ontbreken van handtekeningen op latere facturen werd verklaard door het beëindigen van de directievoerdersrol. De werkzaamheden aan de brandschade vielen ook onder de overeenkomst en waren noodzakelijk.

De rechtbank verwierp het verweer van rechtsverwerking wegens late facturering, oordeelde dat gedaagden gehouden zijn tot betaling van € 17.838,18 plus incassokosten en rente, en veroordeelde hen in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van meerwerk, stelposten, brandschade, incassokosten en rente.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11758631 \ CV EXPL 25-1903
Vonnis van 30 maart 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. W.A. van Overbeek de Meyer,
tegen

1.[gedaagde 1],

te [woonplaats 1],
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. F. Dijkslag.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met (aanvullende) producties,
- de conclusie van antwoord met producties,
- de mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij namens beide partijen spreekaantekeningen zijn voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] hebben een pand gelegen aan [adres 1] (hierna ook: ‘[adres 1]’ of ‘het pand’) van de gemeente Deventer gekocht. Het pand is (samen met de panden gelegen aan [adres 2] met nummers [adres 2]) als pand met cultuurhistorische waarde aangewezen (‘[adres 2]’).
2.2.
De gemeente Deventer heeft, nu zij belang hechtte aan een uniforme uitstraling van [adres 2], [gedaagden] verplicht om het pand te laten renoveren door [eiser] en heeft daarbij de heer [naam 1] als directievoerder (hierna ook: ‘de directievoerder’ of ‘[naam 1]’) aangewezen.
2.3.
[gedaagden] hebben vervolgens in mei 2023 een aanneemovereenkomst met [eiser] gesloten en [eiser] opdracht gegeven tot het verrichten van aanneemwerkzaamheden met betrekking tot het pand (hierna ook: ‘de opdracht’). In de overwegingen in de aanneemovereenkomst staat over de verhouding tot de koopovereenkomst met de gemeente het volgende vermeld:
“De door de Opdrachtgever en de Opdrachtnemer getekende overeenkomst tot aanneming van werk is een bijlage bij de koopovereenkomst tussen de gemeente Deventer (hierna te noemen: de gemeente) en de koper. Deze koopovereenkomst komt niet tot stand als er door de koper en de aannemer geen overeenkomst tot aanneming van werk is ondertekend.”
In de overwegingen van de aanneemovereenkomst wordt over de directievoerder het volgende geschreven:
“In opdracht van de gemeente zal namens de Opdrachtgever toezicht en directie op de uitvoering van de werkzaamheden door [eiser] B.V. worden uitgevoerd door een onafhankelijk bouwmanagement-bureau.”
2.4.
[eiser] is vervolgens gestart met het verrichten van aanneemwerkzaamheden aan [adres 2]. De directievoerder heeft toezicht gehouden op de uitvoering van de opdracht.
2.5.
De gemeente Deventer heeft invulling gegeven aan een aantal stelposten met betrekking tot [adres 2].
2.6.
Tijdens de renovatie van het pand heeft [eiser] geconstateerd dat, bij het verwijderen van het plafond in de keuken, de balken (verborgen) brandschade vertoonden, waarop [gedaagden] ermee hebben ingestemd dat [eiser] deze brandschade zal herstellen.
2.7.
In december 2023 heeft [eiser] een overzicht verstrekt aan [gedaagden] met betrekking tot het meer- en minderwerk en de stelposten (met titel: [adres 2] verrekeningen).
2.8.
Na overleg met de directievoerder heeft de gemeente Deventer aangeboden om een deel van de kosten (namelijk een bedrag van € 5.552,05 inclusief btw) voor haar rekening te nemen. Op 13 mei 2024 heeft [naam 1] in dat kader per e-mail aan [gedaagden] laten weten:
“Beste heren [gedaagden],
Na.v. van de ontstane discussie m.b.t de meer- en minderwerken is In overleg met de gemeente Deventer gekeken of er nog een herverdeling kan plaatsvinden in de verrekening van de meer- en minderwerken.
Bijgaand treffen jullie dan ook een overzicht aan waarin de kosten zijn verdeeld. De verdeling is gebaseerd op de artikelen in de aannemingsovereenkomst. Het overzichtis
gebaseerd op het door [eiser] opgestelde overzicht m.b.t. de verplichte verbouwing.
De geel gemarkeerde cellen zijn in deze verdeling geschaard onder 'fout' en 'gebrek' (artikel 4c).
Ondanks het feit dat de gemeente het een ruime interpretatie vindt van de begrippen 'fout' en 'gebrek' die in de overeenkomst staan zijn zij bereid deze kosten te betalen. Dit is wat betreft de gemeente Deventer het voorstel.
De genoemde artikelen 7a en 7bii betreffen onderdelen welke voor akkoord kopers zijn en dienen in overleg tussen jullie en [eiser] te worden bepaald.
Wanneer akkoord verneem ik dit graag zodat [eiser] het deel "kosten gemeente" aan de gemeente Deventer kan factureren.”
2.9.
Na telefonisch overleg tussen [gedaagden] en de directievoerder, heeft de directievoerder op 19 juni 2024 aan [gedaagden] laten weten dat hij de stelposten en meer- en minderwerk nogmaals heeft bekeken en dat hij geen afwijkingen heeft geconstateerd en dat de meer- en minderwerken voor de aannemer terechte posten zijn. Hij geeft daarbij aan:
“(…) de meer- en minderwerken zijn voor de aannemer terechte posten.
De geel gemarkeerde bedragen betreffen de kosten welke de gemeente Deventer voorstelt voor hun rekening te nemen.
Maandag aanstaande staat de oplevering gepland van de buitengevel aan de achterzijde (de weersafhankelijke werkzaamheden welke niet in december 2023 konden worden afgerond), verder heb ik ook afgesproken met Het Deventer Groenbedrijf de situatie ter plaatse op te nemen t.b.v. de klimplanten t.b.v. de erfafscheiding aan de zijkant en achterzijde.
Verdere informatie en de planning van deze werkzaamheden zal ik delen zodra deze beschikbaar is.”
2.10.
Vervolgens heeft de projectmanager van de gemeente, de heer [naam 2] (hierna ook: de heer [naam 2]), [gedaagden] gevraagd om op het voorstel te reageren, nu zowel de aannemer als de gemeente de verbouwing financieel wensen af te sluiten.
2.11.
Op 9 september 2024 hebben [gedaagden] in reactie hierop vragen gesteld over de rol van de heer [naam 2] en waarom de heer [naam 1] geen directievoerder meer is en waarom hij dit niet aan hen heeft laten weten. Dezelfde dag heeft de heer [naam 2] hierop per e-mail als volgt gereageerd:
“Allereerst vind ik het vervelend te constateren dat u zich onvoldoende betrokken voelt bij de communicatie over het ontstane meerwerk van uw woning. Mijn beeld is dat dit niet goed gegaan is in de driehoek opdrachtgever-directievoerder-aannemer.
Mijn rol vanuit de gemeente is dat ik integraal ambtelijk verantwoordelijk ben voor de herontwikkeling van het Sluiskwartier als geheel, en als onderdeel daarvan ook de 4 woningen van plot 8. Daar maakt uw woning onderdeel van uit. Dat is een privaatrechtelijke rol
Specifieker is de rol van de gemeente bij de renovatie van uw woning:
(1) Door de gemeente zijn de kaders opgesteld van de renovatie van de buitengevel. Daarvoor heeft u als opdrachtgever de aannemer opdracht gegeven
(2) De gemeente heeft de directievoerder aangesteld die de renovatie heeft begeleid. De directievoerder behartigt uw belangen als opdrachtgever en heeft (onder meer) de rechtmatigheid van het meer- en minderwerk beoordeeld.
Als opdrachtgever van de directievoerder wens ik tot een afronding te komen van zijn inzet
De gemeente heeft geen rol bij het maken van afspraken tussen de opdrachtgever en de aannemer over het verrekenen van meer- en minderwerk aan de buitenzijde van uw woning.
De gemeente heeft ook geen rol bij de werkzaamheden aan de binnenzijde van uw woning
Het meerwerk uit de bijlage is door de directievoerder [naam 1] als rechtmatig beoordeeld. Als daarover specifieke vragen zijn, verzoek ik u vriendelijk om dit bij hem kenbaar te maken
Het lijkt mij het beste als we uiteindelijk met de aannemer en de directievoerder er bij komen tot een afrekening die voor iedereen redelijk voelt.
Als u dat ook zo ziet, ben ik bereid om een dergelijk overleg te organiseren. Ik zal die vraag ook aan de aannemer en directievoerder voorleggen”
2.12.
Op 15 oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagden], nadat reactie van [gedaagden] uitbleef, de facturen met een begeleidende e-mail aan [gedaagden] gestuurd.
2.13.
Op 22 oktober 2024 hebben [gedaagden] hierop gereageerd, waarbij zij onder andere aangeven bereid te zijn om de openstaande facturen te voldoen, onder de voorwaarde dat zij hiervan bewijsstukken en opdrachtbevestigingen (door middel van getekende offertes, goedkeuring via e-mail of whatsapp) ontvangen.
2.14.
[eiser] heeft hierop bij e-mail van 13 januari 2025 gereageerd en heeft [gedaagden] tot betaling gemaand.
2.15.
Bij brief van 31 januari 2025 hebben [gedaagden] [eiser] laten weten van mening te zijn geen wettelijke of morele plicht te hebben om voor de extra werkzaamheden te betalen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – om [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 19.470,52, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagden], nadat zij (via de directievoerder) door [eiser] op de daarmee gepaard gaande verhoging van de aanneemsom waren gewezen, (via hun directievoerder) opdracht hebben gegeven tot het uitvoeren van meer- en minderwerk en tot het nader invullen van de
stelposten. Met de directievoerder is tijdens de uitvoering van het werk, zowel informeel als formeel via bouwvergaderingen, veelvuldig overleg gevoerd over de voortgang van het werk, de uitvoering van het meer- en minderwerk en de stelposten. De directievoerder heeft de juistheid van het meer- en minderwerk en de daarvoor in rekening gebrachte bedragen bovendien erkend. Hetzelfde geldt voor de stelposten, die tijdens het bouwoverleg met de directievoerder zijn besproken en door hem op financiële juistheid en rechtmatigheid zijn getoetst. Alle in rekening gebrachte werkzaamheden zijn door [eiser] uitgevoerd. Hiermee staat volgens [eiser] vast dat de bedragen met betrekking tot het meer-/minderwerk en de stelposten voor rekening van [gedaagden] komen en aan [eiser] verschuldigd zijn. Voor zover [gedaagden] of de directievoerder niet (voldoende) is gewezen op de verhoging van de aanneemsom, had de directievoerder die noodzaak uit zichzelf moeten begrijpen. Voor wat betreft (de brandschade aan) de balken aan het plafond geldt dat [eiser] hierover zelf met [gedaagden] contact heeft gehad en dat het voor deze extra werkzaamheden voor zich spreekt dat hiermee extra kosten gemoeid zijn, aldus [eiser].
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagden] voeren het volgende aan. De oplevering van de woning heeft op 22 december 2023 plaatsgevonden. De facturen voor het vermeende meerwerk ontvingen [gedaagden] bijna tien maanden later, namelijk op 15 oktober 2024 en dus te laat. Op grond van artikel 7 lid 3 van Pro de van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden voor aanneming van werk 2013 (AVA 2013) had [eiser] de eindafrekening binnen een redelijke termijn na de oplevering van het werk moeten indienen. Tien maanden is geen redelijke termijn, zodat [eiser] haar rechten om nog aanvullende betalingen te vorderen heeft verwerkt. Daarnaast hebben [gedaagden] nimmer opdracht gegeven voor het vermeende meerwerk. De aanneemovereenkomst bepaalt in artikel 7a dat verrekening van meer- en minderwerk slechts kan plaatsvinden als dit vooraf schriftelijk tussen aannemer en opdrachtgever is overeengekomen. Hiervan is geen sprake. Bovendien heeft de directievoerder de betreffende facturen niet formeel geaccordeerd. De facturen zijn, in tegenstelling tot de eerdere facturen, niet voorzien van een handtekening of schriftelijke goedkeuring van de directievoerder.
3.5.
Veel van de meerwerkposten en de invulling van de stelposten zijn daarnaast volgens [gedaagden] voortgekomen uit de opdracht van de gemeente ten aanzien van de andere woningen van [adres 2], die vervolgens – zonder overleg met en instemming van [gedaagden] – ook in het pand van [gedaagden] zijn toegepast. Dit betreft onder meer de keuze voor de (schuif)kozijnen, de voordeur en het hang- en sluitwerk. Daarnaast heeft [eiser] de (overschrijding van) de stelposten op geen enkele wijze onderbouwd, zodat [gedaagden] de bedragen niet kunnen controleren. Bovendien betwisten [gedaagden] dat zij voor de overschrijding van de stelposten zijn gewaarschuwd en hadden zij dit ook niet uit zichzelf hoeven begrijpen. Nu de stelposten een objectief karakter hadden, omdat [gedaagden] hierop nauwelijks nog invloed konden uitoefenen, dienen deze, op grond van artikel 7:752 BW Pro, te worden beschouwd als een afgegeven richtprijs. Omdat [eiser] niet heeft gewaarschuwd voor de forse overschrijding mochten deze sowieso niet met meer dan tien procent worden overschreden.
3.6.
Voorts hebben de posten vermeld op factuur [nummer] betrekking op de binnenzijde en vallen derhalve niet onder de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst voor de werkzaamheden aan de buitenzijde van de woning. Hiervoor hebben [gedaagden] separaat opdracht gegeven en de gemeente heeft [gedaagden] laten weten dat zij voor de kosten voor het vervangen van de balk en vloerplank met brandschade zorg zou dragen. Voor de buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente bestaat eveneens geen grondslag, nu de vordering op onjuiste gronden is gebaseerd en de facturen niet zijn geaccordeerd, aldus [gedaagden]
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat tussen partijen een aanneemovereenkomst is gesloten, op grond waarvan [eiser] als aannemer werkzaamheden heeft uitgevoerd ten behoeve van [gedaagden]. De vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of [eiser] aanspraak kan maken op de volledige betaling van een aantal facturen (met factuurnummers: [nummer] - [nummer]).
4.2.
Bij de beoordeling van deze vraag is de verhouding tussen partijen relevant. De gemeente heeft vanuit de wens van uniformiteit tussen de betrokken panden, de kaders gegeven voor de renovatie van de buitengevel. Verder is relevant dat [gedaagden] een directievoerder hadden die [gedaagden] vertegenwoordigde bij de aannemingsovereenkomst. Bij de beoordeling van de vordering [eiser] moet dus ook de rol van de directievoerder als vertegenwoordiger van [gedaagden] worden betrokken. Voor zover relevant zal op deze rolverdeling worden ingegaan bij de beoordeling van de verschillende facturen.
4.3.
[gedaagden] voeren allereerst als verweer aan dat de eindafrekening te laat is opgesteld en dat [eiser] daarmee haar recht op betaling heeft verwerkt. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Geen rechtsverwerking
4.4.
Voor rechtsverwerking is meer vereist dan enkel tijdsverloop. Daarvoor is nodig dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de ander het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, dan wel dat de positie van de wederpartij onredelijk zou worden benadeeld indien het recht alsnog wordt uitgeoefend.
4.5.
Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de eindafrekening op een later moment is verzonden dan [gedaagden] wenselijk achten, is daartoe onvoldoende. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven afstand te doen van haar aanspraken, noch dat [gedaagden] op grond van hun gedragingen erop mochten vertrouwen dat geen nadere betaling meer zou worden gevorderd. [eiser] hebben in de informatie over de oplevering aan [gedaagden] bericht dat zij uiterlijk 18 december 2023 een door de directievoerder goedgekeurd overzicht van de stelposten en meer- en minderwerk zou aanleveren waarbij de factuur vervolgens niet eerder dan op 22 januari 2024 zou worden verstrekt. [eiser] hebben voldoende gemotiveerd gesteld dat zij dit overzicht in december 2023 aan [gedaagden] hebben verstrekt door het overzicht in het excelbestand aan [gedaagden] te geven. [gedaagden] betwisten weliswaar dat zij hierover rechtstreeks door [eiser] zijn geïnformeerd, maar zij hebben wel verteld dat zij naar aanleiding hiervan in januari 2024 contact hebben gehad met de directievoerder. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [gedaagden] er in ieder geval van op de hoogte waren dat er nog extra kosten waren gemaakt zoals opgenomen in het excel-bestand.
4.6.
[gedaagden] verwijten [eiser] verder dat de factuur vervolgens pas in oktober 2024 aan [gedaagden] is verstrekt. [eiser] heeft echter voldoende gemotiveerd toegelicht dat dit verklaarbaar is door de gebeurtenissen daarna en de bijzondere verhouding met de gemeente. Het was in december 2023 en januari 2024 namelijk nog de vraag welk deel van de kosten in rekening zou kunnen worden gebracht bij de gemeente en welk (rest)deel bij [gedaagden] in rekening zou moeten worden gebracht. De directievoerder is daarover in overleg getreden met de gemeente. Op maandag 13 mei 2024 heeft de directievoerder per e-mail een voorstel aan [gedaagden] gedaan voor de verdeling van de kosten tussen de gemeente en [gedaagden]. De directievoerder verzocht aan [gedaagden] aan het einde van de e-mail:
Wanneer akkoord verneem ik dit graag zodat [eiser] het deel “kosten gemeente” aan de gemeente kan factureren.”[gedaagden] hebben daar niet inhoudelijk op gereageerd. Later is nog voorgesteld dat partijen hierover samen met de gemeente in overleg zouden treden. Dat overleg is uiteindelijk niet tot stand gekomen vanwege het uitblijven van een reactie van [gedaagden]. Omdat het overleg – mede vanwege het uitblijven van een reactie van [gedaagden] – niet van de grond kwam, heeft [eiser] uiteindelijk besloten het volledige bedrag in oktober 2024 in rekening te brengen bij [gedaagden]. Deze gebeurtenissen kunnen een groot deel van het tijdsverloop verklaren. Dat [eiser] eerst daarna de facturen aan [gedaagden] hebben gestuurd, kan [eiser] dan ook niet worden aangerekend. Bovendien hebben [gedaagden] ook niet concreet onderbouwd dat zij door het tijdstip van facturering in een nadeliger bewijspositie zijn komen te verkeren of anderszins onredelijk zijn benadeeld. Het beroep op rechtsverwerking wordt dan ook verworpen.
Meerwerk, stelposten en brandschade
4.7.
Nu is vastgesteld dat van rechtsverwerking geen sprake is, komt de kantonrechter toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door VD gevorderde posten. De kantonrechter zal daarbij achtereenvolgens ingaan op de tussen partijen bestaande geschilpunten met betrekking tot het meer- en minderwerk, de stelposten en de werkzaamheden in verband met de brandschade. Alvorens tot die beoordeling over te gaan, zal de kantonrechter eerst het relevante juridisch kader uiteenzetten.
4.8.
Artikel 7:755 BW Pro bevat een regeling ten aanzien van meerwerk. De eerste volzin van dit artikel bepaalt dat in geval van door de opdrachtgever gewenste toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk de aannemer slechts dan een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Uit de wetgeschiedenis bij dit artikel volgt dat het antwoord op de vraag of de opdrachtgever de noodzaak van een prijsverhoging uit zichzelf had behoren te begrijpen, grotendeels afhangt van de vraag hoeveel deskundigheid de aannemer bij zijn wederpartij mocht verwachten. De wetgever merkt hierover in de wetgeschiedenis nog het volgende op: “
Dit betekent dat bij een werk ‘onder directie’ de opdrachtgever niet gemakkelijk een beroep op dit artikel zal kunnen doen” (
Kamerstukken II1992/93, 23095, 3, p. 23 MvT).
4.9.
Gelet op het voorgaande wordt ten aanzien van de hierna te bespreken posten als volgt overwogen.
a)
Meer- en minderwerk
4.10.
Een deel van de facturen heeft betrekking op meer- en minderwerk. De kantonrechter begrijpt de toelichting van [eiser] zo dat de facturen met nummers [nummer] en [nummer] - [nummer] ten bedrage van in totaal € 781,64 zien op de verrekening van meer- en minderwerk (hierna ook: meerwerk). [gedaagden] betwisten dat voor deze werkzaamheden door henzelf, althans door de directievoerder, (mondeling) opdracht is verstrekt. In ieder geval zijn [gedaagden], noch hun directievoerder, akkoord gegaan met de extra meerwerkkosten. Zij waren er bovendien niet mee bekend dat deze werkzaamheden extra kosten met zich zouden brengen, zodat zij niet gehouden zijn de desbetreffende facturen te voldoen, aldus [gedaagden]. De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt.
4.11.
De kantonrechter stelt voorop dat uit de stukken en hetgeen ter zitting is toegelicht, volgt dat binnen de projectverhouding de directievoerder optrad namens [gedaagden]. Tussen partijen is, nu [gedaagden] dit ook hebben erkend, niet in geschil dat de directievoerder in die hoedanigheid [gedaagden] vertegenwoordigde.
4.12.
De tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk is bepalend voor de wijze waarop goedkeuring werd verleend voor meerwerk (en voor de invulling van stelposten). Uit die overeenkomst volgt dat in opdracht en voor rekening van de gemeente namens [gedaagden] toezicht en directie op de uitvoering van de werkzaamheden door [eiser] zal worden gehouden door [bedrijf]. Door [eiser] is bovendien onbetwist gesteld dat ook in het bestek de rol van de directievoerder in het kader van meerwerk is beschreven. Concreet betekende deze rol van de directievoerder dat aanvullingen en wijzigingen in het werk in overleg met – en met instemming van – de directievoerder tot stand kwamen.
4.13.
Vast staat voorts dat tussen [eiser] en de directievoerder een vaste werkwijze bestond. Meerwerk (en stelposten) werden besproken in werkoverleggen (bouwvergaderingen) en verwerkt in zogenoemde Excel-overzichten/-lijsten. Op basis daarvan werden werkzaamheden uitgevoerd en vervolgens gefactureerd. Vervolgens stuurde de directievoerder een ondertekende factuur aan [gedaagden] die zij vervolgens betaalden. Uit deze vaste werkwijze leidt de kantonrechter af dat opdrachten tot meerwerk niet uitsluitend door middel van een formeel schriftelijk akkoord tot stand kwamen, maar ook besloten konden liggen in de bespreking tijdens bouwvergaderingen en de verwerking daarvan in de overzichten waarna die overzichten werden goedgekeurd door de directievoerder. In die werkwijze ligt een impliciete opdrachtverlening besloten.
4.14.
Dat deze werkwijze gebruikelijk was, blijkt ook uit het feit dat eerdere facturen door de directievoerder voor akkoord zijn ondertekend. Het betoog van [gedaagden] dat uit het ontbreken van de handtekening van de directievoerder op de laatste facturen uit oktober 2024 – waarvan in deze procedure betaling wordt gevorderd – moet worden afgeleid dat de directievoerder niet heeft ingestemd, kan niet worden gevolgd. Het enkele feit dat de directievoerder die facturen – anders dan de eerdere facturen – niet heeft ondertekend, is niet genoeg om te oordelen dat hij daar eerder geen akkoord op heeft gegeven. [eiser] heeft namelijk gemotiveerd toegelicht dat de rol van de directievoerder op het moment van het versturen van de factuur in oktober 2024 al was beëindigd. Die factuur is daarom rechtstreeks aan [gedaagden] verstuurd en niet via de directievoerder. Dit kan het ontbreken van de handtekening verklaren. Uit de overgelegde e-mail van 9 september 2024, volgt bovendien dat [gedaagden] ermee bekend waren dat de directievoerder vanaf dat moment niet langer als directievoerder betrokken was. Zo volgt uit de e-mail van [gedaagden] op 9 september 2024 aan de heer [naam 2] (r.o. 2.11). Tegen die achtergrond is verklaarbaar dat de betreffende facturen niet meer door de directievoerder zijn ondertekend.
4.15.
Van belang is voorts dat [naam 1] het in rekening gebrachte meerwerk inhoudelijk als terechte posten heeft aangemerkt. Dit volgt ook uit zijn e-mails van 13 mei en 19 juni 2024 aan [gedaagden] waarin de directievoerder schrijft dat de meerwerkposten in het overzicht van [eiser] terecht zijn. Uit die conclusie van de directievoerder leidt de kantonrechter af dat het meerwerk op de tussen [eiser] en [naam 1] gebruikelijke wijze is besproken en akkoord bevonden. Het enkele ontbreken van een handtekening op de facturen is onder deze omstandigheden onvoldoende om aan te nemen dat geen opdracht of goedkeuring is verleend, temeer nu vaststaat dat [naam 1] op dat moment formeel niet langer als directievoerder fungeerde en [gedaagden] daarvan op de hoogte waren. In de verhouding tot [gedaagden] mocht [eiser] uit het akkoord van de directievoerder afleiden dat [gedaagden] daarmee instemden. Bovendien staat vast dat de facturen in overeenstemming zijn met het door de directievoerder terecht beoordeelde meerwerk.
4.16.
Met betrekking tot betoog van [gedaagden] dat op grond van artikel 7 van Pro de aanneemovereenkomst verrekening van meer- en minderwerk slechts kan plaatsvinden indien dit schriftelijk is overeengekomen, overweegt de kantonrechter als volgt. Uit de tussen partijen gevolgde werkwijze blijkt dat meerwerk in de praktijk werd besproken tijdens bouwvergaderingen, werd verwerkt in overzichten en vervolgens werd uitgevoerd en gefactureerd, zonder dat dit steeds in een afzonderlijk schriftelijk akkoord werd vastgelegd. Door deze handelwijze hebben [eiser] en de directievoerder namens [gedaagden] uitvoering gegeven aan de overeenkomst op een wijze waaruit volgt dat zij een afzonderlijke schriftelijke bevestiging niet als constitutief vereiste hebben aangemerkt. Uit de feitelijke uitvoering en onderlinge gedragingen mocht worden afgeleid dat zij gebondenheid niet afhankelijk stelden van schriftelijke vastlegging. Tegen die achtergrond kunnen [gedaagden] zich niet met succes beroepen op het ontbreken van een afzonderlijke schriftelijke bevestiging nu de directievoerder per mail heeft aangegeven dat het meerwerk terecht is. Het verweer faalt derhalve.
4.17.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het meerwerk rechtsgeldig is opgedragen en dat [gedaagden] gehouden zijn de daarvoor in rekening gebrachte bedragen te voldoen, zodat de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal toewijzen.
b)
Stelposten
4.18.
Vervolgens vordert [eiser] betaling van de facturen met betrekking tot stelposten. De kantonrechter begrijpt de stellingen van [eiser] zo dat de facturen met factuurnummers: [nummer], [nummer] en [nummer] ten bedrage van in totaal € 13.273,74 betrekking hebben op de stelposten.
4.19.
[gedaagden] hebben aangevoerd dat deze stelpost een richtprijs als bedoeld in artikel 7:752 BW Pro is, omdat het hier volgens [gedaagden] gaat om objectieve stelposten waarbij de opdrachtgever op de invulling weinig tot geen invloed meer heeft. [gedaagden] hebben in dit kader gesteld dat niet zij maar de gemeente de keuzes hebben gemaakt voor de invulling van de stelposten. Dat is echter niet genoeg. [eiser] heeft namelijk gemotiveerd toegelicht dat de keuzes van de gemeente samenhingen met de contractuele verhouding tussen [gedaagden] en de gemeente. De gemeente wilde dat [adres 2] op deze onderdelen een uniforme uitstraling hadden en de keuzes waren dan ook gelijk voor alle [adres 2]. [eiser] heeft bovendien onweersproken gesteld dat de keuzes voor de stelposten in overleg tussen [eiser], de gemeente en de directievoerder tot stand zijn gekomen. Tegen deze achtergrond heeft [gedaagden] onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het hier gaat om objectieve stelposten, waarbij de opdrachtgever op de invulling weinig tot geen invloed meer heeft.
4.20.
In dit geval betreft het onder meer de voor- en achterdeur, beton(herstel)werk, dakbeschot, schuif- en hang- en sluitwerk. Onbetwist is door [eiser] gesteld dat deze posten op verschillende wijzen konden worden ingevuld en dat derhalve sprake was van keuzemogelijkheden, maar dat deze keuzes voor [adres 2] zijn gemaakt door de gemeente in overleg met de directievoerder, zodat de stelposten door de gemeente zijn ingevuld op een uniforme manier ten behoeve van alle [adres 2]. Nu vaststaat dat (in ruime mate) invloed is uitgeoefend op de invulling van de uit te voeren werkzaamheden, betreft het subjectieve stelposten en daarmee meerwerk. De kantonrechter zal deze stelposten beoordelen op grond van artikel 7:755 BW Pro.
4.21.
Uit de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting volgt dat, evenzo als bij het meerwerk, zoals hiervoor ook is overwogen, invulling van de stelposten tot stand kwam tijdens bouwvergaderingen in overleg met en door instemming van de directievoerder. Als onbetwist staat voorts vast dat [eiser] de directievoerder heeft gewezen op de, als gevolg van de veranderingen en toevoegingen, voortvloeiende verhoging van de aanneemsom. Zelfs indien dit niet het geval zou zijn geweest, had de directievoerder bovendien uit zichzelf moeten begrijpen dat de invulling van deze stelposten kostenverhogend zouden werken; als directievoerder is hij ermee bekend dat invulling van stelposten en keuzes die in dat kader gemaakt werden een verhoging van de aanneemsom zouden meebrengen. Zeker nu die keuzes onder andere luxere systemen en uitstraling van voor- en achterdeur en hang- en sluitwerk inhielden, zoals voor [adres 2] het geval was.
4.22.
Dat de invulling van de stelposten in de praktijk door de gemeente werd bepaald en niet door [gedaagden], zodat [gedaagden] feitelijk gebonden waren aan de door de gemeente gemaakte keuzes, maakt dit niet anders. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat dit voortvloeit uit de contractuele verhouding tussen de gemeente en [gedaagden] Bovendien staat gelet op het voorgaande vast dat de directievoerder, die [gedaagden] bij de uitvoering van het project vertegenwoordigde, namens [gedaagden] akkoord heeft gegeven op de uitvoering conform die keuzes.
4.23.
Gelet op het voorgaande en nu de hoogte van de stelposten niet, althans onvoldoende gemotiveerd, is betwist, is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagden] de facturen met betrekking tot de stelposten ook moeten voldoen. Dit onderdeel van de vordering zal ook worden toegewezen.
c)
Werkzaamheden in verband met brandschade
4.24.
De factuur met factuurnummer [nummer] ten bedrage van € 3.782,80 ziet op werkzaamheden in verband met de brandschade. [eiser] stelt dat deze werkzaamheden onder de tussen partijen gesloten overeenkomst vallen en als meerwerk moeten worden aangemerkt. [gedaagden] voeren daartegen aan dat deze werkzaamheden reeds onder de separate binnen-overeenkomst vielen en dat daarvoor geen aanvullende vergoeding verschuldigd is. Hoewel [gedaagden] niet betwisten dat de werkzaamheden dienden te worden uitgevoerd en zij hiermee ook hebben ingestemd, is hiervoor volgens hen geen opdracht of offerte verstrekt, zodat zij deze werkzaamheden niet hoeven te vergoeden. Volgens [eiser] vielen de werkzaamheden evenwel onder de buiten-overeenkomst, nu zij verband hielden met de constructie van de woning en hebben [gedaagden] althans de directievoerder (via de bouwvergaderingen en Excellijsten) ingestemd met de werkzaamheden.
4.25.
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor zover [gedaagden] hebben betoogd dat de werkzaamheden reeds onder de aanneemsom voor de binnen-overeenkomst vielen en daarom niet afzonderlijk in rekening mochten worden gebracht, hebben zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Van de gestelde afspraak zijn geen stukken overgelegd, noch zijn concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat partijen zijn overeengekomen dat herstel van brandschade binnen de overeengekomen aanneemsom voor de binnen-overeenkomst zou vallen.
4.26.
Daartegenover staat vast dat [gedaagden] hebben ingestemd met het uitvoeren van de betreffende werkzaamheden door [eiser]. Dat hebben [gedaagden] ook niet betwist. Herstel van de brandschade was immers noodzakelijk, mede met het oog op de voortgang en uitvoering van de overige verbouwingswerkzaamheden. Reeds om die reden mochten deze werkzaamheden niet achterwege blijven.
4.27.
De enkele stelling van [gedaagden] dat zij zelf geen offerte hebben ontvangen en om die reden geen opdracht tot verrichten van de werkzaamheden hebben verstrekt, kan hen in dit geval niet baten. [eiser] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat de werkzaamheden in verband met de brandschade onder de reikwijdte van de bestaande buiten-overeenkomst vielen, zodat de directievoerder ook ten aanzien van deze werkzaamheden optrad als vertegenwoordiger van [gedaagden]. Naast de instemming van [gedaagden] met de werkzaamheden in verband met de brandschade, heeft de directievoerder – in het kader van de voortgang van het project – opdracht gegeven tot uitvoering via de gebruikelijke bouwoverleggen en de daarbij gehanteerde Excellijsten waarop de prijs vermeld stond. Ten aanzien van deze lijst heeft de directievoerder toegelicht dat het om terechte meerwerkposten gaat. Dat deze werkwijze gebruikelijk was binnen het project en dat langs die weg opdracht is verstrekt, is – zoals hiervoor in het kader van meerwerk en stelposten reeds overwogen – door [gedaagden] niet, althans onvoldoende, gemotiveerd betwist.
4.28.
[eiser] heeft voorts onweersproken gesteld dat de daarmee gemoeide kosten kenbaar gemaakt zijn aan de directievoerder. In ieder geval moest(en) de directievoerder (en [gedaagden]) begrijpen dat de onvoorziene werkzaamheden als gevolg van de brandschade noodzakelijkerwijs tot een verhoging van de aanneemsom zouden leiden. Het verrichten van dergelijke aanvullende herstelwerkzaamheden brengt immers onvermijdelijk extra arbeid, materialen en tijd met zich mee. Van de directievoerder, die met de uitvoering en financiële consequenties van het werk bekend is, mocht bovendien worden verwacht dat hij zich van deze kostenverhogende gevolgen rekenschap gaf en met de daaruit voortvloeiende verhoging van de aanneemsom rekening had moeten houden.
4.29.
Onder deze omstandigheden is voldoende komen vast te staan dat de werkzaamheden in verband met de brandschade onder de reikwijdte van de tussen partijen gesloten buiten-overeenkomst vallen en dat daarvoor opdracht is verstrekt via de directievoerder, die [gedaagden] in het kader van het project vertegenwoordigde. Nu [gedaagden] niet hebben betwist dat de werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd, zijn zij gehouden de daarvoor verschuldigde vergoeding te voldoen. De factuur met factuurnummer [nummer] ten bedrage van € 3.782,80 dient daarom door [gedaagden] te worden voldaan, zodat ook dit onderdeel van de vordering wordt toegewezen.
Conclusie
4.30.
De hoofdsom van € 17.838,18 zal worden toegewezen, nu [gedaagden] gelet op het voorgaande zijn gehouden alle facturen met betrekking tot het meerwerk, de stelposten en de werkzaamheden in verband met de brandschade te betalen.
4.31.
Het betoog van [gedaagden] dat de gemeente heeft toegezegd een deel van de kosten te zullen vergoeden, leidt niet tot een ander oordeel. Een dergelijke toezegging kan niet leiden tot bevrijding van hun betalingsverplichting jegens [eiser], maar kan slechts betekenis hebben in de verhouding tussen [gedaagden] en de gemeente.
4.32.
De kantonrechter merkt ten overvloede op dat [gedaagden] desgewenst nog met de gemeente in overleg zouden kunnen treden over een (gedeeltelijke) vergoeding van de kosten. Een dergelijk overleg betreft evenwel een aangelegenheid tussen [gedaagden] en de gemeente en valt buiten het bestek van deze procedure.
Buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente
4.33.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 959,49 worden tot een bedrag van € 953,38 toegewezen. De gevorderde incassokosten voldoen aan de vereisten van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, maar zijn hoger dan het wettelijke tarief. De kantonrechter zal het bedrag volgens het wettelijke tarief toewijzen.
4.34.
De gevorderde wettelijke rente over buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar. Nu niet is gesteld op welke datum de buitengerechtelijke incassokosten daadwerkelijk zijn betaald, zal de rechtbank de wettelijke rente over buitengerechtelijke incassokosten toewijzen vanaf de dag van de dagvaarding.
4.35.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen, een en ander zoals vermeld in het dictum nu daar geen afzonderlijk verweer tegen is gevoerd. De gevorderde wettelijke rente over de al berekende rente van € 672,85 is op grond van de wet niet toewijsbaar voor zover deze niet over een geheel jaar verschuldigd is en wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
4.36.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,16
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.591,16

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 19.464,41 aan hoofdsom, incassokosten en rente t/m 6 juni 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 18.791,56, met ingang van 12 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 2.591,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.