Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1735

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11841755 \ CV EXPL 25-2444
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610b BWArt. 7:629 BWWet verbetering poortwachter
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering na ziekmelding bij nulurencontract

Eiser trad op 5 maart 2025 in dienst bij Zonduurzaam met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en een proeftijd. Tijdens de proeftijd werd de overeenkomst beëindigd en omgezet in een nulurencontract voor zes maanden. Eiser werkte diverse uren tot zij zich op 28 april 2025 ziek meldde en daarna niet meer beter meldde.

Eiser vorderde betaling van achterstallig loon over de periode 5 mei tot 1 juli 2025, inclusief wettelijke verhoging, rente en schadevergoeding wegens niet doorbetalen loon tijdens ziekte en schending van goed werkgeverschap. Zonduurzaam voerde verweer en stelde dat er geen vaste arbeidsomvang was overeengekomen en dat eiser na ziekmelding niet meer was opgeroepen.

De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een vaste arbeidsomvang van 40 uur per week en dat zij niet had aangetoond dat zij na ziekmelding zou zijn opgeroepen. Hierdoor bestond geen recht op loondoorbetaling over de gevorderde periode. Ook de schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan causaliteit en onvoldoende onderbouwing.

Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van €864,00. Het vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De loonvordering en schadevergoeding van eiser worden afgewezen; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11841755 \ CV EXPL 25-2444
Vonnis van 31 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. G. Akaröz,
tegen
ZONDUURZAAM B.V.,
te Deventer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Zonduurzaam,
gemachtigde: mr. C.C. Rooseboom.

1.De zaak in het kort

[eiser] heeft bij Zonduurzaam gewerkt op basis van een nulurencontract. [eiser] vordert betaling van achterstallig loon nadat zij ziek is geworden, wettelijke verhoging, wettelijke rente en schadevergoeding, alsmede Zonduurzaam te veroordelen in de proceskosten. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hierna zal de kantonrechter dit oordeel toelichten.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 5 augustus 2025 van deze rechtbank,
- de dagvaarding met bijlagen,
- de productie met huurachterstand van [eiser],
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt,
- de pleitnota van [eiser].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
3.1.
Op 5 maart 2025 is [eiser] in dienst getreden bij Zonduurzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (tot 4 oktober 2025) voor 40 uur per week en met een proeftijd van één maand.
3.2.
Op 4 april 2025 heeft Zonduurzaam een brief aan [eiser] overhandigd waarin staat dat Zonduurzaam tijdens de proeftijd heeft besloten dat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet zal worden voortgezet en dat de arbeidsovereenkomst zal worden omgezet naar een nulurencontract met een looptijd van zes maanden.
3.3.
[eiser] heeft de volgende uren gewerkt bij Zonduurzaam:
Week
Aantal dagen
Uren per dag
Totaal uren
10
3
7,5
22,5
11
4
7,5
30
12
2,5
7,5
18,75
13
5
7,5
37,5
14
5
7,5
37,5
15
5
7,5
37,5
16
4
7,5
30
17
3
7,5
22,5
Totaal
236,25
3.4.
Op 28 april 2025 (week 18) heeft [eiser] zich bij Zonduurzaam ziekgemeld.
3.5.
Vervolgens heeft [eiser] zich niet meer bij Zonduurzaam beter gemeld. Zonduurzaam heeft [eiser] ook niet meer ingepland en opgeroepen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad, Zonduurzaam zal veroordelen tot betaling van:
a. het achterstallig loon over de periode van 5 mei 2025 tot 1 juli 2025, te weten
€ 3.543,60 vermeerderd met vakantiegeld,
de wettelijke verhoging van 50%, te weten € 1.771,80,
de wettelijke rente over het achterstallig loon en de wettelijke verhoging,
een schadevergoeding wegens het handelen in strijd met de Wet verbetering poortwachter en schending van goed werkgeverschap, ter hoogte van € 1.771,80,
de proceskosten.
4.2.
Zonduurzaam voert verweer en concludeert de vorderingen van [eiser] af te wijzen met veroordeling van [eiser], uitvoerbaar bij voorraad, in de proces- en nakosten.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Eiswijziging(en) door [eiser]
5.1.
Zonduurzaam heeft bezwaar gemaakt tegen de brief met bijlagen van [eiser] met de naam “aanvullend exemplaar dagvaarding” (met eiswijziging) alsmede tegen de eiswijziging in de spreekaantekeningen van [eiser]. De kantonrechter heeft partijen tijdens de zitting meegedeeld dat de brief met bijlagen van [eiser] (met eiswijziging) niet aan het procesdossier wordt toegevoegd omdat Zonduurzaam dit niet heeft ontvangen. De eiswijziging van [eiser] in de pleitaantekeningen wordt wel toegestaan. Deze eiswijziging ligt in het verlengde van de oorspronkelijke dagvaarding en Zonduurzaam heeft hierop tijdens de zitting kunnen reageren.
Er is geen loon verschuldigd en wettelijke verhoging/rente
5.2.
Het geschil gaat om de vraag of [eiser] nadat zij op 28 april 2025 ziek is geworden op grond van artikel 7:629 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) recht heeft op loondoorbetaling. Het gaat daarbij, uitgaande van de pleitaantekeningen van haar gemachtigde, om de periode van 5 mei 2025 tot 1 juli 2025.
-
Nulurencontract na beëindiging eerste arbeidsovereenkomst
5.3.
Uit de standpunten van partijen bij dagvaarding en conclusie van antwoord volgt dat de arbeidsovereenkomst in de proeftijd is beëindigd en dat zij vervolgens een nulurencontract zijn overeengekomen. [eiser] heeft dit in haar dagvaarding in randnummer 2.2. expliciet verklaard. Tijdens de zitting heeft [eiser] haar standpunt gewijzigd en heeft zij betoogd dat partijen hebben afgesproken dat de eerste arbeidsovereenkomst is verlengd tijdens de proeftijd.
5.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] haar gewijzigde standpunt onvoldoende heeft onderbouwd en geen verklaring heeft gegeven voor haar wisselende standpunten. In de pleitaantekeningen wordt immers ook gesproken over de tweede arbeidsovereenkomst die van kracht was van 4 april 2025 tot 3 oktober 2025 en dat er formeel sprake was van een nulurencontract. [1] Daarnaast volgt uit de pleitaantekeningen dat [eiser] primair het standpunt inneemt dat de afspraak tussen partijen was dat zij 40 uur per week werd opgeroepen. [2] Mede gelet op de niet betwiste brief van Zonduurzaam van 4 april 2025 waarin Zonduurzaam bevestigt dat de eerste arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet, gaat de kantonrechter er dan ook in de verdere beoordeling hierna vanuit dat de eerste arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd is beëindigd en [eiser] op grond van de tweede arbeidsovereenkomst (het nulurencontract) haar loonvordering instelt.
-
Geen vaste arbeidsomvang van 40 uur
5.5.
Partijen twisten vervolgens over de vraag of zij een vaste arbeidsomvang van 40 uur zijn overeengekomen. [eiser] stelt primair dat dit het geval is en zij met Zonduurzaam heeft afgesproken dat zij 40 uur per week werd opgeroepen. Volgens [eiser] heeft zij die uren ook heeft gewerkt. Daarover oordeelt de kantonrechter als volgt.
5.6.
In gevallen waarin de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is overeengekomen, biedt de wet in artikel 7:610b BW een rechtsvermoeden, op grond waarvan, indien de arbeidsovereenkomst tenminste drie maanden heeft geduurd, de bedongen arbeid wordt vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde arbeidsomvang per maand in de voorafgaande drie maanden. Dit rechtsvermoeden biedt hier echter geen soelaas, aangezien het geschil tussen partijen over de arbeidsomvang al is gerezen voordat [eiser] drie maanden voor Zonduurzaam had gewerkt. Dit betekent dat de bewijslast ter zake van de stelling dat sprake was van een arbeidsovereenkomst met een omvang van 40 uur per week op [eiser] rust.
5.7.
Niet is gebleken dat [eiser] 40 uur per week heeft gewerkt. [eiser] stelt wel dat zij altijd van maandag tot vrijdag, 8 uur per dag, heeft gewerkt, maar uit het overzicht dat is opgenomen onder r.o. 3.3. volgt juist dat [eiser] voor haar ziekmelding geen enkele week 40 uur heeft gewerkt.
5.8.
Daar komt bij dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij met Zonduurzaam heeft afgesproken dat zij 40 uur per week zou worden opgeroepen. Zij heeft ten eerste onvoldoende concrete omstandigheden kunnen aanvoeren over het moment waarop en wijze waarop deze afspraken zijn gemaakt. Uit hetgeen zij wel heeft aangevoerd kan niet worden afgeleid dat er een toezegging is gedaan over het minimaal te werken uren. De stelling dat zij 40 uren per week zou worden opgeroepen strookt ook niet met het aantal uren dat [eiser] vervolgens daadwerkelijk heeft gewerkt. Uit de werkgeversverklaring, waarin het opgegeven salaris overeenkomt met 40 uur per week, kan dit evenmin worden afgeleid. Deze verklaring is door Zonduurzaam op verzoek van [eiser] verstrekt ten behoeve van het verkrijgen van de financiering voor de koop van een woning. Hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat partijen afspraken hebben gemaakt over de inhoud van de arbeidsrelatie. Volgens [eiser] heeft Koen Rozendom bij het afgeven van de werkgeversverklaring toegezegd dat haar nulurencontract weer omgezet zou worden naar een contract voor 40 uur. Zonduurzaam heeft dat echter gemotiveerd betwist door onder meer het standpunt in te nemen dat Koen Rozendom toen op vakantie was. Nu [eiser] haar standpunt vervolgens niet verder heeft onderbouwd, heeft zij op dit punt niet voldaan aan haar stelplicht en kan zij niet worden gevolgd in haar standpunt. Ook het Loket.nl met informatie over de arbeidsovereenkomst en de loonstroken waarin staat dat sprake is van ‘‘Ploeg 1, 40 uur’’ en de loonstroken maart, april en mei waarop staat ‘‘Fulltime 40 uur’’ waarnaar [eiser] verwijst, zijn niet van doorslaggevend belang. Het gaat er immers om wat partijen hebben afgesproken. In dit geval hebben partijen afgesproken dat [eiser] werkzaam was bij Zonduurzaam op basis van een nulurencontract. Bovendien heeft Zonduurzaam toegelicht dat zij in eerste instantie over de maand april het loon heeft uitbetaald alsof [eiser] fulltime in dienst was, maar dat zij de teveel betaalde uren in een correctiestrook heeft verrekend. Dit is door [eiser] niet betwist. De loonstrook van maart met de vermelding van ziekmelding 16 uur waar in dit kader [eiser] tot slot nog naar verwijst, is hier niet relevant omdat dit ziet op de vorige arbeidsovereenkomst die is beëindigd.
5.9.
Alles overziend is de kantonrechter van oordeel dat de gestelde arbeidsomvang van 40 uur onvoldoende is komen vast te staan. [eiser] heeft dan ook geen recht op loon op basis van 40 uur per week.
-
Niet komen vast te staan dat [eiser] was opgeroepen als zij niet ziek was
5.10.
Bij de beoordeling van de vraag of er aanspraak bestaat op loondoorbetaling zal vastgesteld dienen te worden of er sprake is van een situatie waarin de werknemer, indien de ziekte niet was opgetreden, arbeid zou hebben verricht. [eiser] stelt dat dit het geval is en Zonduurzaam subsidiair om deze reden het loon aan haar moet doorbetalen.
5.11.
De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat partijen een vaste arbeidsomvang hebben afgesproken en evenmin dat [eiser] een beroep kan doen op het vermoeden van een bepaalde arbeidsomvang. Dat leidt ertoe dat het uitgangspunt moet zijn dat [eiser] alleen recht op loon zou hebben gekregen indien zij zou zijn opgeroepen.
Vast staat tussen partijen dat [eiser] zich op 28 april 2025 ziek heeft gemeld. Volgens Zonduurzaam stond [eiser] in die week ingepland en heeft zij die uren aan [eiser] ook uitbetaald. [eiser] heeft dit niet betwist. Niet in geschil is tussen partijen dat [eiser] zich na haar ziekmelding niet beter heeft gemeld en Zonduurzaam haar in de maanden mei en juni niet meer heeft ingeroosterd en dus ook niet meer heeft opgeroepen. Zonduurzaam heeft onder de verwijzing naar de brief van 4 april 2025 toegelicht dat het werk terugliep en dat dit ook de reden is geweest dat zij een nulurencontract heeft aangeboden aan [eiser]. [eiser] heeft vervolgens wel betwist dat zij niet meer opgeroepen zou worden, maar heeft dit niet gemotiveerd met feiten en omstandigheden. Dat maakt dat de kantonrechter ervan uitgaat dat [eiser] niet meer door Zonduurzaam zou zijn opgeroepen. Dat betekent dat zij over de resterende duur van haar arbeidsovereenkomst geen recht meer zou hebben gehad op loon, en daarmee ook niet op doorbetaling van loon bij ziekte. Daar komt bij dat [eiser] tijdens de periode waarop zij zich beroept is verhuisd en zich ook niet beschikbaar heeft gesteld om haar werkzaamheden op enig moment weer te verrichten.
-
Conclusie
5.12.
De slotsom is dat de loonvordering wordt afgewezen. Dat maakt dat er ook geen wettelijke verhoging en wettelijke rente is verschuldigd.
Er is geen recht op schadevergoeding
5.13.
[eiser] vordert daarnaast schadevergoeding van Zonduurzaam omdat Zonduurzaam het loon tijdens ziekte niet heeft doorbetaald, haar niet heeft ziekgemeld bij het UWV, zij pas sinds februari 2026 een Ziektewet-uitkering krijgt van het UWV en Zonduurzaam ook geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld.
5.14.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Van een situatie waarin Zonduurzaam ten onrechte het loon niet heeft doorbetaald is gelet op het voorgaande geen sprake.
Daargelaten of onder de gegeven omstandigheden van Zonduurzaam mocht worden verlangd dat zij [eiser] ziek had gemeld bij het UWV, is niet gesteld of gebleken dat [eiser] daardoor schade heeft geleden. Het had op de weg van [eiser] gelegen om het causale verband tussen de gedragingen die zij Zonduurzaam verwijt en de geleden schade toe te lichten. Omdat [eiser] op dit niet punt niet voldaan heeft aan haar stelplicht, zal deze vordering ook worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
5.15.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zonduurzaam worden begroot op:
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
864,00

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.

Voetnoten

1.Pleitaantekeningen randnummer 1 en 3
2.Pleitaantekeningen randnummer 4c