ECLI:NL:RBOVE:2026:1740

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/08/329572 / HA ZA 25-70
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 22 lid 1 RvArt. 195a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige ontruiming bij huurkoop woonwagen met schadevergoeding

De rechtbank Overijssel heeft op 1 april 2026 uitspraak gedaan in een civiele zaak over een onrechtmatige ontruiming bij huurkoop van een woonwagen. Eiser, die de woonwagen huurde met koopoptie, vorderde schadevergoeding wegens het niet verkrijgen van de eigendom en onrechtmatige ontruiming door gedaagde.

In een tussenvonnis was reeds geoordeeld dat gedaagde onrechtmatig had gehandeld en dat eiser recht had op schadevergoeding. De rechtbank heeft nu de hoogte van de schadevergoeding vastgesteld, waarbij is uitgegaan van de huurkoopovereenkomst en de betaalde termijnen. De totale schadevergoeding voor het niet verkrijgen van de eigendom van de woonwagen en de immateriële schade bedraagt €12.265,78.

De rechtbank wees de vorderingen tegen andere gedaagden af en verwierp de reconventionele vorderingen van gedaagde wegens onvoldoende onderbouwing. Proceskosten werden verdeeld waarbij eiser de kosten van twee gedaagden moet betalen, maar de kosten van de hoofdgedaagde worden door haar betaald. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €12.265,78 schadevergoeding wegens onrechtmatige ontruiming bij huurkoop woonwagen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/329572 / HA ZA 25-70
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. W. Wallinga,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[partij B 1], handelend onder de naam
[partij B 1],
gevestigd en kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,
2.
[partij B 2], vennoot van gedaagde sub 1,
wonende in [woonplaats 2] ,
3.
[partij B 3], vennoot van gedaagde sub 1,
wonende in [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B 1] , [partij B 2] en [partij B 3] , en gezamenlijk [partij B];
advocaat: mr. M.E. Beukers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 oktober 2025;
- de akte van 22 oktober 2025 van [partij A] , met daarin tevens een verzoek op grond van artikel 22 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) jegens [partij B 2] en een inzageverzoek op grond van artikel 195a Rv jegens Stichting Phusis (hierna: Phusis);
- de antwoordakte van 5 november 2025 van [partij B];
- de akte uitlating producties van 13 november 2025 van [partij A] .
1.2.
Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2.De verdere beoordeling

in conventie
2.1.
In het tussenvonnis van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [partij B 2] onrechtmatig jegens [partij A] heeft gehandeld. [partij A] heeft daarom recht op vergoeding van de schade die zij daardoor heeft geleden. Eén van de schadeposten die [partij B 2] moet vergoeden zijn de huurkooptermijnen die [partij A] heeft betaald. Daarover heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen dat [partij A] recht heeft op vergoeding van dat deel van de huurkooptermijnen dat zag op de uiteindelijke eigendomsverkrijging van de woonwagen. De rechtbank heeft [partij A] in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het bedrag dat zij in totaal heeft betaald voor de eigendomsverkrijging van de woonwagen en daarnaast om nader te onderbouwen dat zij de maandelijkse huurkooptermijnen van april, mei, juni en juli 2022 heeft betaald.
De schadevergoeding voor de eigendomsverkrijging van de woonwagen
2.2.
[partij A] heeft in haar akte na het tussenvonnis (opnieuw) gesteld dat het volledige bedrag dat zij per maand aan [partij B 2] heeft betaald betrekking had op de uiteindelijke eigendomsverkrijging van de woonwagen. De schadevergoeding voor het niet kunnen verkrijgen van de woonwagen moet dus bestaan uit het totaalbedrag van € 16.800,00 dat [partij A] aan [partij B 2] heeft betaald, aldus [partij A] .
2.3.
De rechtbank volgt [partij A] daarin niet. Zoals ook in het tussenvonnis is overwogen, hebben partijen in de huurkoopovereenkomst een onderscheid gemaakt tussen een bedrag voor de huurkoop en een bedrag voor stageld. De rechtbank blijft dan ook bij haar oordeel dat [partij A] alleen recht heeft op schadevergoeding voor het bedrag dat zij heeft betaald voor de uiteindelijke eigendomsverkrijging (de koop) van de woonwagen. Uitgaande van de overeenkomst is dat in beginsel € 868,42 per maand (r.o. 5.14. van het tussenvonnis).
2.4.
Omdat [partij A] ook een gebruiksvergoeding betaalde, betaalde zij feitelijk per maand echter een hoger bedrag. Omdat tussen partijen in geschil is welk totaalbedrag [partij A] feitelijk per maand betaalde (€ 1.450,00 of € 1.250,00, zie r.o. 5.14 van het tussenvonnis) en of dat invloed heeft op de hoogte van het op basis van de overeenkomst aangenomen bedrag van € 868,42 per maand voor de eigendomsverkrijging, mocht [partij A] zich bij akte uitlaten over de vraag welk deel van de betalingen betrekking had op de eigendomsverkrijging. Dit is een akte nadere uitlating in de stelfase en (nog) geen bewijsopdracht. Relevant voor de verdere beoordeling is dat tussen partijen wel vast staat dat Phusis haar deel van € 800,00 per maand rechtstreeks aan [partij B 2] betaalde. Voor de beoordeling van de vraag welk totaalbedrag [partij A] heeft betaald, is dus alleen relevant welk deel [partij A] daarnaast zelf nog aan [partij B 2] betaalde. Uit de toelichting van [partij A] op basis van haar bankafschriften blijkt dat [partij A] in aanvulling op het bedrag van € 800,00 dat Phusis rechtstreeks aan [partij B 2] betaalde, wisselende bedragen overmaakte aan [partij B 2] . Partijen hebben niet gesteld of en in hoeverre die wisselende bedragen van invloed zijn geweest op de aflossingen voor de eigendomsverkrijging zoals opgenomen in de huurkoopovereenkomst. [partij A] heeft daarmee onvoldoende gesteld om uit te gaan van een hoger bedrag per maand voor de eigendomsverkrijging.
2.5.
Nu [partij A] geen andere uitgangspunten heeft gesteld, zal de rechtbank uitgaan van de afspraken die partijen in de huurkoopovereenkomst hebben gemaakt. Zoals ook is overwogen in r.o. 5.14 van het tussenvonnis zou [partij A] volgens de huurkoopovereenkomst gedurende de looptijd van de overeenkomst € 33.000,00 voor de koop van de woonwagen betalen. Uitgaande van 38 overeengekomen betaaltermijnen zou zij dan voor de eigendomsverkrijging € 868,42 per maand betalen. Uitgaande van de stellingen van [partij A] op basis van haar bankafschriften, was dit kennelijk gemiddeld ongeveer 65% van het totaalbedrag dat [partij A] per maand betaalde.
2.6.
Vast staat dat [partij A] 12 maanden in de woonwagen heeft gewoond. Van de eerste acht maanden staat bovendien tussen partijen vast dat [partij A] de huurkooptermijnen heeft betaald. Tussen partijen is echter nog in geschil of [partij A] de maandelijkse huurkooptermijnen van april, mei, juni en juli 2022 heeft betaald. Daarom heeft [partij A] in het tussenvonnis van 8 oktober 2025 ook de gelegenheid gekregen om nader te onderbouwen dat zij de maandelijkse huurkooptermijnen van april, mei, juni en juli 2022 heeft betaald.
2.7.
[partij A] heeft in haar akte een bankafschrift overgelegd van een betaling van € 450,00 op 7 maart 2022 die ziet op de maand april 2022. [partij B 2] heeft niet weersproken dat zij die betaling heeft ontvangen en dat deze betaling zag op april 2022. Voor het overige heeft [partij A] niet kunnen onderbouwen dat zij betalingen aan [partij B 2] heeft verricht omdat die niet zijn terug te vinden in haar bankafschriften.
2.8.
Om te kunnen onderbouwen dat Phusis namens [partij A] ook in de overige maanden betalingen heeft gedaan, heeft [partij A] twee verzoeken om overlegging of afgifte van stukken gedaan: een verzoek ten aanzien van [partij B 2] en een verzoek ten aanzien van Phusis. Voor toewijzing van dergelijke inzageverzoeken is vereist dat [partij A] voldoende belang heeft bij het verkrijgen van de gegevens.
2.9.
[partij A] heeft daarbij echter onvoldoende belang. Op basis van de stellingen van partijen en de aanvullende producties van [partij A] kan namelijk worden vastgesteld dat Phusis vanuit het zorgbudget van [partij A] een vast bedrag van € 800,00 per maand heeft betaald aan [partij B 2] . Voor zover [partij A] heeft bedoeld te stellen dat Phusis naast het overeengekomen bedrag van € 800,00 mogelijk nog aanvullende betalingen heeft gedaan is die stelling onvoldoende concreet om het verzoek van [partij A] tot het verstrekken van nadere stukken door [partij B 2] of Phusis toe te wijzen. Dat geldt te meer omdat niet Phusis maar een andere partij in die periode bewindvoerder was van [partij A] . Ten aanzien van het bedrag van € 800,00 per maand dat Phusis namens [partij A] heeft betaald, heeft [partij A] ook geen belang bij het overleggen van nadere stukken. Op basis van de stellingen van partijen staat namelijk vast dat Phusis tot en met het einde van de huurkoopovereenkomst in juli 2022 haar deel van de betalingen (€ 800,00 per maand) aan [partij B 2] heeft verricht. Dat Phusis tot en met mei 2022 heeft betaald, heeft [partij B 2] immers erkend in de brief van 23 mei 2022. Dat Phusis ook de laatste twee maanden (juni en juli 2022, de door [partij B 2] genoemde ontruimingstermijn) heeft betaald, heeft [partij B 2] erkend in haar toelichting in productie 5 bij de dagvaarding. [partij A] kreeg daarom in het tussenvonnis de gelegenheid om nader te onderbouwen welke betalingen zij (zelf) van april 2022 tot en met juli 2022 had gedaan. Bij het nader onderbouwen daarvan heeft [partij A] , gelet op het voorgaande, geen belang bij stukken over betalingen vanuit Phusis. Ook [partij B 2] hoeft geen nadere stukken over te leggen. Dit zou feitelijk neerkomen op een omkering van de bewijslast. Een omkering van de bewijslast kan worden toegepast wanneer bewijs alleen in het domein van de andere partij ligt. In dit geval bestaat daar echter geen aanleiding voor, nu de betaalinformatie zich in het domein van [partij A] bevindt en zij daar ook al inzage in heeft gegeven.
2.10.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende conclusie.
Vanaf 1 augustus 2021 tot en met maart 2022 heeft [partij A] € 868,42 per maand voor de koop van de woonwagen betaald (zie 2.5.). [partij A] heeft in maart 2022 een bedrag van € 450,00 voor april 2022 voldaan en Phusis heeft in april 2022 haar deel van € 800,00 voldaan. Dat maakt dat er nog een volledige maand huur is betaald, waarvoor eveneens € 868,42 op de koop van de woonwagen zag. Dat is dus (9 x € 868,42 =) € 7.815,78. In mei tot en met juli 2022 heeft alleen Phusis nog driemaal € 800,00 betaald, dus in totaal € 2.400,00. [partij A] stelt dat dit gehele bedrag aan de eigendomsverkrijging moet worden toegerekend. [partij B 2] betwist dat. Nu partijen geen concrete stellingen hebben ingenomen over het deel dat aan de eigendomsverkrijging moet worden toegerekend, zal de rechtbank schattenderwijs een vergelijkbaar deel van het betaalde maandbedrag toerekenen aan eigendomsverkrijging als in de maanden daarvoor (vgl. r.o. 2.5.). Voor de maanden mei tot en met juli 2022 stelt de rechtbank dit vast op een bedrag van € 1.500,00. Dat betekent dat de totale schadevergoeding voor het niet verkrijgen van de eigendom van de woonwagen neerkomt op een bedrag van € 9.315,78.
Schadevergoeding ten aanzien van het bed
2.11.
Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 8 oktober 2025 een bedrag van € 1.500,00 aan schadevergoeding voor het bed toegewezen.
2.12.
[partij B 2] heeft in haar akte na het tussenvonnis nog aangevoerd dat het bed is opgehaald door, althans in opdracht van, Phusis. Om dat te onderbouwen heeft [partij B 2] de bon overlegd van drankjes voor het personeel dat de verhuizing van de spullen van [partij A] zou hebben verzorgd. Ook heeft [partij B 2] een bon van de kringloop overgelegd, waaruit volgens [partij B 2] blijkt dat [partij A] spullen bij de kringloop heeft gekocht.
2.13.
De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om terug te komen op de bindende eindbeslissing die zij in het tussenvonnis ten aanzien van de schadevergoeding voor het bed heeft genomen. Uit de bon volgt namelijk dat de verhuizers drankjes hebben gehad, maar niet welke spullen zij hebben opgehaald en of zij ook het bed van [partij A] hebben opgehaald. Bovendien verandert het niets aan het oordeel dat het niet aan [partij B 2] was om Phusis de inboedel van [partij A] te laten meenemen. Als onweersproken staat immers vast dat [partij A] het bed niet van Phusis heeft ontvangen. De rechtbank blijft dus bij haar oordeel dat [partij B 2] € 1.500,00 voor het bed moet betalen.
Conclusie
2.14.
Verder heeft de rechtbank in het tussenvonnis een bedrag van € 200,00 voor de tv, € 250,00 voor de lampenkap en € 1.000,00 aan immateriële schadevergoeding toegewezen. Samen met de hiervoor toegewezen bedragen van € 9.315,78 voor de huurkoop en € 1.500,00 voor het bed komt het totale bedrag dat [partij B 2] aan materiële en immateriële schadevergoeding aan [partij A] moet betalen op € 12.265,78.
2.15.
De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf de dag dat de schade is geleden en zal daarom, zoals gevorderd, worden toegewezen vanaf 27 juli 2022 tot de dag van volledige betaling.
2.16.
Zoals in het tussenvonnis is overwogen, zullen de vorderingen jegens [partij B 1] en [partij B 3] worden afgewezen.
2.17.
Gelet op de toewijzing van de primaire vorderingen zullen ook de subsidiaire vorderingen van [partij A] worden afgewezen.
in reconventie
2.18.
In het tussenvonnis van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat [partij B] onvoldoende heeft onderbouwd welke schade precies is geleden en dat het ontstaan van eventuele schade is ontstaan door toedoen van [partij A] . De vorderingen van [partij B] zullen dus worden afgewezen.
in conventie en in reconventie
De proceskosten
2.19.
In conventie wordt [partij A] ten aanzien van [partij B 1] en [partij B 3] in het ongelijk gesteld. Zij moet daarom de proceskosten van [partij B 1] en [partij B 3] betalen. Nu zij met dezelfde advocaat procedeerden als [partij B 2] en [partij B 2] grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal de rechtbank [partij A] ten aanzien het griffierecht alleen veroordelen in het verschil met het hogere griffierecht dat [partij B] als gevolg hiervan moesten betalen. Het verschil tussen het griffierecht voor niet natuurlijke personen (€ 2.995,00) en natuurlijke personen (€ 1.374,00) bedraagt € 1.621,00. Het salaris zal op de helft van een salarispunt worden gesteld. De proceskosten worden aan de zijde van [partij B 1] en [partij B 3] dan begroot op:
griffierecht € 1.621,00
salaris advocaat € 326,50 (0,5 x tarief € 653,00)
nakosten
€ 189,00(plus de kosten van eventuele betekening)
totaal € 2.136,50
2.20.
Ten aanzien van [partij B 2] wordt [partij A] in het gelijk gesteld.
Omdat [partij A] met een toevoeging procedeert, heeft zij geen explootkosten hoeven betalen. De proceskosten in conventie aan de zijde van [partij A] worden daarom begroot op:
informatiekosten € 4,57
griffierecht € 90,00
salaris advocaat
€ 1.959,00(3 punten x tarief € 653,00)
totaal € 2.053,57
2.21.
In reconventie wordt [partij A] in het gelijk gesteld. De proceskosten van [partij A] in reconventie worden begroot op € 653,00 aan salaris advocaat (2 x 0,5 punt x tarief € 653,00).
2.22.
De nakosten in conventie en reconventie samen worden aan de zijde van [partij A] begroot op € 296,00, in geval van betekening van het vonnis te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening.
2.23.
De wettelijke rente over de proceskosten in conventie zal worden toegewezen zoals hierna te bepalen.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
ten aanzien van [partij B 1] en [partij B 3]
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van [partij B 1] en [partij B 3] , begroot op € 2.136,50, in geval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening van het vonnis;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
ten aanzien van [partij B 2]
3.4.
veroordeelt [partij B 2] om een bedrag van € 12.265,78 aan materiële en immateriële schadevergoeding aan [partij A] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 juli 2022 tot de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt [partij B 2] in de proceskosten van [partij A] , begroot op € 2.053,57, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.8.
wijst de vorderingen van [partij B] af;
3.9.
veroordeelt [partij B] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van [partij A] begroot op € 653,00;
in conventie en in reconventie
3.10.
veroordeelt [partij B 2] in de nakosten, begroot op € 296,00, in geval van betekening van dit vonnis te vermeerderen met € 98,00 en de kosten van betekening van het vonnis.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.N.R. Wegerif en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.(SB)