Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.De procedure
- de dagvaarding van 7 april 2025 met producties;
- de conclusie van antwoord van 30 juli 2025 met producties;
- de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarbij de advocaat van [eiser] spreekaantekeningen heeft voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.
2.De feiten
geen TVL 2021 en 2022 aangevraagd omdat de onderneming niet geraakt is door het coronavirus of noodgedwongen moest sluiten.”
3.Het geschil
4.De beoordeling
als gevolg vande coronamaatregelen, zoals de lockdowns. De omzetverliezen van [eiser] waren, zo heeft [gedaagde] aangevoerd, niet het gevolg van de coronamaatregelen, maar van zijn beslissing om te stoppen met een deel van zijn werkzaamheden voor BAM en zich meer te richten op andere opdrachtgevers, waarvoor hij een lager uurtarief rekende. Volgens [gedaagde] liepen de werkzaamheden van [eiser] in de coronaperiode gewoon door en heeft [eiser] ook nooit geklaagd dat hij daarbij (financieel) last had van de coronamaatregelen. Dit alles is door [eiser] niet (gemotiveerd) weersproken. De rechtbank leidt hieruit af dat [eiser] niet tot doelgroep van de TVL behoorde. [eiser] stelt dat op basis van de tekst van de TVL-regeling aan hem wel een TVL zou zijn toegekend in Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022, maar ook áls dat zo is (wat [gedaagde] betwist), dan geldt dat er voor [gedaagde], bij het ontbreken van aanwijzingen dat [eiser] tot de doelgroep van de TVL behoorde, geen aanleiding was om na dat te gaan. [eiser] mocht dan ook niet van [gedaagde] verwachten dat zij hier uit eigen beweging onderzoek naar zou doen. Een dergelijk onderzoek viel naar het oordeel van de rechtbank dus niet onder haar zorgplicht als opdrachtnemer.