Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1741

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
C/08/332726 / HA ZA 25-144
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:401 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens geen tekortkoming in aanvraag coronasteun TVL

Tussen eiser, een metaalconstructiebedrijf, en gedaagde, een boekhoudkantoor, bestond een overeenkomst van opdracht waarbij gedaagde de financiële administratie verzorgde. Eiser stelt dat gedaagde tekort is geschoten door in de coronaperiode geen aanvragen voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) te doen, terwijl hij daarvoor in aanmerking kwam.

De rechtbank onderzocht of er een concrete afspraak was dat gedaagde de TVL zou aanvragen, maar concludeerde dat eiser onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om dit te onderbouwen. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat gedaagde niet verplicht was uit eigen beweging te onderzoeken of eiser voor de TVL in aanmerking kwam, mede omdat de omzetverliezen niet het gevolg waren van coronamaatregelen.

De vorderingen van eiser tot schadevergoeding en kosten werden daarom afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. De rechtbank benadrukte dat de zorgplicht van de boekhouder niet strekte tot het actief adviseren over of aanvragen van de TVL zonder concrete opdracht.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af wegens geen tekortkoming of schending van zorgplicht door gedaagde.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/332726 / HA ZA 25-144
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. C.C.H. Wiekeraad,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijf 2],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. R. Hinsen.
Samenvatting
Tussen [eiser] en [gedaagde] bestond een overeenkomst van opdracht. [eiser] stelt dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de uitvoering van haar werkzaamheden dan wel haar zorgplicht heeft geschonden. Hij vordert vergoeding van de schade die hij hierdoor stelt te hebben geleden. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen, omdat de rechtbank tot het oordeel komt dat van een tekortkoming of schending van een zorgplicht geen sprake is geweest. Dit wordt hierna toegelicht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 april 2025 met producties;
  • de conclusie van antwoord van 30 juli 2025 met producties;
  • de mondelinge behandeling van 27 januari 2026, waarbij de advocaat van [eiser] spreekaantekeningen heeft voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] voert een metaalconstructiebedrijf onder de naam [bedrijf 1]. [gedaagde] voert een boekhoudkantoor onder de naam [bedrijf 2].
2.2.
Van 2014 tot en met september 2022 verzorgde [gedaagde] in opdracht van [eiser] diens financiële administratie. [gedaagde] verrichtte in dat kader verschillende administratieve en fiscale werkzaamheden, waaronder het opstellen van de aangiften inkomsten- en omzetbelasting.
2.3.
In het voorjaar van 2020 riep de rijksoverheid in verband met de gevolgen van het coronavirus voor de economie verschillende steunmaatregelen in het leven voor ondernemers. Eén van die maatregelen was de Tegemoetkoming Vaste Lasten [1] (hierna: TVL). De TVL werd enkel op aanvraag verstrekt. In totaal konden ondernemers in zeven opeenvolgende kwartalen een aanvraag indienen. De TVL werd alleen verstrekt als werd voldaan aan de voorwaarden die golden in het betreffende kwartaal.
2.4.
Voor [eiser] is in geen van de zeven kwartalen een TVL aangevraagd.
2.5.
In oktober 2022 is [bedrijf 3] de financiële administratie van [eiser] gaan verzorgen. In diezelfde maand heeft [bedrijf 3] aan [eiser] medegedeeld dat hij met zijn onderneming [bedrijf 1] in de laatste vijf TVL-kwartalen (hierna: Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022) aan alle voorwaarden uit de TVL-regeling voldeed en in totaal € 38.069,00 aan TVL had kunnen ontvangen. De termijn voor het indienen van aanvragen voor deze kwartalen was toen al verstreken.
2.6.
[bedrijf 3] heeft vervolgens bij [gedaagde] nagevraagd waarom zij voor Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022 geen TVL voor [eiser] had aangevraagd. Daarop antwoordde [gedaagde] op 14 oktober 2022 als volgt:
“Er is voor [eiser][[eiser], toevoeging: de rechtbank]
geen TVL 2021 en 2022 aangevraagd omdat de onderneming niet geraakt is door het coronavirus of noodgedwongen moest sluiten.”
2.7.
In maart 2023 heeft [eiser] [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor het mislopen van de TVL in Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022. [gedaagde] heeft, via haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar, iedere aansprakelijkheid van de hand gewezen. Partijen hebben vervolgens nog verschillende mails uitgewisseld waarin zij hun standpunten nader hebben toegelicht. Deze mails hebben niet tot overeenstemming geleid.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 38.069,00 aan schadevergoeding vanwege het mislopen van de TVL in Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022 en een bedrag van € 2.500,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 1] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het verwijt van [eiser] aan [gedaagde]
4.1.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen hen bestaande overeenkomst. Hij verwijt [gedaagde] dat zij in Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022 geen TVL voor hem heeft aangevraagd en hem ook niet heeft geïnformeerd dat hij in deze kwartalen voor een TVL in aanmerking kwam. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
4.2.
Voor de beantwoording van de vraag of [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, is van belang wat partijen met elkaar zijn overeengekomen. De rechtbank zal dat eerst beoordelen.
De overeenkomst tussen partijen
4.3.
Tussen [eiser] en [gedaagde] bestond een overeenkomst van opdracht. De inhoud van de opdracht wordt in de eerste plaats bepaald door wat de opdrachtgever en de opdrachtnemer hebben afgesproken over de te verrichten werkzaamheden. De inhoud van de opdracht wordt nader ingevuld door de verplichting van opdrachtnemer om de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen en te handelen zoals mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot (artikel 7:401 van Pro het Burgerlijk Wetboek). Wat dit concreet betekent, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
De gemaakte afspraken: geen concrete opdracht om over de TVL te adviseren
4.4.
[gedaagde] verrichtte op basis van de overeenkomst van opdracht verschillende boekhoudkundige werkzaamheden voor [eiser]. Niet in geschil is dat partijen nooit in algemene zin afspraken hebben gemaakt over de omvang van de opdracht en de werkzaamheden die tot het takenpakket van [gedaagde] behoorden. Partijen kwamen wekelijks bij elkaar over de vloer en bespraken dan, aan de keukentafel, wat er op boekhoudkundig terrein moest gebeuren en welke werkzaamheden [gedaagde] in dat verband voor [eiser] zou gaan verrichten. [eiser] stelt dat er daarbij op enig moment ook is gesproken over het aanvragen van een TVL. Volgens [eiser] is toen afgesproken dat [gedaagde] zou uitzoeken of hij hiervoor in aanmerking kwam. Zij zou daarop terugkomen, maar dat is niet gebeurd, aldus [eiser]. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat een gesprek met deze strekking heeft plaatsgevonden en dat deze afspraak is gemaakt. Zij heeft onweersproken aangevoerd dat zij al jaren in een app bijhoudt wat zij met elke klant afspreekt en dat deze afspraak met [eiser] daar niet in staat. Gelet op deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] lag het op de weg van [eiser] om zijn stelling te onderbouwen. Dat heeft [eiser] onvoldoende gedaan. De rechtbank licht dat hierna toe.
4.5.
Vooropgesteld wordt dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling wisselend heeft verklaard over het (al dan niet) plaatsvinden van een gesprek tussen hem en [gedaagde] over de TVL. Zo heeft [eiser] in eerste instantie gesteld dat [bedrijf 3] hem heeft moeten uitleggen wat de TVL was, omdat hij daarover nooit met [gedaagde] had gesproken. Daarna heeft hij gesteld dat [gedaagde] in een zijdelings gesprek heeft toegezegd te zullen uitzoeken of hij voor een TVL in aanmerking kwam. Dit is moeilijk met elkaar te rijmen. [eiser] heeft bovendien niets concreets over dit zijdelingse gesprek en de daarin beweerdelijk gemaakte afspraak naar voren gebracht, zoals wat de aanleiding voor het gesprek was, wanneer het gesprek (bij benadering) plaatsvond, wat er precies is besproken of hoe de afspraak concreet luidde. Dit, terwijl de rechtbank hier tijdens de mondelinge behandeling meerdere keren nadrukkelijk naar heeft gevraagd. [eiser] kon zich naar eigen zeggen alleen nog herinneren ‘dat er wat zou worden uitgezocht door [gedaagde]’. Hiermee heeft hij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht ter onderbouwing van het door hem gestelde gesprek en de door hem gestelde afspraak. Dat partijen over de TVL hebben gesproken en toen de afspraak hebben gemaakt dat [gedaagde] zou uitzoeken of [eiser] hiervoor in aanmerking kwam, komt dan ook niet vast te staan.
De zorgplicht van [gedaagde]: geen verplichting om uit eigen beweging te adviseren over de TVL
4.6.
[eiser] betoogt dat [gedaagde] op grond van haar zorgplicht als boekhouder ook zonder concrete opdracht uit eigen beweging had moeten nagaan of [eiser] in aanmerking kwam voor een TVL, te meer omdat [gedaagde] hem vaker spontaan adviseerde op financieel gebied en wist dat hij in Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022 omzetverliezen had van meer dan 30%, wat de belangrijkste voorwaarde uit de TVL-regeling was.
4.7.
De rechtbank volgt dit betoog van [eiser] niet. Voorop staat dat er vanuit de overheid geen verplichting voor boekhouders bestond om hun klanten actief te benaderen over de TVL. Dat de overheid coronasteunmaatregelen, zoals de TVL, invoerde was algemeen bekend en ondernemers konden de TVL ook zelfstandig aanvragen. [eiser] was voor het indienen van een aanvraag dus niet afhankelijk van [gedaagde]. [eiser] mocht ook niet verwachten dat [gedaagde], enkel op basis van zijn omzetverliezen, uit eigen beweging zou nagaan of hij in aanmerking kwam voor een TVL. Daarbij is het volgende van belang. De TVL was evident bedoeld voor ondernemingen die (aanzienlijke) omzetverliezen leden
als gevolg vande coronamaatregelen, zoals de lockdowns. De omzetverliezen van [eiser] waren, zo heeft [gedaagde] aangevoerd, niet het gevolg van de coronamaatregelen, maar van zijn beslissing om te stoppen met een deel van zijn werkzaamheden voor BAM en zich meer te richten op andere opdrachtgevers, waarvoor hij een lager uurtarief rekende. Volgens [gedaagde] liepen de werkzaamheden van [eiser] in de coronaperiode gewoon door en heeft [eiser] ook nooit geklaagd dat hij daarbij (financieel) last had van de coronamaatregelen. Dit alles is door [eiser] niet (gemotiveerd) weersproken. De rechtbank leidt hieruit af dat [eiser] niet tot doelgroep van de TVL behoorde. [eiser] stelt dat op basis van de tekst van de TVL-regeling aan hem wel een TVL zou zijn toegekend in Q1 t/m Q4 2021 en Q1 2022, maar ook áls dat zo is (wat [gedaagde] betwist), dan geldt dat er voor [gedaagde], bij het ontbreken van aanwijzingen dat [eiser] tot de doelgroep van de TVL behoorde, geen aanleiding was om na dat te gaan. [eiser] mocht dan ook niet van [gedaagde] verwachten dat zij hier uit eigen beweging onderzoek naar zou doen. Een dergelijk onderzoek viel naar het oordeel van de rechtbank dus niet onder haar zorgplicht als opdrachtnemer.
4.8.
Voor zover [eiser] nog stelt dat [gedaagde] wel wíst dat hij op basis van de tekst van de TVL-regeling aan alle voorwaarden voldeed, maar eigenmachtig – zonder overleg – heeft besloten om (toch) geen aanvraag voor hem in te dienen omdat hij niet tot de doelgroep behoorde, overweegt de rechtbank nog dat dit, anders dan [eiser] betoogt, niet kan worden afgeleid uit het enkele bericht van 14 oktober 2022. [eiser] heeft geen andere feiten en omstandigheden naar voren gebracht die hierop (kunnen) wijzen, terwijl dat, gelet op de betwisting van [gedaagde], wel op zijn weg had gelegen. Dat het zo is gegaan als [eiser] stelt, komt dan ook niet vast te staan.
Conclusie
4.9.
De conclusie is dat de overeenkomst van opdracht tussen partijen voor [gedaagde] niet de verplichting meebracht om [eiser] te adviseren over de TVL of TVL-aanvragen voor hem in te dienen. Dat zij dat niet heeft gedaan, levert dan ook geen tekortkoming in de nakoming van die overeenkomst of schending van een zorgplicht op. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen. Gelet op deze uitkomst behoeven de overige geschilpunten tussen partijen geen bespreking meer.
De proceskosten
4.10.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.143,00
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.143,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de onderdelen 5.2. en 5.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P. Heisterkamp en in het openbaar uitgesproken op
1 april 2026.

Voetnoten

1.Officieel: Regeling subsidie financiering vaste lasten COVID-19.