Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1750

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
08-162203-24
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 SrArt. 3:86 BWArt. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak inbraken, veroordeling opzetheling elektrische fietsen met taakstraf

De rechtbank Overijssel behandelde op 23 maart 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van twee inbraken en opzetheling van gestolen goederen. De feiten betreffen inbraken in december 2022 waarbij elektrische fietsen, een zitmaaier en een kettingzaag werden weggenomen uit een schuur bij de woning van de benadeelde partij, tevens werkgever van verdachte.

De rechtbank sprak verdachte vrij van de twee inbraken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat hij de diefstallen zelf had gepleegd of daaraan wezenlijk had bijgedragen. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig maakte aan opzetheling door drie gestolen fietsen te hebben voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat deze uit een misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank legde een taakstraf van vijftig uur op, lager dan de gevorderde 120 uur, vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarnaast werd vervangende hechtenis van 25 dagen opgelegd voor het geval de taakstraf niet wordt uitgevoerd. De zitmaaier werd teruggegeven aan de benadeelde als redelijkerwijs rechthebbende. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van inbraken, veroordeeld voor opzetheling met taakstraf van vijftig uur en vervangende hechtenis van 25 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-162203-24 (P)
Datum vonnis: 23 maart 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonadres].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
9 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Nijland, waarnemend voor mr. J.C. Stam, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door [reclasseringmedewerker], werkzaam bij Reclassering Nederland, als deskundige naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 6 tot 7 december 2022 (
feit 1) en in de periode van 13 tot 14 december 2022 (
feit 2 primair)al dan niet samen met een ander heeft ingebroken in een schuur achter de woning gelegen aan het [adres 1] in [plaats] en aldaar fietsen, een zitmaaier en een kettingzaag heeft weggenomen dan wel dat hij op 14 december 2022 drie uit misdrijf verkregen fietsen onder zich had (
feit 2 subsidiair).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 6 december 2022 tot 7 december 2022 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten het [adres 1], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere (elektrische) fietsen, te weten vier fietsen van het merk [fietsmerk], en/of een zitmaaier en/of een kettingzaag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen (elektrische) fiets(en) en/of de zitmaaier en/of de kettingzaag onder zijn/hun bereik heeft/hebben
gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.
2
hij in of omstreeks de periode van 13 december 2022 tot 14 december 2022 te [plaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, te weten het [adres 1], alwaar verdachte en/of zijn mededader(s) zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond(en), een of meerdere (elektrische) fietsen en/of een zitmaaier en/of een kettingzaag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen (elektrische) fiets(en) en/of de zitmaaier en/of de kettingzaag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of een valse sleutel.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 december 2022 te [plaats], in elk geval in Nederland, een of meerdere fietsen, te weten drie fietsen van het merk [fietsmerk], althans een voorwerp, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp (on)middellijk afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder feit 1 ten laste gelegde, nu er geen objectieve bewijsmiddelen voorhanden zijn om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. Het onder feit 2 primair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten, wegens het ontbreken van overtuigend bewijs.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht, evenals als de officier van justitie en de verdediging, niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd, zodat zij hem van dit feit zal vrijspreken.
3.3.2
Ten aanzien van feit 2
De verklaring van verdachte
Verdachte heeft ten stelligste ontkend enige betrokkenheid bij de ten laste gelegde inbraken te hebben. Hij heeft ter terechtzitting verklaard dat hij twee fietsen van het merk [fietsmerk] van zijn werkgever [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) heeft gekocht. Deze twee fietsen heeft verdachte vervolgens verkocht en op 14 december 2022 geleverd aan [naam 1] (hierna: [naam 1]) bij de garagebox van zijn vader aan de [straatnaam 1] in [plaats].
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.
In de periode van 13 tot en met 14 december 2022 wordt er (onder meer) een aantal elektrische fietsen van het merk [fietsmerk] van [slachtoffer], eigenaar van fietsenwinkel [fietsenwinkel], weggenomen uit de schuur gelegen bij zijn woning in [plaats]. Verdachte was op 14 december 2022 rond het middaguur bij de woning van [slachtoffer] en wist dat er opnieuw was ingebroken. Dit merk fietsen wordt exclusief verkocht door [fietsenwinkel]. Verdachte en [naam 1] ontmoeten elkaar op 14 december 2022 bij de garagebox van de vader van verdachte, gelegen aan de [straatnaam 1] in [plaats]. Verdachte rijdt dan in een witte bus van [fietsenwinkel]. [naam 1] rijdt in een zwarte bus. Tussen 16:00 uur en 17:00 uur worden er drie fietsen, met verpakkingsmateriaal rondom de zadels en de sturen, uit de bus van verdachte geladen en vervolgens in de bus van [naam 1] ingeladen. [slachtoffer] herkent deze fietsen als fietsen die bij hem zijn weggenomen.
De overwegingen van de rechtbank
-
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
Hoewel het dossier wel degelijk aanknopingspunten bevat die zouden kunnen wijzen op betrokkenheid van verdachte bij de inbraak dan wel diefstal, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om vast te kunnen stellen dat verdachte wegnemingshandelingen heeft verricht of daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.
-
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op de camerabeelden van de [straatnaam 1] in [plaats] is te zien dat op 14 december 2022, enkele uren nadat werd ontdekt dat bij de schuur van [slachtoffer] was ingebroken en er diverse fietsen van het merk [fietsmerk] waren weggenomen, drie fietsen van dat merk en model uit de bus van verdachte worden geladen. De fietsen zijn op dat moment nog voorzien van verpakkingsmateriaal. Dit merk fietsen wordt exclusief door [fietsenwinkel] verkocht en verdachte is daarvan, als werknemer van [fietsenwinkel], ook op de hoogte. [slachtoffer] heeft deze fietsen herkend als fietsen die bij hem zijn weggenomen. Hij heeft ook verklaard dat dit niét de fietsen zijn die verdachte van hem heeft gekocht. De rechtbank beschouwt verdachtes verklaring – inhoudende dat hij slechts twee fietsen aan [naam 1] heeft overgedragen en hij de eigenaar was van deze twee fietsen, omdat hij deze van [slachtoffer] had gekocht – in het licht van de samenhang van de hiervoor weergegeven feiten, als volstrekt ongeloofwaardig en kennelijk gericht op het bemantelen van de waarheid. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte deze drie fietsen voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en dat hij ten tijde van het voorhanden krijgen en het overdragen van de fietsen wist dat deze van een misdrijf afkomstig waren.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 14 december 2022 te [plaats] drie fietsen van het merk [fietsmerk] voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen (on)middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 416 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 2 subsidiair
het misdrijf: opzetheling.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 120 uren wordt opgelegd, waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar een deels voorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen. Aan het voorwaardelijke strafdeel kunnen de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 1 april 2025, worden verbonden.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de heling van drie elektrische fietsen die uit de schuur van [slachtoffer], eigenaar van [fietsenwinkel] en tevens werkgever van verdachte, waren weggenomen. [slachtoffer] is door de diefstal van de fietsen ernstig gedupeerd. Verdachte had als werknemer van [fietsenwinkel] de beschikking over een bus van het bedrijf en heeft hiermee drie van de bij [slachtoffer] gestolen fietsen vervoerd en overgedragen aan een ander. Verdachte heeft op schaamteloze wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat zijn werkgever in hem had gesteld en zich ten koste van hem proberen te verrijken. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van verdachte van 27 januari 2026. Hieruit blijkt dat aan verdachte op 24 december 2024 een strafbeschikking is opgelegd, waardoor artikel 63 Sr Pro formeel van toepassing is. Daarnaast is verdachte op 2 juli 2024 in Duitsland veroordeeld voor een vermogensdelict.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 1 april 2025, opgemaakt door reclasseringswerker [reclasseringmedewerker]. Hierin staat onder meer het volgende. Verdachte stelt dat hij wordt bedreigd door zijn voormalige buurman. Hij ervaart hierdoor angst- en slaapklachten, waarvoor hij inmiddels medicatie gebruikt. Verdachte heeft twee suïcidepogingen gedaan. Er is bij verdachte sprake van LVB-problematiek en van PDD-NOS. Hij heeft ondersteuning nodig bij zijn dagelijks functioneren, hetgeen op dit moment door zijn ouders wordt gedaan. De reclassering acht inzet van reclasseringsinterventie wenselijk en adviseert om als bijzondere voorwaarden een meldplicht en de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden op te leggen. De reclassering acht de verdachte in staat een taakstraf te verrichten.
De op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Overschrijding van de redelijke termijn wordt in beginsel gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. Verdachte is op 20 november 2023 in verzekering gesteld. De rechtbank zal in deze zaak dat moment als beginpunt van de redelijke termijn aanmerken. De rechtbank doet 23 maart 2026 uitspraak. De redelijke termijn is met een periode van vier maanden overschreden. In dit geval zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die een dergelijke termijnoverschrijding kunnen billijken. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding gecompenseerd dient te worden door een onvoorwaardelijke taakstraf van kortere duur op te leggen, dan doorgaans voor dit soort strafbare feiten wordt opgelegd. Zonder overschrijding van de redelijke termijn had de rechtbank een taakstraf van 60 uren opgelegd. Rekening houdende met de overschrijding van de redelijke termijn acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van vijftig uren passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen en hieraan reclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden te verbinden.
6.4
De inbeslaggenomen voorwerpen
6.4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de zitmaaier teruggegeven dient te worden aan [slachtoffer], omdat hij gebruik kan maken van zijn revindicatierecht. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, indien de rechtbank tot de conclusie komt dat [naam 2] de zitmaaier te goeder trouw heeft gekocht, de zitmaaier aan [naam 2] dient te worden teruggegeven.
6.4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft te kennen gegeven dat verdachte afstand doet van de zitmaaier.
6.4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende gelasten van de op de beslaglijst vermelde zitmaaier, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet. De rechtbank is van oordeel dat [slachtoffer] als redelijkerwijs rechthebbende van de zitmaaier moet worden beschouwd. De rechtbank overweeg hiertoe het volgende.
Op grond van artikel 3:86 lid Pro, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de eigenaar van een goed, dat door diefstal is verloren, sterker beschermd dan de nieuwe verkrijger van dat goed, zelfs als die laatste te goeder trouw is. De enige uitzondering op die regel is dat de verkrijger te goeder trouw een particuliere consument is die het goed heeft gekocht van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde. [naam 2] heeft – wat er ook zij van diens te goeder trouw zijn – de zitmaaier niet van een vervreemder als bedoeld in artikel 3:86, derde lid, BW gekocht en kan derhalve geen aanspraak maken op de uitzonderingsbepaling. Gelet op het feit dat de zitmaaier door diefstal uit de macht van [slachtoffer] is geraakt, is de rechtbank van oordeel dat hij gerechtigd is om de zitmaaier te revindiceren op grond van artikel 3:86, derde lid, BW

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 95.458,84, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- goederen € 68.055,--
- goederen € 11.630,84
- kosten vervanging € 823,--
- herstel inbraakschade € 10.500,--
- inhuur Bouwatch € 2.850,--
- ticket Curaçao + reis € 1.600,--
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de bepleite vrijspraak. Ook indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt dient de vordering van de benadeelde partij afgewezen te worden, dan wel de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De raadsvrouw heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.
De gevorderde schade ter vergoeding van de gestolen goederen is onvoldoende onderbouwd. De gevraagde vergoeding voor de kosten van vervanging zien op de inbraak bij het pand van [fietsenwinkel]. Deze inbraak is niet aan verdachte ten laste gelegd. Er wordt een bedrag ter vergoeding van het herstel van de braakschade gevorderd, maar uit het procesdossier komt naar voren dat geen sprake is geweest van braakschade. Het is niet duidelijk waar de gevorderde vergoeding voor het inhuren van Bouwatch op ziet. Ook is niet duidelijk waarom er een vergoeding van kosten voor het ticket en de reis van/naar Curaçao wordt gevorderd. Bovendien is het onredelijk om deze kosten voor rekening van de verdachte te laten komen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De opgevoerde schade is onvoldoende komen vast te staan, omdat de gestelde schade niet voldoende is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om de vordering alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 2 subsidiair, het misdrijf: opzetheling;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 subsidiair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
50 (vijftig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
25 (vijfentwintig) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
schadevergoeding
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de in beslag genomen voorwerpen
- gelast de teruggave van de zitmaaier, merk [merknaam] (voorwerpnummer [voorwerpnummer]) aan [slachtoffer] als redelijkerwijs rechthebbende.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.H. de Boef, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. Kleinlugtenbeld, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
Buiten staat
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023052495. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 maart 2026, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik herken mijzelf op de camerabeelden van de garageboxen in [plaats] van 14 december 2022 uit het dossier. Ik ben de persoon die in [fietsenwinkel] bus rijdt. Het klopt dat er fietsen in de zwarte bus van [naam 1] worden geladen.
en de verklaring van verdachte die door de rechtbank als kennelijke leugen wordt aangemerkt:
Ik heb slechts twee fietsen aan [naam 1] overgedragen. Ik was de eigenaar van deze twee fietsen, omdat ik deze van [slachtoffer] had gekocht.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [verdachte], voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 51:
Ik werk bij [fietsenwinkel] in [plaats] en [fietsmerk] is het merk wat wij verkopen. Wij zijn de enige die dit merk verkopen.
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 3 februari 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina’s 38-40:
Ik doe aangifte van diefstal van ongeveer 53 elektrische fietsen vanuit mijn woning en de winkel, genaamd "[fietsenwinkel]”. In de schuur stonden ongeveer 130 e-bikes die ik uit Italië had geïmporteerd van merk [fietsmerk]. Op 14 december 2022 kreeg ik een app dat er opnieuw was ingebroken in de schuur van mijn woning. Ze dachten dat er elf elektrische fietsen waren gestolen. Op een gegeven kom ik uit bij twee garageboxen gelegen aan de [straatnaam 1] (de rechtbank begrijpt: de [straatnaam 1]) in [plaats]. Ik zag dat de bewoner van [adres 2] een camera gericht op deze boxen had. Ik heb deze beelden van hem gekregen. Ik heb ze bekeken en zag op de beelden twee keer mijn bus in beeld. De tweede keer zag ik opnieuw mijn bus en nog een andere bus. Een zwarte Renault traffic. Ik zag dat er fietsen werden overgeladen vanuit mijn bus in de andere bus. Ik zag dat het nieuwe fietsen waren. Ook weet ik zeker dat het mijn fietsen waren. Ik zag dat [verdachte] uit mijn bus stapte.
4.
Het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 355:
Hierop stuurde aangever [slachtoffer] mij een Whatsapp over de twee fietsen. Hij
schreef dinsdag 21-11-2023 om 15:10 uur:
“Even voor de goede orde. Die fietsen die [verdachte] bij de garageboxen vanuit mijn bus
in de bus van [naam 1] laadt. Dat zijn andere fietsen dan de 2 fietsen die hij gekocht
heeft. Ook de fiets die bij die [naam 1] is aangetroffen is een ander model". "Dat kan ik zien. De fietsen die hij gekocht heeft waren fietsen met de accu in het frame en een middenmotor. De fietsen die van mijn bus naar de bus van [naam 1] gingen zijn fietsen met de accu onder de drager en een voorwielmotor.”
5.
Het proces-verbaal van bevindingen van 15 maart 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 113:
De eerste beelden die ik bekeek, zijn gemaakt door een camera die ogenschijnlijk onder een carport zit.
Datum 2022-12-14.Tijdstip van 15.00.00 tot 16.00.00;
Om 15.53.04 verschijnt een zwarte bus van rechts, die achterwaarts richting
garageboxen wordt geparkeerd. (Foto 3 en 4) Bestuurder blijft in de auto zitten. Om
15.59.39 komt een witte bus met opschrift “[fietsenwinkel]" van links aanrijden. Om 15.59.39 komt een witte bus met opschrift “[fietsenwinkel]" van links aanrijden. Gelijktijdig wordt het portier aan bestuurderszijde geopend. Uit achterzijde van de witte bus wordt zichtbaar een fiets uitgeladen.
Datum 2022-12-14. Tijdstip van 16.00.00 tot 17.00.00 uur;
Er wordt zichtbaar drie fietsen uit de witte bus gehaald. Duidelijk zichtbaar is het verpakkingsmateriaal rondom zadel en stuur van deze fietsen. Om 16.03.43 wordt het linker portier van de zwarte bus geopend en stapt de bestuurder in.
6.
Het proces-verbaal van verhoor van [naam 1] van 7 juni 2023, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 224-225:
V: Op vrijdag 14 december 2022 zijn er camerabeelden veiliggesteld en deze beelden zijn bekeken. Nu is er op de camerabeelden te zien dat er fietsen van [fietsenwinkel] in [plaats] aan de [straatnaam 1] bij garageboxen fietsen worden overgeladen van [fietsenwinkel] bus naar een zwart kleurige bus met donkergrijze strepen. Lijkend op jouw bus. Wat kan je daarover verklaren?
A: Ja dat klopt.
7.
Het proces-verbaal van aangifte van [getuige] van 14 december 2022, voor zover inhoudend, zakelijk weergegeven, op pagina 70-71:
Op woensdag 14 december omstreeks 12:00 uur kwam ik aan bij de schuur. Toen ik mijn
controle deed zag ik dat de sloten aan de voorkant (gezien vanaf de straat [straatnaam 2])
van de schuur waren open gebroken. Toen ik vanuit de deur naar binnen keek, zag ik dat er een aantal dozen weg waren.
Diezelfde dag omstreeks 12:15 kwam ik weer terug. Ik zag toen aan de achterzijde (gezien vanaf de straat [straatnaam 2]) een andere bus staan van de [fietsenwinkel]. Ik herken deze bus als de bus waar [verdachte] in rijd. Ik heb [verdachte] toen gebeld. Ik vroeg hem waar hij was. Ik hoorde hem zeggen dat hij net weg was bij de schuur.