AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling beginnend bestuurder voor verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel
Op 7 juli 2025 veroorzaakte verdachte, een beginnend bestuurder, een verkeersongeval in Deurningen waarbij een fietser zwaar lichamelijk letsel opliep. Verdachte reed met een snelheid van 67 km/u waar 60 km/u was toegestaan en negeerde een waarschuwingsbord voor een gevaarlijk kruispunt. Hij verleende geen voorrang aan de van rechts komende fietser, wat leidde tot een aanrijding.
De rechtbank oordeelde dat verdachte roekeloos en onvoorzichtig handelde, met een aanmerkelijke mate van schuld in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994. Het letsel van het slachtoffer was ernstig, met meerdere fracturen en een genezingsduur van drie tot zes maanden. De verdediging pleitte voor vrijspraak of een lichtere schuldvorm, maar dit werd verworpen.
De rechtbank legde een taakstraf van 160 uur op, te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een rijontzegging van één jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De straf is hoger dan de eis van de officier van justitie vanwege de ernst van de schuld en het letsel. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 2 april 2026.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 uur taakstraf en een rijontzegging van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens ernstige schuld aan een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-287757-25 (P)
Datum vonnis: 2 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonadres].
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. L.M. Scherphof, advocaat in Borne, naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 7 juli 2025 in Deurningen als bestuurder van een personenauto:
primair: een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor aan [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht;
subsidiair: zich zodanig op de weg heeft gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd;
meer subsidiair: een voor hem van rechts komende bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Deurningen in de gemeente Oldenzaal/Dinkelland,
althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
voertuig (personenauto), komende uit de richting van Noordergrensweg, gaande in
de richting van Rijksweg A1, daarmede rijdende over de weg de Ledeboerweg,
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of
onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl verdachte het gelijkwaardige kruispunt Ledeboerweg, Oude Postweg,
Visschedijk en Zandsteenweg te Deurningen, gemeente Oldenzaal benaderde en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl voor voormelde kruising aan de rechterzijde van die weg (de Ledeboerweg)
een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord J08 van bijlage 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990: inhoudende: “Gevaarlijk kruispunt”, was
geplaatst en/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft
gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hem rijdende
verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het
overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad,
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig
toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval met een hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een
indicatieve snelheid van 67 kilometer per uur en/of
- die kruising zonder te stoppen is op- en overgereden en ter hoogte van de kruising
van deze weg (Ledeboerweg, Oude Postweg, Visschedijk en Zandsteenweg te
Deurningen, gemeente Oldenzaal), in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 vanPro
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een, toen van rechts komende
zijnde bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend, immers die
bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro voormeld reglement, niet de snelheid van
dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft
geregeld dat hij, verdachte in staat was door hem, bestuurde motorrijtuig
(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die die
kruising kon overzien en waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurder
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer])
zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Deurningen in de gemeente Oldenzaal/Dinkelland,
althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
voertuig (personenauto), komende uit de richting van Noordergrensweg, gaande in
de richting van Rijksweg A1, daarmede rijdende over de weg de Ledeboerweg,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en/of
terwijl verdachte het gelijkwaardige kruispunt Ledeboerweg, Oude Postweg,
Visschedijk en Zandsteenweg te Deurningen, gemeente Oldenzaal benaderde en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl voor voormelde kruising aan de rechterzijde van die weg (de Ledeboerweg)
een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord J08 van bijlage 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990: inhoudende: “Gevaarlijk kruispunt”, was
geplaatst en/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft
gehouden en/of niet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hem rijdende
verkeer en/of zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het
overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad,
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig
toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval met een hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een
indicatieve snelheid van 67 kilometer per uur en/of
- die kruising zonder te stoppen is op- en overgereden en ter hoogte van de kruising
van deze weg (Ledeboerweg, Oude Postweg, Visschedijk en Zandsteenweg te
Deurningen, gemeente Oldenzaal), in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 vanPro
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een, toen van rechts komende
zijnde bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend, immers die
bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro voormeld reglement, niet de snelheid van
dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft
geregeld dat hij, verdachte in staat was door hem, bestuurde motorrijtuig
(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die die
kruising kon overzien en waarover deze vrij was en/of
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurder
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,
althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,
althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 juli 2025 te Deurningen, gemeente Dinkelland/Oldenzaal als
bestuurder van een personenauto rijdende op de voor het openbaar verkeer
openstaande weg, Ledeboerweg, op de kruising of splitsing van die weg met de voor
het openbaar verkeer openstaande weg(en), Ledeboerweg, Oude Postweg,
Visschedijk en Zandsteenweg, een voor hem van rechts komende bestuurder van
een fiets geen voorrang heeft verleend, immers die bestuurder niet in staat heeft
gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen, waarbij letsel aan personen is ontstaan
of schade aan goederen is toegebracht.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, waardoor het verkeersongeval aan de schuld (aanmerkelijke schuld) van verdachte is te wijten in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Door het ongeval heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVWPro, omdat er geen sprake is van onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam rijgedrag van verdachte. De verkeersovertreding die verdachte heeft begaan door geen voorrang te verlenen aan [slachtoffer] is onvoldoende om schuld aan te nemen in de zin van artikel 6 WVWPro.
Subsidiair verzoekt de raadsvrouw bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVWPro 1994 enkel de lichtste schuldvorm bewezen te verklaren.
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, wanneer zij tot een bewezenverklaring van artikel 5 WVWPro 1994 zou komen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte de feitelijke gang van zaken heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit op grond van die feitelijke gang van zaken, maar op grond van de mate van schuld - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. [1]
Het proces-verbaal van de terechtzitting van 19 maart 2026, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
het proces-verbaal aanrijding misdrijf van 12 augustus 2025 (pagina’s 6-10);
het proces-verbaal Forensisch Onderzoek Verkeer van 9 september 2025 (pagina’s 28-53);
een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 4º Sv, te weten de medische informatie betreffende [slachtoffer] van 8 augustus 2025 (pagina 61);
het proces-verbaal van verhoor slachtoffer van 29 september 2025 (pagina’s 62-64).
De aanvullende overwegingen van de rechtbank over de mate van schuld en het letsel van het slachtoffer
Het wettelijk kader ‘schuld’ in de zin van artikel 6 WVWPro 1994
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVWPro 1994 is onder meer vereist dat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Voor schuld in de zin van artikel 6 WVWPro 1994 moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en/of onoplettendheid van verdachte. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding(en) en verder naar de omstandigheden waaronder die overtreding(en) is (of zijn) begaan. Een enkel moment van onoplettendheid in het verkeer hoeft geen schuld op te leveren.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte een aantal verkeersovertredingen heeft begaan en heeft gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder van een personenauto mocht worden verwacht. Net als iedere andere verkeersdeelnemer heeft verdachte in het verkeer de voortdurende zorgplicht om te anticiperen op komende verkeerssituaties en zich te vergewissen van de eventuele aanwezigheid van ander verkeer.
Verdachte reed op 7 juli 2025 als bestuurder van een personenauto over de Ledeboerweg, komende uit de richting van Noordergrensweg en gaande in de richting van Rijksweg A1. Hij naderde het gelijkwaardige kruispunt Ledeboerweg, Oude Postweg, Visschedijk en Zandsteenweg. Verdachte was een beginnend bestuurder en bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Het zicht van de verkeersdeelnemers werd ernstig belemmerd, beperkt of gehinderd door bomen en bosschages. Voor de kruising was aan de rechterzijde van de Ledeboerweg een in verdachtes rijrichting gekeerd bord JO8 van bijlage 1 van het RVV 1990 inhoudende “Gevaarlijk kruispunt” geplaatst. Het voorgaande had bij verdachte tot verhoogde alertheid en extra oplettendheid op het van rechts komend verkeer moeten leiden. In deze, bij verdachte bekende (onoverzichtelijke) verkeerssituatie, is extra voorzichtigheid en oplettendheid ook geboden. Er is tot zeer kort voor het kruispunt, nauwelijks zicht op de weg van rechts. Verdachte reed in aanloop naar het verkeersongeval met een snelheid van 67 kilometer per uur, terwijl ter plaatse maximaal 60 kilometer per uur was toegestaan. Verdachte heeft niet afgeremd waar dat had gemoeten en is met onverminderde snelheid de kruising op- en overgereden. De passende snelheid om zicht te krijgen op het kruispunt is achteraf berekend en bedraagt volgens het rapport Forensisch Onderzoek Verkeer 15 kilometer per uur (stapvoets). Dat een snelheid van 60 kilometer per uur ter plaatse was toegestaan, betekent derhalve niet dat die snelheid ook op ieder moment op die weg een passende snelheid was. Anders dan de raadsvrouw stelt, was naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een slechts geringe snelheidsoverschrijding (67 kilometer per uur in plaats van 60 kilometer per uur), maar, gelet op de onoverzichtelijke verkeerssituatie en het waarschuwingsbord ter plaatse, van een fors te hoge snelheid. Verdachte heeft bij het naderen van de kruising zijn snelheid derhalve onvoldoende aangepast, waardoor hij zijn voertuig niet tot stilstand kon brengen en niet in staat was voorrang te verlenen aan de van rechts komende [slachtoffer] als bestuurder van een fiets. Hierdoor is een aanrijding tussen beiden ontstaan waarbij [slachtoffer] ten val is gekomen. Er kan niet worden gesproken van een momentane, dat wil zeggen een kortdurende, onvoorzichtigheid of onoplettendheid waardoor de schuld zou komen te ontbreken. Er was gelet op het voorgaande sprake van meer dan een enkel moment van onoplettendheid.
De ernst van het letsel van het slachtoffer
Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde artikel 6 WVWPro 1994 is tevens vereist dat als gevolg van het ongeval sprake is van zwaar lichamelijk letsel, dan wel zodanig letsel dat hierdoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Op grond van artikel 82 WetboekPro van Strafrecht (hierna: Sr) kan onder zwaar lichamelijk letsel onder meer worden begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat of voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel ook als zwaar worden beschouwd, indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Daarbij is het van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.
Uit de medische informatie van het slachtoffer blijkt het volgende.
[slachtoffer] heeft als gevolg van het ongeval lichamelijk letsel opgelopen. [slachtoffer] had een grote hoofdwond, oppervlakkige wonden aan de linkerzijde van zijn buik, een grote wond op zijn linker bovenbeen, een fractuur in de bovenzijde van zijn rechter oogkas, een fractuur in zijn nekwervel en een inwendige scheur in het bloedvat naar het hoofd. De geschatte duur van de genezing bedroeg drie tot zes maanden. De rechtbank stelt vast dat de impact van het ongeval groot is geweest en dat het letsel van [slachtoffer] dusdanig ernstig is, dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.
De conclusie van de rechtbank
Gelet op het samenstel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat kan worden gesproken van zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag, zodat het verkeersongeval aan de schuld van verdachte te wijten is in de zin van artikel 6 WVWPro 1994.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, met dien verstande dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden ten gevolge waarvan zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij [slachtoffer].
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks7 juli 2025 te Deurningen in de gemeente Oldenzaal/Dinkelland,
althans in Nederland,als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een
voertuig (personenauto), komende uit de richting van Noordergrensweg, gaande in
de richting van Rijksweg A1, daarmede rijdende over de weg de Ledeboerweg,
roekeloos, in elk gevalzeer althans aanmerkelijk,onvoorzichtig, onoplettend en /of
onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en /of
terwijl verdachte goed bekend was met de verkeerssituatie en /of
terwijl verdachte het gelijkwaardige kruispunt Ledeboerweg, Oude Postweg,
Visschedijk en Zandsteenweg te Deurningen, gemeente Oldenzaal benaderde en /of
terwijl zijn zicht ter plaatse belemmerd, beperkt of gehinderd werd en /of
terwijl voor voormelde kruising aan de rechterzijde van die weg (de Ledeboerweg)
een in zijn, verdachtes, rijrichting gekeerd bord J08 van bijlage 1 van het Reglement
verkeersregels en verkeerstekens 1990: inhoudende: “Gevaarlijk kruispunt”, was
geplaatst en /of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft
gehouden en /ofniet of onvoldoende heeft geanticipeerd op het voor hem rijdende
verkeer en /ofzijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast en /of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet althans in onvoldoende mate,op het
overige verkeer en /ofde (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en /ofgehad,
- heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig
toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, in elk geval met een hogere
snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een
indicatieve snelheid van 67 kilometer per uur en /of
- die kruising zonder te stoppen is op- en overgereden en ter hoogte van de kruising
van deze weg (Ledeboerweg, Oude Postweg, Visschedijk en Zandsteenweg te
Deurningen, gemeente Oldenzaal), in strijd met het gestelde in artikel 15 lid 1 vanPro
het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een toen van rechts komende
zijnde bestuurder van een fiets geen voorrang heeft verleend, immers die
bestuurder niet in staat heeft gesteld ongehinderd zijn weg te vervolgen en /of
-in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro voormeld reglement, niet de snelheid van
dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft
geregeld dat hij, verdachte in staat was door hem, bestuurde motorrijtuig
(personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die die
kruising kon overzien en waarover deze vrij was en /of
is gebotst tegen, althansin aanrijding is gekomen met die fiets en /ofde bestuurder
van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten
verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer])
zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letselwerd toegebracht , dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 6 en 175 WVW 1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
primair
het misdrijf: overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 100 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Door de verdediging is geen uitdrukkelijk strafmaatverweer gevoerd. De raadsvrouw heeft verzocht om in de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de mate van schuld en het ontbreken van informatie omtrent de huidige medische van het slachtoffer.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft als (beginnend) bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan fietser [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Op een zestig kilometer weg buiten de bebouwde kom met dichte bebossing aan weerszijden van de weg, is verdachte met een veel te hoge en onverminderde snelheid en zonder dat hij zicht had op de weg van rechts, een kruising opgereden. In aanloop naar de kruising stond een bord inhoudende “Gevaarlijk kruispunt’, dat verdachte niet heeft opgemerkt. Verdachte heeft de van rechts komende [slachtoffer] niet tijdig gezien en is met hem in aanrijding gekomen. Het ongeval heeft voor [slachtoffer] ingrijpende gevolgen gehad, hij heeft zwaar letsel opgelopen. Van iedere verkeersdeelnemer mag worden verwacht dat hij of zij de aandacht op het verkeer en kwetsbare verkeersdeelnemers houdt en zijn of haar rijgedrag daarop aanpast. Verdachte is hierin ernstig tekort geschoten.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 20 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De op te leggen straf of maatregel
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) en houdt rekening met de straffen die in soortgelijke gevallen doorgaans worden opgelegd. De officier van justitie is bij het formuleren van de eis uitgegaan van ‘aanmerkelijke schuld’. De rechtbank komt echter tot de bewezenverklaring van een hogere mate van schuld, namelijk ‘ernstige schuld’. Voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht en waarbij sprake is van ernstige schuld is het uitgangspunt volgens de LOVS-oriëntatiepunten een taakstraf voor de duur van 160 uren en een onvoorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.
De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het blanco strafblad, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn proceshouding. Gelet op de bewezenverklaarde gedragingen en schuldgradatie kan echter naar het oordeel van de rechtbank niet anders gereageerd worden dan met een forse taakstraf en een deels onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank legt daarmee een hogere straf op dan door de officier van justitie is geëist.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf voor de duur van 160 uren, te vervangen door 80 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Dit voorwaardelijke strafdeel moet een stok achter de deur vormen voor verdachte om zich in de toekomst aan de verkeersregels te houden.
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d Sr en artikel 179 WVWPro 1994.
8.De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
primair, het misdrijf: overtreding van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 160 (honderdzestig) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;
- ontzegtde verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigenvoor de duur van 1 (één) jaar;
- bepaalt dat van deze ontzegging een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Gehring, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en
mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J.W. Renskers, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.
Buiten staat
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten
1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025321505 van 27 oktober 2025. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.