ECLI:NL:RBOVE:2026:1770

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2604904:R-RK
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 lid 4 FaillissementswetArt. 292 lid 3 FaillissementswetArt. 361 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsanering wegens niet-saneerbare ontnemings- en schadevergoedingsschuld

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van [verzoeker] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. [Verzoeker] was veroordeeld voor beleggingsfraude en kreeg een ontnemings- en schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De schuld aan het CJIB, voortvloeiend uit deze maatregel, bedraagt ruim 23 miljoen euro en is niet saneerbaar.

De rechtbank constateerde dat de schuldenlast uitsluitend bestaat uit schulden die volgens artikel 358 lid 4 Faillissementswet Pro niet onder de schuldsaneringsregeling vallen. Het verzoek om ontslag van hoofdelijke aansprakelijkheid is niet passend binnen de Wsnp-procedure en kan niet worden toegewezen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet toewijsbaar is en dat het indienen van een schuldsaneringsverzoek zonder saneerbare schulden misbruik van de procedure zou zijn. Tevens werd opgemerkt dat het verzoek mogelijk voortkomt uit een gebrek aan kennis van het insolventierecht bij de schuldhulpverlener.

Het verzoek werd daarom zonder behandeling ter zitting afgewezen. [Verzoeker] heeft het recht om binnen acht dagen hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof.

Uitkomst: Verzoek tot schuldsanering wordt afgewezen omdat de schuld niet saneerbaar is en ontslag van hoofdelijke aansprakelijkheid niet binnen de Wsnp-procedure kan worden toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Zwolle
rekestnummer: NL:TZ:2604904:R-RK
uitspraakdatum: 9 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
verder [verzoeker] te noemen.

Het procesverloop

[verzoeker] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de (wettelijke) schuldsaneringsregeling uit te spreken. Het verzoekschrift is door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD) voor [verzoeker] opgesteld en ingediend.
De rechtbank zal heden zonder behandeling ter zitting uitspraak doen.

De beoordeling

De feiten
[verzoeker] is op 20 juli 2016 door de rechtbank Overijssel veroordeeld voor beleggingsfraude als feitelijk bestuurder van [bedrijf 1] B.V. tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Vervolgens heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich over onder andere de gevangenisstraf uitgelaten en is de gevangenisstraf in cassatie volgens [verzoeker] op 8 maart 2020 definitief op 3 jaar en 7 maanden vastgesteld.
[bedrijf 1] B.V. is op 31 juli 2014 failliet verklaard.
De benadeelde partij Stichting [bedrijf 2] (de Stichting) heeft zich, namens de bij haar aangesloten beleggers in [bedrijf 1] B.V., in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van in totaal € 26.688.540,--. In eerste aanleg is de Stichting niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. In hoger beroep heeft het hof de vordering van de Stichting gedeeltelijk toegewezen. Uit een brief van het CJIB van 15 december 2021 blijkt dat er 667 slachtoffers zijn.
Aan [verzoeker] is een schadevergoedingsmaatregel en een ontnemingsmaatregel opgelegd die op 5 december 2025 volgens een opgave van het CJIB € 23.304.620,26 en € 293.919,49 bedroegen. [verzoeker] is met twee andere personen hoofdelijk veroordeeld tot voldoening van de schadevergoedingsmaatregel.
Begin 2022 was er naast de schulden aan het CJIB sprake van een schuld aan het UWV en aan de Rabobank (Syncasso). Wat betreft de schulden aan het UWV en de Rabobank is een minnelijke schuldregeling tot stand gekomen die met finale kwijting is geëindigd op 1 april 2025. Het UWV en de Rabobank waren op de hoogte van de schulden aan het CJIB. Gedurende de minnelijke regeling is er uit het vrij te laten bedrag afgelost op de schulden aan het CJIB.
De schuldenlast van [verzoeker] bestaat volgens het verzoekschrift thans nog uit een schuld aan het CJIB van in totaal € 23.589.539,75.
Het BAD verzoekt de rechtbank in de onderhavige procedure onder andere te bepalen dat [verzoeker] niet langer hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld aan het CJIB.
Telefonische navraag bij het BAD over de redenen om een verzoek schuldsanering in te dienen terwijl er geen sprake is van een saneerbare schuld of schulden, heeft geleerd dat volgens het BAD het CJIB als voorwaarde voor het treffen van een regeling met het CJIB stelt, dat een schuldsaneringstraject met goed gevolg is doorlopen.
De overwegingen van de rechtbank
Nu naar het oordeel van de rechtbank op voorhand duidelijk is dat het verzoek niet toewijsbaar is, zal de rechtbank zonder behandeling ter zitting op het verzoek beslissen.
In artikel 358 lid 4 aanhef Pro en onder sub b en onder sub d Faillissementswet is bepaald dat vorderingen die voortvloeien uit een in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk voordeel en tot betaling van een schadevergoeding aan een benadeelde partij niet onder de werking van de schuldsaneringsregeling vallen, met andere woorden er wordt geen schone lei voor verleend. De rechtbank concludeert dat de gehele thans nog resterende schuldenlast van [verzoeker] bestaat uit schulden waarop artikel 358 lid 4 Faillissementswet Pro van toepassing is, waardoor de schulden niet saneerbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat een verzoek tot het opleggen van een (schuld)saneringsregeling niet kan worden toegewezen als er geen saneerbare schulden bestaan, ook niet als het CJIB, zoals het BAD dat stelt, verlangt dat om in aanmerking te komen voor een regeling met het CJIB, een schuldsaneringsregeling moet worden doorlopen.
Het toewijzen van een verzoek schuldsanering op deze grond, zou naar het oordeel van de rechtbank misbruik van de (procedure van de) schuldsaneringsregeling opleveren.
Het verzoek schuldsanering wordt dus afgewezen.
De rechtbank overweegt voorts nog het volgende. Het is de rechtbank niet duidelijk waarom er in deze casus een verzoek schuldsanering is ingediend. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat er in dit geval sprake is van een gebrek aan kennis van het (insolventie)recht aan de zijde van (de schuldhulpverlener van) het BAD. De rechtbank wordt in dat oordeel bevestigd door het feit dat in het schuldsaneringsverzoek is verzocht om te bepalen dat [verzoeker] niet langer hoofdelijk aansprakelijk is voor de schadevergoedingsmaatregel. Van (de schuldhulpverlener van) het BAD had mogen worden verwacht dat bekend was dat hoofdelijke aansprakelijkheid (die in een andersoortige procedure is bepaald), niet in een schuldsaneringsprocedure kan worden gewijzigd.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .