Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1796

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2504224:R-RK
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Insolventieverordening (EU 2015/848)Art. 288 lid 1 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling met afwijzing eerdere ingangsdatum

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van verzoeker om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling en om de ingangsdatum daarvan op een eerdere datum te stellen. Verzoeker stelde dat hij een schuldenlast had die hij niet zelf kon aflossen en dat er sprake was van beslaglegging op zijn inkomen.

Tijdens de zitting op 23 februari 2026 waren verzoeker, zijn partner en de beschermingsbewindvoerder aanwezig. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot toelating aan de wettelijke eisen voldeed en wees dit toe. Echter, het verzoek om de ingangsdatum van de regeling op 6 juni 2025 te stellen werd afgewezen omdat niet was gebleken dat daadwerkelijk beslag was gelegd. De beschermingsbewindvoerder verklaarde dat er een administratieve fout was bij de werkgever en dat er feitelijk sprake was van een betalingsregeling die een schuldeiser bevoordeelde.

De rechtbank stelde de termijn van de schuldsaneringsregeling vast op achttien maanden vanaf de uitspraakdatum. Tevens werden een rechter-commissaris en bewindvoerder benoemd, en werden instructies gegeven over het beheer van de post en vergoeding van de bewindvoerder. Door de uitspraak vervielen alle gelegde beslagen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Verzoek tot toelating schuldsaneringsregeling toegewezen, verzoek eerdere ingangsdatum afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Team Insolventie
Zittingsplaats Almelo
Rekestnummer: NL:TZ:2504224:R-RK
Vonnis van maandag 9 maart 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1],
verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],
tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Samenvatting
[verzoeker] heeft verzocht om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en heeft daarbij om een eerdere ingangsdatum verzocht.
De rechtbank wijst het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling toe en wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af.

1.De procedure

1.1.
De procedure bestaat uit:
- het schuldsaneringsverzoekschrift met bijlagen;
- de zitting van maandag 23 februari 2026, waarbij aanwezig waren:
- [verzoeker];
- mw. [naam 1], partner van [verzoeker];
- mw. [naam 2] h.o.d.n. [bedrijf] (beschermingsbewindvoerder);
1.2.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] verzoekt om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling waarbij hij ook verzoekt om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering op een eerdere datum te bepalen. Volgens [verzoeker] heeft hij een schuldenlast die hij niet zelf kan aflossen.

3.De beoordeling

3.1.
Het betreft een hoofdinsolventieprocedure (artikel 3, eerste lid, van de Insolventieverordening (EU 2015/848)).
3.2.
De rechtbank wijst het verzoek toe. Het verzoek voldoet aan de daaraan gestelde eisen. [verzoeker] heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 288 lid 1 van Pro de Faillissementswet. Van een grond voor afwijzing van het verzoek is niet gebleken.
3.3.
[verzoeker] verzoekt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling te bepalen op
6 juni 2025. Ter onderbouwing van dit verzoek wordt gesteld dat sprake zou zijn van beslag op het inkomen van [verzoeker]. De rechtbank wijst het verzoek af omdat uit het verzoekschrift en hetgeen ter zitting is besproken niet blijkt dat daadwerkelijk sprake is geweest van beslaglegging. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat de werkgever de beslaglegging administratief niet goed verwerkte, waarna zij dit heeft overgenomen. De beschermingsbewindvoerder maakt maandelijks een bedrag over aan de deurwaarder. Feitelijk gezien is daarmee geen sprake van beslaglegging, maar van een betalingsregeling waarbij één schuldeiser wordt bevoordeeld ten opzichte van de overige schuldeisers. Daarbij is in het geheel niet onderbouwd op basis waarvan de maandelijkse afdrachten zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank wordt hiermee niet voldaan aan de vereisten voor een eerdere ingangsdatum.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1];,
4.2.
stelt de termijn van deze schuldsaneringsregeling vast op de achttien maanden, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak;
4.3.
wijst het verzoek tot het bepalen van een eerdere ingangsdatum af [1] ;
4.4.
benoemt tot rechter-commissaris mr. A.E. Zweers;
4.5.
benoemt tot bewindvoerder [bewindvoerder], [adres 2];
4.6.
geeft de bewindvoerder de opdracht om de post van [verzoeker] in te zien totdat de schuldsaneringsregeling eindigt, maar in elk geval niet langer dan dertien maanden;
4.7.
bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag opnemen volgens het besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen zolang de schuldsaneringsregeling loopt en voor zover de boedel toereikend is;
4.8.
stelt vast dat door deze uitspraak alle gelegde beslagen komen te vervallen.
Gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.