ECLI:NL:RBOVE:2026:1864

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
ak_25_2211_verzet
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:3 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen onbevoegdverklaring rechtbank inzake verzoek koolstofbudget afgewezen

Scientist Rebellion heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat verzocht om een koolstofbudget voor Nederland vast te stellen. Omdat de minister niet reageerde, diende opposante een beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde zich echter onbevoegd omdat het verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kon worden aangemerkt.

Opposante stelde dat het verzoek gebaseerd was op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en dat het een appellabel concretiserend besluit van algemene strekking betrof. De verzetrechter oordeelde dat het vaststellen van een koolstofbudget geen algemeen verbindend voorschrift is en dat de rechtbank terecht onbevoegd was.

De verzetrechter benadrukte dat het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften primair een taak is van de wetgevende macht en dat een rechter geen dergelijk voorschrift kan vaststellen. Omdat het verzoek geen publiekrechtelijke rechtshandeling betrof zoals bedoeld in de Awb, kon er geen beroep worden ingesteld. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 19 november 2025 bleef in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring van de rechtbank inzake het verzoek tot vaststelling van een koolstofbudget wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2211 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

Scientist Rebellion, uit Enschede,

hierna: opposante [1]
(gemachtigde: dr.ir. H. van Rein),
Tegen de uitspraak van de rechtbank van 19 november 2025 in het geding tussen
Opposante
en

de Minister van Economische Zaken en Klimaat

hierna: de minister
(gemachtigde: mr. A.C. van Manen).

Inleiding

1. Opposante heeft de minister met de brief van 12 mei 2025 verzocht om een koolstofbudget voor Nederland vast te stellen. Omdat een reactie op de brief van 12 mei 2025 uitbleef, heeft opposante de minister in gebreke gesteld en op 7 augustus 2025 een beroep ingediend vanwege het uitblijven van het nemen van een besluit.
1.1.
De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 19 november 2025 – met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – onbevoegd verklaard om van het beroep niet tijdig beslissen van opposante kennis te nemen.
1.2.
Opposante heeft op 29 december 2025 tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Het verzet is op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van opposante deelgenomen. De gemachtigde van de minister is na afmelding niet op de zitting verschenen.

Beoordeling van het verzet

2. De verzetrechter beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of de rechtbank in de uitspraak van 19 november 2025 terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat zij onbevoegd is kennis te nemen van het beroep niet tijdig beslissen. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
De uitspraak van 19 november 2025
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de brief van 12 mei 2025 niet aangemerkt kan worden als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank heeft overwogen dat de strekking van de brief van 12 mei 2025 is om de minister aan te sporen tot het maken van bepaalde politieke keuzes, het nemen van bepaalde stappen/maatregelen en het vastleggen en prioriteren daarvan, om klimaatverandering en opwarming van de aarde tegen te kunnen gaan. Omdat de brief niet ziet op het nemen van een of meer besluiten in de zin van de Awb, heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 12 mei 2025 niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Er kan daarom ook geen beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingesteld.

Wat vindt opposante in verzet?

4. Opposante is het er niet mee eens dat haar verzoek niet als een aanvraag in de zin van de Awb is aangemerkt. Opposante stelt dat zij het verzoek tot het instellen van een koolstofbudget heeft gedaan naar aanleiding van de KlimaSeniorinnen-uitspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) [3] . Volgens opposante volgt uit deze uitspraak een zelfstandige norm voor lidstaten van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) om een koolstof- of emissiebudget vast te stellen en te beheren. Opposante heeft de minister verzocht om, vanaf een door de minister gemotiveerde ingangsdatum, een koolstofbudget voor het Nederlandse territorium vast te stellen. Volgens opposante heeft zij de minister dan ook verzocht om een concretiserend besluit van algemene strekking te nemen. Opposante stelt dat haar verzoek is gericht op het nemen van een appellabel besluit en daarom als een aanvraag in de zin van de Awb aangemerkt moest worden.
Het oordeel van de verzetrechter
5. De verzetrechter is van oordeel dat de rechtbank in haar uitspraak van 19 november 2025 terecht tot het eindoordeel is gekomen dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen. De verzetrechter licht dit als volgt toe.
6. Opposante stelt dat zij de minister heeft verzocht om een concretiserend besluit van algemene strekking te nemen en dat dat een appellabel besluit is. Een concretiserend besluit van algemene strekking bevat geen zelfstandige norm maar past een algemeen verbindend voorschrift toe op een concrete situatie. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) heeft overwogen is een algemeen verbindend voorschrift een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. [4]
7. De verzetrechter overweegt dat het betoog van opposante, voor zover zij stelt dat het EHRM in de KlimaSeniorinnen-uitspraak een algemeen verbindend voorschrift heeft vastgesteld, niet kan slagen. De verzetrechter overweegt dat uit de scheiding der machten volgt dat het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften primair is voorgehouden aan de wetgevende macht. In een rechterlijk oordeel kan geen algemeen verbindend voorschrift worden vastgesteld. De verzetrechter is van oordeel dat de vaststelling van een koolstofbudget voor Nederland niet als een concretiserend besluit van algemene strekking kan worden aangemerkt. Omdat opposante de minister niet heeft verzocht om een beslissing te nemen inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling zoals is bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, kan haar verzoek van 12 mei 2025 niet als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, worden aangemerkt.
8. Voor zover opposante de minister heeft verzocht om een algemeen verbindend voorschrift vast te stellen, overweegt de verzetrechter dat tegen de afwijzing van een aanvraag tot het vaststellen daarvan geen beroep kan worden ingesteld. [5] De bestuursrechter is ook in dat geval onbevoegd om van het beroep van opposant kennis te nemen.
9. Omdat de rechtbank buiten redelijke twijfel onbevoegd is om van het beroep van opposante kennis te nemen, kon de rechtbank tot het oordeel komen dat uitspraak zonder zitting kon worden gedaan. Het verzet slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat opposante geen gelijk krijgt en de uitspraak van 19 november 2025 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
3.EHRM (GK) 9 april 2024, nr. 53600/20, ECLI:CE:ECHR:2024:0409JUD005360020 (
4.Zie onder meer de Afdeling van 11 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2060 en de Afdeling van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1067.
5.Dit volgt uit volgt uit artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Awb.