ECLI:NL:RBOVE:2026:190

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
84/327003-22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet op de accijns met aanzienlijke hoeveelheden sigaretten

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van opzettelijke overtreding van een verbod in artikel 5 van de Wet op de accijns. De verdachte is schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid sigaretten zonder dat hierover accijns was betaald. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen in de periode van 31 mei 2016 tot en met 16 juni 2016 in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk sigaretten heeft verhandeld, waarbij de accijnsverplichtingen zijn genegeerd. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een taakstraf van 200 uren. De uitspraak volgde na een proces waarin de verdachte en zijn raadsman, mr. B.J.W. Tijkotte, geen verweer hebben gevoerd tegen de bewezenverklaring. De rechtbank heeft de gemaakte procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte in acht genomen en benadrukt dat zij niet gebonden is aan deze afspraken. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder eerdere veroordelingen, en de impact van zijn daden op de samenleving, zoals de schade aan de fiscus en de verstoring van de reguliere sigarettenmarkt. De uitspraak is openbaar uitgesproken en de rechtbank heeft de nodige wettelijke voorschriften toegepast.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84/327003-22 (P)
Datum vonnis: 15 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 december 2025 en 15 januari 2026 (sluiting onderzoek).
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. B.J.W. Tijkotte, advocaat in Koog aan de Zaan, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 mei 2016 tot en met 18 juli 2016 samen met anderen opzettelijk een grote hoeveelheid sigaretten voorhanden heeft gehad, terwijl over deze sigaretten geen accijns was betaald.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 31 mei 2016 tot en met
16 juni 2016 te [plaats 1] en/of [plaats 2] , in elk geval in Duitsland en/of het
Verenigd Koninkrijk,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
opzettelijk (telkens) (een) grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten:
- in of omstreeks de periode van 31 mei 2016 tot en met 3 juni 2016 (circa) 2.500.000

sigaretten ( [plaats 1] en/of [plaats 2] ), en/of

- in of omstreeks de periode van 8 juni 2016 tot en met 16 juni 2016 (circa) 2.500.000
sigaretten ( [plaats 1] en/of [plaats 2] ),
althans een grote hoeveelheid sigaretten,
voorhanden heeft gehad,
terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in
de heffing waren betrokken.

3.De procesafspraken

3.1
Inleidende opmerkingen
Op 29 april 2025 is tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt, waaronder begrepen een afdoeningsvoorstel met betrekking tot onderhavige strafzaak. Het afdoeningsvoorstel dat door de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank is voorgelegd, houdt, voor zover relevant en zakelijk weergegeven, het volgende in:
het Openbaar Ministerie zal rekwireren tot een bewezenverklaring van feit 1;
de verdachte betwist niet het tenlastegelegde te hebben begaan en de verdachte c.q. de verdediging zal geen verweer voeren tegen de bewezenverklaring;
de verdachte c.q. de verdediging ziet af van het indienen van onderzoekswensen;
het Openbaar Ministerie eist ter terechtzitting een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest;
de verdachte doet afstand van het bedrag van € 3.450,00 waar conservatoir beslag ex art. 94a Wetboek van Strafvordering op ligt en doet afstand van de eventueel daarover gegenereerde rente (afstandsverklaring is bijgevoegd);
de verdachte c.q. de verdediging voert géén verweer tegen voornoemde strafeis;
de verdachte zal aanwezig zijn ter terechtzitting, zodat de rechtbank de totstandkoming van dit afdoeningsvoorstel kan toetsen;
de verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de op te leggen straf, en
door de verdachte c.q. de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
3.2
Inhoudelijke behandeling
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de zitting van 18 december 2025 zijn de procesafspraken zoals deze zijn vervat in het afdoeningsvoorstel, indringend met de verdachte besproken. De verdachte heeft aangegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij heeft gezegd volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) stelt.
De rechtbank heeft benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv leidend is geweest.

4.De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
5. De bewijsmotivering [1]
5.1
Inleiding
Op 22 oktober 2015 heeft de politie, naar aanleiding van informatie over een mogelijke hennepplantage, het pand gelegen op het adres [adres 1] in [plaats 3] doorzocht. Het pand bestond uit drie afzonderlijke loodsen. In de loods op het adres [adres 2] werden acht pallets met daarop kartonnen dozen en zogenoemde bigshoppers aangetroffen, waarin grote hoeveelheden sloffen sigaretten waren opgeslagen. [2] Na telling door verbalisanten van de Fiscale Inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) bleek dat in deze loods in totaal 1.315.580 sigaretten van verschillende merken aanwezig waren. [3] De sigaretten waren niet voorzien van een accijnszegel. [4] In de nabijheid van de pallets werd een petflesje van het merk “AA Drink” aangetroffen. Van dit flesje werd de drinkrand bemonsterd. [5] Het veiliggestelde sporenmateriaal is vervolgens onderzocht en vergeleken met de Nederlandse DNA-databank. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat het aangetroffen DNA-materiaal overeenkwam met het DNA-profiel van medeverdachte [medeverdachte]. [6] Hierop is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld onder de naam “Loods”. In het kader van dit onderzoek zijn op verschillende locaties aanzienlijke hoeveelheden illegale sigaretten aangetroffen. Daarnaast werden verschillende opsporingsmiddelen ingezet waaruit de verdenking naar voren kwam dat verdachte zich gedurende een langere periode samen met anderen heeft beziggehouden met het transporteren van illegale sigaretten. Deze sigaretten werden vanuit Duitsland, via Nederland, doorgevoerd naar het Verenigd Koninkrijk. [7]
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft overeenkomstig het afdoeningsvoorstel gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
5.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, onder verwijzing naar het afdoeningsvoorstel, geen bewijsverweer gevoerd.
5.4
De bewezenverklaring
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op tijdstippen in de periode van 31 mei 2016 tot en met 16 juni 2016 in Duitsland en het
Verenigd Koninkrijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk telkens een grote hoeveelheid accijnsgoed(eren), te weten:
- in de periode van 31 mei 2016 tot en met 3 juni 2016 circa 2.500.000
sigaretten ( [plaats 1] en [plaats 2] ), en
- in of omstreeks de periode van 8 juni 2016 tot en met 16 juni 2016 circa 2.500.000
sigaretten ( [plaats 1] en [plaats 2] ),
voorhanden heeft gehad, terwijl die sigaretten niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de Accijns in de heffing waren betrokken.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bij haar oordeel dat heeft geleid tot de bewezenverklaring betrekt de rechtbank dat verdachte wist of redelijkerwijs kon weten dat ter zake van deze sigaretten in Nederland de verplichting de accijns op aangifte te voldoen niet was of zou worden nagekomen (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD3699, r.o. 5.4.5.).
Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

6.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8.De op te leggen straf of maatregel

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 200 uren, met aftrek van voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van één jaar.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om de eis van de officier van justitie, die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel, te volgen.
8.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich, gedurende langere tijd, schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van in totaal vijf miljoen sigaretten, zonder dat over die sigaretten accijns was betaald. Door het handelen van verdachte is de Nederlandse fiscus een aanzienlijk bedrag aan accijns misgelopen. Bovendien verstoort de smokkel de reguliere markt voor sigaretten. Op deze wijze wordt aan bonafide bedrijven die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie aangedaan. Ook wordt het in Europese landen gevoerde beleid om door hoge prijzen het gebruik van sigaretten te ontmoedigen om de schadelijke gevolgen daarvan voor de volksgezondheid te beperken op deze wijze gefrustreerd.
Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie over verdachte van 4 juni 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld en laatstelijk op 21 februari 2018 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wegens medeplegen van valse opgave in een authentieke akte en deelname aan een criminele organisatie tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank stelt vast dat artikel 63 Sr van toepassing is.
De rechtbank stelt voorop dat zij een eigen belangenafweging heeft uitgevoerd bij de bepaling van de op te leggen straf. De rechtbank ziet na het afwegen van alle relevante factoren en belangen aanleiding om conform het thans voorliggende afdoeningsvoorstel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van één jaar en een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest, op te leggen. De rechtbank heeft daarbij in hoge mate rekening gehouden met het zeer aanzienlijke tijdsverloop sinds de pleegperiode en de dientengevolge substantiële overschrijding van de redelijke termijn.

9.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 Sr.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijke overtreding van een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod, meermalen gepleegd.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 1 (één) jaarde navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;
- beveelt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, mr. H. Manuel en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.N. Esajas, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de Belastingdienst/FIOD met nummer 57513 / Loods. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2015 (AMB-002), p. 10000002 en 10000003.
3.Het proces-verbaal onjuiste telling aantal sigaretten van 3 november 2015 (AMB-013), p. 10000029.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 24 oktober 2015 (AMB-002), p. 10000002.
5.Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 22 oktober 2015 (AMB-019), p. 10000044 t/m 10000047.
6.Het proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen (inclusief bijlagen) van 18 november 2015 (AMB-020), p. 10000048 t/m 10000052.
7.Het proces-verbaal algemeen dossier van 25 januari 2018 (OPV-01), p. 0000001 t/m 00000089.