Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1910

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
12152373 \ CV EXPL 26-729
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWWet verplichte geestelijke gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning na ernstige overlast en vernielingen door huurder

WBO Wonen vordert ontruiming van een huurwoning die sinds april 2025 wordt bewoond door een huurder onder bewindvoering. Diverse meldingen van overlast en vernielingen, waaronder het gooien van een parasolvoet van het balkon en het vernielen van de woning, leidden tot politieoptreden en aangiften.

De bewindvoerder van de huurder betoogt dat ontruiming tot maatschappelijke ontwrichting leidt en pleit voor vervangende woonruimte. De kantonrechter oordeelt dat de tekortkomingen van de huurder ernstig zijn en dat met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst zal worden toegewezen.

De kantonrechter benadrukt dat de huurder zich als goed huurder moet gedragen en dat vernielingen en gevaar voor omwonenden dit niet toestaan. Het belang van WBO Wonen en omwonenden bij bescherming weegt zwaar. De vordering tot ontruiming wordt toegewezen en de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming toe wegens ernstige overlast en vernielingen door de huurder.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12152373 \ CV EXPL 26-729
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
STICHTING WBO WONEN,
te Oldenzaal ,
eisende partij,
hierna te noemen: WBO,
gemachtigde: mr. M. Douwenga,
tegen
[bedrijf] B.V.,
in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan [gedaagde] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bewindvoerder,
gemachtigde: mr. M. Tijken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en de producties van WBO
- de producties van de bewindvoerder
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026
- de pleitnota van Stichting WBO Wonen
- de pleitnota van de bewindvoerder.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 9 april 2025 de woning aan de [adres] (hierna ook: de woning) van WBO. In een “driepartijenovereenkomst” van dezelfde datum, gesloten tussen WBO, [gedaagde] en Humanitas Onder Dak (de bij [gedaagde] betrokken zorgverlener, hierna: HOD) staat onder meer dat huurder, verhuurder en zorgverlener het erover eens zijn dat begeleiding van huurder noodzakelijk, dan wel zeer wenselijk is ten aanzien van het woon- en leefgedrag van huurder.
2.2.
Diverse omwonenden van [gedaagde] hebben op 18 maart 2026 bij WBO gemeld dat [gedaagde] overlast heeft veroorzaakt, waarvoor de politie is geweest (op zondagochtend om 05.30 uur en in de nacht van maandag op dinsdag om 00.45 uur). Diezelfde dag is een wijkconsulent van WBO bij [gedaagde] langsgegaan, waarna zich een incident heeft voorgegaan. Van dit incident is aangifte gedaan. In het proces-verbaal staat onder meer:
(...)
Op woensdag 18 maart omstreeks 15.15 uur was ik in mijn functie als Wijkconsulent aan het werk aan de [adres] .
Ik kreeg meldingen van overlast onder andere harde muziek.
De bewoner die dit zou doen is [gedaagde] . (...)
Ik heb aangebeld en op de deur geklopt. Ik hoorde aan de andere kant van de deur een hoop lawaai en gebonk en trappen tegen deuren. Ik hoorde ook brekend geluid van spullen.
Ik ben weer naar beneden gelopen en wilde het portiek uit lopen toen ik ineens een betonnen voet van een parasol naar beneden zag komen. Ik zag dat deze voet met snelheid en kracht op de stoep terecht kwam. Ook zag ik dat er stukken van de betonschermen naar beneden kwamen. (...)
Toen er geen spullen meer naar beneden kwamen ben ik onder een balkon weggevlucht.
Ik ben een eind verderop gaan staan en keek omhoog en zag dat alle balkonschermen eruit lagen en ik zag bewoner [gedaagde] op het balkon staan.
(...)
2.3.
[gedaagde] is aangehouden en meegenomen door de politie. Diezelfde avond is hij naar huis gestuurd.
2.4.
Op 19 maart 2026 heeft [gedaagde] de woning vernield. WBO heeft wederom aangifte gedaan. In dit proces-verbaal staat:
(...)
Op donderdag 19 maart 2026, omstreeks 10:15 uur, werd ik tijdens mijn werk gebeld door de wijkagent met de mededeling dat de bewoner van [adres] , [gedaagde] een stoel door de ruit van de woning had gegooid.
Ik ben ter plaatse gekomen aan de [adres] en zag dat op de stoep voor het flatportiek allemaal glas op de grond lag. Ik zag dat er tussen het glas op de grond een stoel lang.
Ik keek naar boven en zag op de derde verdieping, bij huisnummer [adres] , het raam er helemaal uit was. Ik zag dat [gedaagde] mee werd genomen door de politie en heb hem medegedeeld dat hij zijn woning van WBO wonen kwijt is. Ik ben vervolgens naar binnen gegaan en zag dat heel de woning over hoop gehaald was.
(...)
2.5.
[gedaagde] is korte tijd opgenomen geweest met een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvvgz). Op 23 maart 2026 is de crisismaatregel niet verlengd en is hij uit de instelling ontslagen.

3.Het geschil

3.1.
WBO vordert samengevat - ontruiming van de woning.
3.2.
Volgens de bewindvoerder moet de vordering van WBO worden afgewezen. Ontruiming zal tot een vrijwel volledige maatschappelijke ontwrichting leiden. Zonder woning vallen begeleiding, dagbesteding, behandeling, uitkering en perspectief op herstel weg. Mocht onmiddellijke terugkeer in het gehuurde niet aan de orde zijn, dan ligt (het aanbieden van) vervangende woonruimte voor de hand.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of WBO ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. In deze zaak volgt het (niet betwiste) spoedeisend belang uit de aard van het gevorderde.
Maatstaf voor ontbinding huurovereenkomst
4.2.
In artikel 6:265 lid 1 BW Pro is de inhoudelijke maatstaf neergelegd dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst. Bij de beoordeling van deze maatstaf kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Dit artikel is ook van toepassing op huurovereenkomsten.
4.3.
Uit de structuur van artikel 6:265 lid 1 BW Pro volgt dat het aan WBO is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van de bewindvoerder (c.q. [gedaagde] ) en dat het aan de bewindvoerder is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt (ECLI:NL:HR:2018:1810).
4.4.
Indien sprake is van een tekortkoming die naar verwachting in een bodemprocedure zal leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst, kan dat in kort geding grond zijn voor toewijzing van een vordering tot ontruiming. Daarvoor is vereist:
  • dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de tekortkoming in een bodemprocedure zal leiden tot toewijzing van een vordering tot ontbinding;
  • dat van de verhuurder in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van die bodemprocedure afwacht.
Daarbij geldt dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Tekortkoming en ontruiming
4.5.
Niet in geschil is dat [gedaagde] op 15 en 16 maart 2026 geluidsoverlast heeft veroorzaakt, dat hij op 18 maart 2026 een parasolvoet van zijn balkon naar beneden heeft gegooid en balkonschermen heeft vernield en dat hij op 19 maart 2026 de woning heeft vernield. Uit de door WBO overgelegde foto’s blijkt van vrijwel geheel ontbrekend glas in het woonkamerraam, een gat in een deur, een beschadigd (deur)kozijn, een gat in de wastafel en een scheef hangende douchedeur. Hiermee is, naar (terecht) niet in geschil is, sprake van een tekortkoming. Een huurder is immers verplicht zich als een goed huurder te gedragen. Daarbij past niet het vernielen van het gehuurde, al helemaal niet door gevaar te veroorzaken voor omwonenden/voorbijgangers (door zaken van het balkon naar beneden te gooien).
4.6.
Het verweer van de bewindvoerder dat deze tekortkoming de ontbinding niet rechtvaardigt, slaagt niet, gelet op het navolgende.
4.7.
Volgens de bewindvoerder, zo begrijpt de kantonrechter, was (een deel van) de ellende voorkomen als HOD tijdig was betrokken (door WBO); HOD had dan voor de-escalatie weten te zorgen, aldus de bewindvoerder. Nog daargelaten dat (ook) WBO pas op
18 maart jongstleden op de hoogte was van de overlastmeldingen – en haar dus bezwaarlijk kan worden verweten dat zij HOD niet eerder heeft ingeseind – geldt dat het (slechts) gaat om een aanname van de bewindvoerder. Daarbij komt dat het in deze procedure aankomt op een beoordeling van wat er daadwerkelijk is voorgevallen.
4.8.
Wat er is voorgevallen maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. [gedaagde] heeft immers, zo staat als onbetwist in deze procedure vast, onder invloed van drugs op 18 maart 2026 een parasolvoet van zijn balkon gegooid en op 19 maart 2026 de woning vernield, waarbij hij een stoel uit/door het woonkamerraam heeft gegooid.Bovendien is voorstelbaar dat omwonenden door deze incidenten angstig zijn en [gedaagde] als onvoorspelbaar ervaren. Het belang van WBO bij het beschermen van de belangen van deze omwonenden is evident.
Voor zover de bewindvoerder heeft willen stellen dat het (slechts) om kortdurende, eenmalige overlast gaat en het bij deze episode zal blijven – waarmee WBO en omwonenden niets meer te vrezen zouden hebben – heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat [gedaagde] zich vrijwel een jaar lang (wel) als goed huurder heeft gedragen, is daarvoor onvoldoende.
4.9.
Daarbij komt nog dat WBO onbetwist heeft gesteld dat het gehuurde ten gevolge van de vernielingen onbewoonbaar is. Dat de bewindvoerder (c.q. [gedaagde] ) desondanks belang heeft bij behoud van het gehuurde valt niet in te zien. Dat de bewindvoerder belang heeft bij toewijzing van het subsidiair gevorderde (ter beschikking stellen vervangende woonruimte) is duidelijk, maar in casu is geen sprake van een in rechte afdwingbare verplichting van WBO.
4.10.
Wellicht ten overvloede wordt met betrekking tot het door WBO vervangen van de sloten overwogen als volgt. Zelfs als zou WBO – in weerwil van haar beroep ter zitting op opschorting – [gedaagde] de toegang tot de woning onrechtmatig hebben ontzegd, dan betekent dat, anders dan de bewindvoerder lijkt te veronderstellen, niet dat de ontruimingsvordering moet worden afgewezen. Bij beoordeling van die vordering gaat het immers, zoals hiervoor al is vermeld, enkel om de vraag of (in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat) de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.
4.11.
De bewindvoerder is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting WBO Wonen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
156,74
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.304,74

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt de bewindvoerder om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Stichting WBO Wonen zijn, en de sleutels af te geven aan Stichting WBO Wonen,
5.2.
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten van € 1.304,74, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.