Eiser heeft op 10 juli 2025 een Woo-verzoek ingediend bij het college van gedeputeerde staten van Overijssel over schade aan landbouwhuisdieren door predatoren. Na uitblijven van een tijdige beslissing stelde eiser verweerder in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder gaf aan nog maximaal twaalf weken nodig te hebben voor een besluit.
Op 16 maart 2026 nam verweerder een besluit en maakte gedeeltelijk de gevraagde informatie openbaar. Hierdoor verloor eiser het procesbelang bij het beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is. Eiser wilde vooral een vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De rechtbank stelt vast dat het griffierecht vergoed moet worden omdat het beroep terecht was ingesteld. De gevraagde proceskostenvergoeding voor reiskosten en verletkosten wordt afgewezen omdat deze kosten niet redelijkerwijs nodig waren, aangezien het besluit al was genomen vóór de zitting. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt daarom afgewezen.