AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toekenning schadevergoeding kosten rechtsbijstand na sepot strafzaak
De rechtbank Overijssel behandelde op 8 april 2026 het verzoek van verzoeker om vergoeding van kosten rechtsbijstand op grond van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering. Het verzoek betrof een bedrag van € 571,73 voor gemaakte kosten en € 340,00 voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
De strafzaak tegen verzoeker was geëindigd op 24 juni 2025 met een sepot vanwege een oud feit, nadat de officier van justitie de strafbeschikking had ingetrokken. De officier van justitie stelde dat er geen gronden van billijkheid waren voor vergoeding omdat verzoeker het aan zichzelf te wijten had dat hij verdachte werd. De raadsman betoogde dat bij sepot geen verschil mag worden gemaakt met vrijspraak en dat de rechter zich moet onthouden van een oordeel over schuld.
De raadkamer oordeelde dat, gelet op de vaste rechtspraak en omstandigheden, er wel degelijk gronden van billijkheid zijn om de gevraagde vergoeding toe te kennen. Tevens werd een forfaitaire vergoeding van € 680,00 toegekend voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift. De totale vergoeding van € 1.251,73 wordt ten laste van de Staat betaald.
Uitkomst: De rechtbank kent vergoeding van kosten rechtsbijstand toe na sepot van de strafzaak.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
parketnummer : 96-135568-24
raadkamernummer : 25-020218
datum : 8 april 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het verzoek op grond van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] ,
domicilie kiezende aan de [adres 2] ,
bijgestaan door mr. J.C. Stam, advocaat te Borne,
hierna te noemen: de verzoeker.
1.Het verloop van de procedure
Het verzoekschrift daterende 17 juli 2025, is op 18 juli 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen.
Het verzoekschrift is ingediend en ondertekend door verzoeker, bijgestaan door mr. J.C. Stam, advocaat te Borne.
Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 530 SvPro toekenning van een bedrag van € 571,73 voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand, te vermeerderen met een bedrag van € 340,00 voor de kosten van het opstellen en indienen van het verzoekschrift.
Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 8 april 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie, mr. G.J. Jansen en de raadsman, mr. J.C. Stam gehoord. Verzoeker [verzoeker] is niet verschenen.
De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken uit het dossier van de strafzaak tegen verzoeker en de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie van 16 september 2026.
2.De standpunten van verzoeker en de raadsman en de officier van justitie
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft gepersisteerd bij de inhoud van het verzoekschrift. Voorafgaande aan de behandeling van het verzoekschrift heeft de raadsman per e-mail van 7 april 2026 zijn pleitnotities overgelegd, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd en welke aan deze beschikking wordt gehecht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting bij het schriftelijke standpunt gepersisteerd.
2.De ontvankelijkheid
Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is.
3.De beoordeling
Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd op 24 juni 2025. Naar aanleiding van het door verzoeker ingestelde verzet tegen de aan verzoeker opgelegde strafbeschikking heeft de officier van justitie de strafbeschikking ingetrokken en de zaak geseponeerd vanwege oud feit.. Met het sepot is de strafzaak dus geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr.
Verzoeker heeft verzocht een vergoeding toe te kennen van € 571,73. Verzoeker heeft deze vergoeding onderbouwd door middel van een specificatie die inzicht biedt in de verrichte werkzaamheden. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de verzochte vergoeding van € 571,73 geen gronden van billijkheid aanwezig zijn en het bedrag derhalve niet toewijsbaar is. Volgens het Openbaar Ministerie heeft verzoeker het aan zichzelf heeft te wijten dat de verdenking op hem is gevallen en hij zichzelf in een situatie heeft gebracht die ertoe zou kunnen leiden, en er ook toe geleid heeft dat hij kosten heeft moeten maken.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten van de raadsman in de zin van artikel 530 SvPro stelt de rechtbank voorop dat de declaratie van de raadslieden niet meer is dan een uitgangspunt, dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten van raadslieden en zo ja, tot welk bedrag. De raadkamer is in dit geval van oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, er gronden van billijkheid aanwezig zijn om de verzochte schadevergoeding toe te kennen.
De raadkamer overweegt als volgt. De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd middels een sepot. De officier van justitie stelt dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft gehad dat hij als verdachte werd aangemerkt en dat er om die reden geen gronden van billijkheid bestaan om vergoeding toe te kennen. De raadsman heeft terecht bepleit dat blijkens vaste rechtspraak er bij de beoordeling van een schadevergoedingsverzoek in beginsel geen verschil mag worden gemaakt tussen een vrijspraak en een sepot. In alle gevallen geldt dat de rechter zich moet onthouden van een mening of oordeel dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan het overtreden van een strafrechtelijke norm en daarmee aan het plegen van een strafbaar feit (EHRM 11 juni 29024 in de zaak [zaak] ).
In het onderhavige geval is overigens door verzoeker ter zake van mishandeling op dezelfde datum een strafbeschikking van € 300,= voldaan. Voor vermeende dronkenschap op diezelfde datum en plaats is hem vervolgens nog een strafbeschikking aangeboden van € 420,= die later is ingetrokken en geseponeerd. Daarmee is de zaak afgedaan en past het niet om te stellen dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat hem een strafbeschikking is aangeboden voor dronkenschap en er daarom geen gronden van billijkheid zijn om hem enige schadevergoeding voor de kosten van een door hem geraadpleegde raadsman toe te kennen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn er dan ook wel degelijk gronden van billijkheid aanwezig om de verzochte en gespecificeerde schadevergoeding toe te kennen
Forfaitaire vergoeding
De raadkamer zal voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift een vergoeding toekennen naar de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het LOVS zijn vastgesteld, te weten een bedrag van € 680,00.
3.De beslissing
De rechtbank:
kentop grond van artikel 530 SvPro aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toevan € 571,73 voor de kosten raadsman, te vermeerderen met een bedrag van € 680,00 voor de kosten van het opstellen en het indienen van het verzoekschrift;
beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een bedrag van € 1251,73 door de griffier betaald wordt, door overboeking van het bedrag op de derdengeldenrekening van [bedrijf] ( [rekeningnummer] ) onder vermelding van dossiernummer: [dossiernummer] – [verzoeker] /OM -verzoekschrift schadevergoeding.
Deze beschikking is gegeven op 8 april 2025 door mr. B.W.M. Hendriks, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.T.H. Praster, griffier, ondertekend door de rechter en de griffier.