Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[eiser] ,
2.
[eiseres],
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2] B.V.,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026
- de pleitnota van [eisers]
- de pleitnota van [gedaagde 1] c.s.
2.Samenvatting
3.De feiten
[…]
4.De vordering
5.De beoordeling
doordan wel mede
namens[gedaagde 2] zijn verricht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben weliswaar naar voren gebracht dat [gedaagde 2] geen partij is en enkel het transport van [bedrijf 1] namens [gedaagde 1] heeft gefinancierd, maar dat standpunt slaagt niet. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben hun standpunt ook niet onderbouwd. Uit het rapport van het bodemonderzoek door [bedrijf 2] B.V. van 14 februari 2025, dat als productie 12 door [eisers] is overgelegd, volgt dat het bodemonderzoek van de grond in opdracht van [gedaagde 2] is uitgevoerd. Uit de door [eisers] als productie 11 overgelegde facturen van [bedrijf 2] B.V. (partijkeuring van de grond) en Afvaldienst Twente (transport grond en rijplaten) volgt dat die facturen zijn gericht aan [gedaagde 2] . Op basis daarvan concludeert de voorzieningenrechter dat [gedaagde 2] ook kan worden aangesproken door [eisers] tot verwijdering van de grond.
uit hoofde van nakomingverwijdering van de grond verlangen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .