Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:1941

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3375
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 ParticipatiewetArt. 3:2 AwbArt. 7:12 lid 1 AwbArt. 8:72 lid 4 AwbArt. 8:106 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond: geen gezamenlijke huishouding, bijstand toegekend aan alleenstaande

Eiser diende een aanvraag in voor een bijstandsuitkering als alleenstaande, maar het college wees deze af omdat zij meende dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon. Eiser voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat hij een eigen financiële huishouding voerde. De rechtbank toetste het besluit over de periode van 18 april 2025 tot 23 mei 2025.

De rechtbank stelde vast dat het college ten onrechte aannam dat er sprake was van wederzijdse zorg, omdat de financiële verstrengeling beperkt was tot het delen van woonlasten en dat er duidelijke afspraken en verrekeningen waren over de kosten. Andere omstandigheden zoals het delen van inventaris en gezamenlijke activiteiten waren niet doorslaggevend. Eiser had voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een eigen leven leidde en geen gezamenlijke huishouding voerde.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen waarbij eiser als alleenstaande wordt aangemerkt. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het college moet een nieuw besluit nemen waarbij eiser als alleenstaande wordt aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3375

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L. de Widt),
en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college

(gemachtigden: J.J.P.S. Weijnen en I.M.D. Graef).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een bijstandsuitkering. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte meent dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] ( [naam] ) en om die reden niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 is kort uitgelegd hoe het bestreden besluit tot stand is gekomen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
In het besluit van 23 mei 2025 heeft het college eisers bijstandsaanvraag afgewezen.
2.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
6 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiseres heeft zich op 18 april 2025 bij het college gemeld voor een uitkering voor een alleenstaande op grond van de Participatiewet (PW). Het college heeft daarop onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van eiser. Ook heeft het college gesproken met eiser. Dit heeft geleid tot de besluitvorming zoals hiervoor onder ‘procesverloop’ uiteen is gezet.

Standpunten van partijen

4.1
Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] en om die reden niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden beschouwd. Eiser had daarom geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.
4.2
Eiser stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte meent dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] . Van wederzijdse zorg tussen eiser en [naam] is geen sprake. Volgens eiser is de financiële verstrengeling niet nauwer dan bijvoorbeeld in een kostgangersrelatie. Veeleer is sprake van een studentikoze verhouding tussen eiser en [naam] . Duidelijk is dat eiser een eigen leven leidt en dat hij een eigen financiële huishouding voert. Indien zaken aangeschaft worden waarvan beiden gebruik maken, worden die kosten opgeschreven. Indien één van beiden meer heeft betaald dan 50%, vindt er een verrekening plaats. Uit wat eiser naar voren heeft gebracht, blijkt juist dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, maar dat ieder zijn eigen kosten of aandeel in de kosten betaald. Daarnaast betaalt men de eigen boodschappen, wordt de was apart gedaan en is de wasmachine door eenieder voor de helft betaald. De gezamenlijke kosten die er zijn, hebben alleen betrekking op de kosten voor de woning en het gebruik van de woning, waarbij de kosten gelijkelijk tussen eiser en [naam] worden betaald. Verder betekent juist het feit dat eiser een schuld open heeft staan bij [naam] dat ieder zijn aandeel moet betalen. De meeste verzorgingsproducten heeft ieder voor zich en slechts een klein aantal producten worden door beiden gebruikt. Die producten worden door beiden voor de helft betaald. Verder worden slechts af en toe gezamenlijke activiteiten ondernomen. Men kookt niet samen en als er samen wordt gekookt, worden de kosten gedeeld. Nu van wederzijdse zorg geen sprake is, is van een gezamenlijke huishouding evenmin sprake. Eiser komt daarom in aanmerking voor een uitkering naar de norm voor een alleenstaande, zo stelt hij.

Het oordeel van de rechtbank

5.1
Het bestreden besluit wordt getoetst voor de periode van 18 april 2025, de datum waarop eiser zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 23 mei 2025, de datum van het afwijzingsbesluit (te beoordelen periode).
5.2
Iemand die bijstand aanvraagt moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de bijstandbehoevendheid rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De bijstandverlenende instantie heeft een onderzoeksplicht. Dat brengt mee dat deze de inlichtingen van de aanvrager op juistheid en volledigheid moet controleren. Als de aanvrager niet aannemelijk maakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert, is dit een grond voor afwijzing van de aanvraag.
5.3
In artikel 3, derde lid, van de PW is bepaald dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of anderszins.
5.4
De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daarbij niet van belang.
5.5
Niet in geschil is dat eiser en [naam] in de periode waar het hier om gaat hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan. Wel is in geschil of voldaan is aan het tweede criterium, de wederzijdse zorg.
5.6
Wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde, feiten en omstandigheden worden betrokken. Het vorenstaande in ogenschouw genomen, is de rechtbank van oordeel dat het college ten onrechte heeft gesteld dat tussen eiser en [naam] sprake was van wederzijdse zorg. Het college heeft haar standpunt dat hiervan sprake was in belangrijke mate doen steunen op een veronderstelde financiële verstrengeling tussen eiser en [naam] , in het bijzonder dat eiser en [naam] geen schriftelijke afspraken hebben gemaakt over de betalingen van de huur en de nutsvoorzieningen en dat eiser aanzienlijke schulden bij [naam] heeft, zonder dat er duidelijke afspraken over zijn gemaakt of consequenties aan zijn verbonden. Eiser heeft in het gesprek met de consulent en ook ter zitting echter verklaard dat hij in de periode dat hij geen inkomsten had, schulden heeft gemaakt bij [naam] en dat die bijgehouden zijn in een boekje. Eiser was niet meer in staat om zijn deel van de huur te betalen, maar ook andere kosten kon eiser niet meer voldoen. [naam] hield bij welke kosten dit waren. Op enig moment was totale (huur)schuld zo hoog dat de situatie onhoudbaar was geworden en eiser de woning heeft verlaten. Eiser heeft een voldoende gedetailleerd overzicht overgelegd, waaruit blijkt wat er onderling verrekend is, wat hij heeft nagelaten te betalen en wat hij dus nog aan [naam] moet terugbetalen. Eiser heeft aldus voldoende overtuigend aannemelijk gemaakt dat een schuld is opgebouwd en dat hij die schuld moet terugbetalen. De mate van financiële verstrengeling tussen eiser en [naam] ging dan ook niet tot nauwelijks verder dan het delen van woonlasten en daarmee samenhangende lasten. De overige omstandigheden die het college van betekenis heeft geacht voor het aannemen van wederzijdse zorg, zoals het delen van inventaris, verzorgingsartikelen en ruimtes, het huurcontract dat op naam van zowel eiser als [naam] staat en het soms gezamenlijk ondernemen van activiteiten, zijn naar het oordeel van de rechtbank, met inachtneming van alle feiten en omstandigheden, niet doorslaggevend om op grond daarvan van wederzijdse zorg te spreken. De rechtbank betrekt daarbij onder meer dat eiser heeft verklaard dat hij en [naam] grotendeels hun eigen boodschappen doen en meestal afzonderlijk koken of eten afhalen. Zij maakten slechts beperkt gebruik van elkaars boodschappen. Ontbijten en lunchen deden eiser en [naam] afzonderlijk. Ook heeft eiser verklaard vaker bij zijn moeder te eten, omdat hij geen inkomsten heeft. Verder ondernamen zij slechts af en toe gezamenlijke activiteiten buitenshuis.
5.7
Dit alles betekent dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser een gezamenlijke huishouding met [naam] voerde als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Pw in de periode in geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
7. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college moet daarbij als uitgangspunt nemen dat eiser als alleenstaande is aan te merken. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
8. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 6 oktober 2025;
  • draagt het college op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.