Eiser diende een aanvraag in voor een bijstandsuitkering als alleenstaande, maar het college wees deze af omdat zij meende dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon. Eiser voerde aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat hij een eigen financiële huishouding voerde. De rechtbank toetste het besluit over de periode van 18 april 2025 tot 23 mei 2025.
De rechtbank stelde vast dat het college ten onrechte aannam dat er sprake was van wederzijdse zorg, omdat de financiële verstrengeling beperkt was tot het delen van woonlasten en dat er duidelijke afspraken en verrekeningen waren over de kosten. Andere omstandigheden zoals het delen van inventaris en gezamenlijke activiteiten waren niet doorslaggevend. Eiser had voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een eigen leven leidde en geen gezamenlijke huishouding voerde.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb en bepaalde dat het college binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen waarbij eiser als alleenstaande wordt aangemerkt. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.