Art. 5 WVW1994Art. 6 WVW1994Art. 19 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 62 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990Art. 68 lid 1 onder c Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak verkeersongeval met dodelijk slachtoffer, geldboete voor gevaar en hinder op kruising
Op 20 september 2025 reed verdachte met een camper over de Haardijk te Hardenberg en reed door rood licht op een kruising waar een scootmobiel met [slachtoffer 1] overstak. Hoewel verdachte en [slachtoffer 1] elkaar niet raakten, viel [slachtoffer 1] door een schrikreactie en overleed enkele dagen later aan neurologisch letsel.
De rechtbank oordeelde dat verdachte geen aanmerkelijke schuld had in de zin van artikel 6 WegenverkeerswetPro 1994, omdat sprake was van een moment van onoplettendheid en verdachte bewust doorreed om een botsing te voorkomen. Hierdoor werd verdachte vrijgesproken van het primair ten laste gelegde verkeersongeval met dodelijke afloop.
Wel werd bewezen verklaard dat verdachte door onvoldoende aandacht voor het verkeerslicht door rood reed en daardoor gevaar en hinder op de weg veroorzaakte, wat leidde tot het valincident van [slachtoffer 1]. Voor dit subsidiaire feit werd verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het leed van de familie, het feit dat verdachte verantwoordelijkheid nam en dat hij voor zijn beroep afhankelijk is van zijn rijbewijs. Daarom werd geen rijontzegging opgelegd. De uitspraak werd gedaan door drie rechters op 9 april 2026.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van schuld aan dodelijk verkeersongeval, maar veroordeeld tot een geldboete van € 1.000 voor het veroorzaken van gevaar en hinder door door rood rijden.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.337708.25 (P)
Datum vonnis: 9 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1965 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. E. Warmelts, advocaat in Assen, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] (zoon van [slachtoffer 2]) voorgedragen slachtofferverklaring.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
primaireen aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt als gevolg waarvan [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 1]) is overleden;
subsidiairdoor zijn gedrag gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
meer subsidiairdoor rood is gereden, waarbij letsel aan personen is ontstaan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 20 september 2025 te Hardenberg in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (camper), komende uit de richting van Nieuwleusen/Balkburg, daarmede rijdende over de Haardijk, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of terwijl op de kruising van de Haardijk met de Koningsspil de aldaar geplaatste, voor zijn, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Haardijk te vervolgen,
- niet of in onvoldoende mate te kijken en/of te blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of de voor hem bestemde en geldende verkeerslichten en/of het zich op de kruisende weg, de kruising van de Haardijk met Koningsspil, bevindende verkeer en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 62 vanPro voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 vanPro voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de Haardijk) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij (door)gereden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onderPro c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen, door rood te rijden of op die kruising, gezien zijn, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor de dicht van links genaderd zijnde bestuurder van een scootmobiel niet voor te laten gaan en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig te regelen dat hij in staat was dat motorrijtuig (camper) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
waardoor de bestuurder van de scootmobiel zodanig is geschrokken en/of vanwege een schrikreactie en/of uitwijkmanoeuvre is gevallen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2]) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 september 2025 te Hardenberg in de gemeente Hardenberg, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een voertuig (camper), komende uit de richting van Nieuwleusen/Balkburg, daarmede rijdende over de Haardijk, terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of, terwijl op de kruising van de Haardijk met de Koningsspil de aldaar geplaatste, voor zijn, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", verdachte is (vervolgens) rechtdoor gegaan om de Haardijk te vervolgen,
- niet of in onvoldoende mate te kijken en/of te blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg en/of de voor hem bestemde en geldende verkeerslichten en/of het zich op de kruisende weg, de kruising van de Haardijk met Koningsspil, bevindende verkeer en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 62 vanPro voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 vanPro voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de Haardijk) voor die kruising aangebrachte stopstreep te (blijven) stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij (door)gereden en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 68 lid 1 onderPro c en/of lid 6 van voormeld reglement, zonder te (blijven) stoppen, door rood te rijden of op die kruising, gezien zijn, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor de dicht van links genaderd zijnde bestuurder van een scootmobiel niet voor te laten gaan en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 vanPro voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig te regelen dat hij in staat was dat motorrijtuig (camper) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
waardoor de bestuurder van de scootmobiel zodanig is geschrokken en/of vanwege
een schrikreactie en/of uitwijkmanoeuvre is gevallen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 september 2025 te Hardenberg als bestuurder van een voertuig (camper) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Haardijk, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Volgens de officier van justitie heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gereden, waardoor sprake is van schuld in de zin van artikel 6 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW1994).
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Volgens de raadsvrouw is er geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994 nu de gedraging van verdachte is aan te merken als een kort moment van onoplettendheid.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende redengevende feiten en omstandigheden vast.
Op 20 september 2025 reed verdachte als bestuurder van een camper over de Haardijk te Hardenberg, komende uit de richting van Nieuwleusen/Balkburg. Ter hoogte van de kruising met de Koningsspil en de Blanckvoortallee zijn er vier voorsorteervakken: één voor linksaf, twee voor rechtdoor en één voor rechtsaf. De voorrang op de kruising wordt middels verkeerslichten geregeld. Op de kruising is ook een oversteek voor fietsers en voetgangers.
Verdachte stond met zijn camper stil voor een rood stoplicht op de meest rechterrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer. [slachtoffer 1] reed met zijn scootmobiel over het voetpad naast de Haardijk. Hij wilde de kruising oversteken. [slachtoffer 1] kreeg groen licht en reed met zijn scootmobiel het kruispunt op. Op dat moment reed verdachte door het rode licht ook het kruispunt op. Verdachte en [slachtoffer 1] hebben elkaar niet geraakt, maar [slachtoffer 1] kwam ten val en viel met zijn hoofd op het asfalt. [slachtoffer 1] heeft daarbij neurologisch letsel opgelopen. Als gevolg hiervan is hij op 23 september 2025 overleden.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat het stoplicht voor rechtsaf op groen sprong en dat verdachte vervolgens optrok om rechtdoor de kruising over te gaan, terwijl dat verkeerslicht nog rood licht uitstraalde. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte langzaam optrok en dat op hetzelfde moment [slachtoffer 1] het kruispunt overstak.
Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat het voor hem bestemde verkeerslicht op groen sprong. Toen hij bijna de kruising over was zag hij van links een scootmobiel de kruising op gaan. Hij besefte dat het niet goed zou gaan en besloot om niet te remmen, maar door te rijden omdat hij dacht dat hij op die manier [slachtoffer 1] nog kon ontwijken en dus een botsing kon voorkomen. Hij zag, toen hij voorbij de scootmobiel was, vervolgens in zijn linker spiegel dat de bestuurder van de scootmobiel achter zijn camper ten val kwam.
Vrijspraak primair ten laste gelegde
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verdachte schuld heeft in de zin van artikel 6 WVW1994. Voor schuld in de zin van dit artikel moet sprake zijn van (meer dan) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onachtzaamheid dan wel onoplettendheid van verdachte. Een enkel moment van onoplettendheid, is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Dit kan anders zijn door de aard en de ernst van de concrete verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994.
Verdachte heeft een kruispunt overgestoken, terwijl het voor hem bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde en dus geen voorrang verleend aan [slachtoffer 1]. Uit het dossier blijkt dat verdachte dacht dat het groene licht om rechtsaf te slaan voor hem bestemd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de enkele omstandigheid dat verdachte zich heeft vergist in het stoplicht, als gevolg daarvan door rood is gereden en daarmee geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer 1], niet volgen dat verdachte aanmerkelijk onoplettend en/of onvoorzichtig heeft gereden. De rechtbank is van oordeel dat deze verkeersfout is aan te merken als momentane onoplettendheid. Dat de onoplettendheid bij verdachte niet langer heeft geduurd dan een enkel moment leidt de rechtbank af uit het handelen van verdachte toen hij [slachtoffer 1] opmerkte. Vanaf dat moment heeft verdachte juist oplettend gehandeld. Hij reed bewust door, omdat hij zo een botsing met [slachtoffer 1] wilde voorkomen. Het voorkomen van een botsing is gelukt. De camper en de scootmobiel hebben elkaar niet geraakt.
De officier van justitie rekent het verdachte aan dat hij zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om alsnog te remmen om [slachtoffer 1] voorrang te verlenen. De rechtbank volgt de officier van justitie hierin niet. Op basis van de inhoud van het dossier is niet vast te stellen of verdachte de mogelijkheid had om te remmen en ook niet of hiermee een botsing of een val van [slachtoffer 1] (al dan niet door een schrikreactie) was voorkomen. In het verlengde daarvan kan verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, niet worden verweten dat hij op het moment waarop hij [slachtoffer 1] zag niet anders heeft gehandeld dan dat hij heeft gedaan. Ook ziet de rechtbank een contra-indicatie voor het standpunt van de officier van justitie in de getuigenverklaring van [getuige 1], door wie is verklaard dat verdachte langzaam optrok. Het feit dat verdachte chauffeur van beroep is en er in dit geval dus sprake was van de zogeheten Garantenstellung maakt het voorgaande niet anders.
Van een situatie waarin een kort moment van oplettendheid (vanwege de aard en ernst van de verkeersovertreding of de omstandigheden, zoals de verkeerssituatie ter plaatse) voldoende is voor het aannemen van schuld in de zin van artikel 6 WVW1994 is geen sprake.
De voor artikel 6 WVW1994 benodigde mate van schuld kan niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
Bij de beoordeling of verdachte gevaarzetting in de zin van het subsidiair ten laste gelegde artikel 5 WVW1994 heeft veroorzaakt moet worden vastgesteld of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt dan wel dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd. Uitsluitend de constatering dat verdachte in strijd met de geldende verkeersregels heeft gereden is hiervoor onvoldoende. Voor het oordeel dat door de overtreding gevaar is of kon worden veroorzaakt, is vereist dat sprake was van een reële kans op een ongeval. De omstandigheden van de plaats waar de gedragingen hebben plaatsgevonden en de aanwezigheid van andere verkeersdeelnemers zijn hierbij van belang.
Op basis van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn camper op een groot, druk kruispunt onvoldoende naar het voor hem bestemde verkeerslicht is blijven kijken, als gevolg daarvan door rood is gereden en daarmee geen voorrang heeft verleend aan [slachtoffer 1]. Verdachte heeft op deze wijze gevaar en hinder veroorzaakt dat zich ook heeft verwezenlijkt. [slachtoffer 1] is immers ten val geraakt en overleden.
Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het subsidiaire ten laste gelegde feit heeft begaan.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 20 september 2025 te Hardenberg als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (camper), komende uit de richting van Nieuwleusen/Balkburg, daarmede rijdende over de Haardijk, terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en terwijl op de kruising van de Haardijk met de Koningsspil de aldaar geplaatste, voor zijn, verdachte, van toepassing zijnde en in zijn richting gekeerde verkeerslichten rood licht uitstraalden, inhoudende: "Stop", rechtdoor is gegaan om de Haardijk te vervolgen,
- in onvoldoende mate te blijven kijken naar de voor hem bestemde en geldende verkeerslichten en;
- in strijd met het gestelde in artikel 62 vanPro voormeld reglement geen gevolg te geven aan het in 68 lid 1 onder c van het Reglement verkeersregels en verkeersteken 1990 gestelde gebod of verbod, door met dat door hem bestuurde voertuig (camper) niet ingevolge het gestelde in artikel 79 vanPro voormeld reglement voor de aldaar zich op het wegdek van die weg (de Haardijk) voor die kruising aangebrachte stopstreep te blijven stoppen immers bleef hij niet stoppen voor een voor hem rijrichting bestemde driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, maar is hij doorgereden en;
- op die kruising, gezien zijn, verdachtes, rijrichting terwijl hij rechtdoor reed , de dicht van links genaderd bestuurder van een scootmobiel niet voor te laten gaan;
waardoor de bestuurder van de scootmobiel zodanig is geschrokken en/of vanwege
een schrikreactie en/of uitwijkmanoeuvre is gevallen, en door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 5 en 177 WVW1994. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair,de overtreding: overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht om artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) toe te passen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte een (voorwaardelijke) geldboete en geen onvoorwaardelijke rij-ontzegging op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 20 september 2025 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op een kruising met de Haardijk te Hardenberg. Hij keek onvoldoende naar het voor hem bedoelde stoplicht, reed vervolgens door rood en verleende geen voorrang aan de overstekende [slachtoffer 1]. Als gevolg hiervan is [slachtoffer 1] met zijn scootmobiel ten val geraakt. [slachtoffer 1] heeft daarbij neurologisch trauma opgelopen, waaraan hij drie dagen na het ongeval is overleden.
Door het handelen van verdachte is [slachtoffer 1] uit het leven weggerukt en is diep en onherstelbaar leed toegebracht aan zijn familie. Dat dit een groot verlies teweeg heeft gebracht blijkt uit de ter zitting door zijn zoon voorgedragen slachtofferverklaring. De rechtbank realiseert zich dat het in deze zaak onmogelijk is om een straf op te leggen die recht doet aan het leed van de familie van [slachtoffer 1].
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 19 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen en zowel bij de politie als tijdens het onderzoek ter terechtzitting zonder terughoudendheid zijn verklaring afgelegd. Verdachte heeft ter zitting verteld dat het voorval en overlijden van [slachtoffer 1] een grote indruk op hem heeft achtergelaten.
De op te leggen straf
Gelet op de vrijspraak van het verkeersmisdrijf, zoals primair ten laste gelegd, komt de rechtbank tot een aanzienlijk lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen. Voor overtreding van artikel 5 WVW1994 wordt doorgaans een geldboete al dan niet in combinatie met een kortdurende rijontzetting opgelegd. De rechtbank zal voor wat betreft de geldboete hierbij aansluiten. Zij ziet mede in het feit dat verdachte voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur afhankelijk is van zijn rijbewijs reden om geen rijontzegging op te leggen. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en dat (het gevolg van) het ongeval veel indruk op hem lijkt te hebben gemaakt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 euro passend en geboden is.
7.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op 23 en 24c Sr.
8.De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
subsidiair,de overtreding: overtreding van artikel 5 vanPro de Wegenverkeerswet 1994;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.000,00 (duizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. A.J. de Loor en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025455349. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 26 maart 2026.
Ik reed op 20 september 2025 als bestuurder van een camper op de kruising van de Haardijk. In mijn optiek werd het licht groen waarna ik de kruising op reed. Toen ik voor 80% de kruising over was zag ik [slachtoffer 2] van links vrij snel aankomen. Ik was al dusdanig ver de kruising over dat een acute noodstop beslist geen optie meer was. Als ik dat wel had gedaan was ik als een muur voor [slachtoffer 1] opgedoken en waren wij met elkaar in botsing gekomen. Ik ben bewust doorgereden om meneer [slachtoffer 1] te ontwijken.
2.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 september, pagina 34.
Ik kwam vanuit de richting Nieuwleusen/Balkbrug.
3. Het proces-verbaal van aanrijding overtreding door [naam 1] van 30 september 2025, pagina 5-6.
Op zaterdag 20 september 2025 (…) Ter hoogte van de kruising met de Koningsspil en de Blanckvoortallee heeft de Haardijk 4 voorsorteervakken, 1 linksaf, 2 rechtdoor en 1 rechtsaf. De voorrang op de kruising wordt geregeld middels een verkeersregel installatie met driekleurig verkeerslicht. Er is tevens een oversteek voor fietsers en voetgangers. 1: [verdachte], [kenteken 1],camper 2: [slachtoffer 1], [kenteken 2] scootmobiel 2 Ter hoogte van de kruising met de Haardijk wilde 2 de Haardijk oversteken. 2 kreeg groen licht en reed vervolgens het kruispunt op. 1 reed op de Haardijk, en stond met zijn voertuig op de meest linkerrijstrook voor rechtdoorgaand verkeer komende uit de richting van de Jachthuisweg gaande in de richting van Hardenberg. 1 reed door het rode licht het kruispunt op. 1 stuurde nog om 2 heen maar 2 kwam toch ten val en viel met het hoofd hard op het asfalt en is met neurologisch trauma afgevoerd naar het ziekenhuis te Zwolle. 1 en 2 hebben elkaar zeer waarschijnlijk niet geraakt.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] door [naam 2] van 20 september 2025, pagina 16.
Ik zag dat het verkeerslicht voor rechtsaf groen werd. Ik zag dat de camper optrok rechtdoor de kruising over in de richting van Hardenberg terwijl het verkeerslicht voor rechtdoor rood was. Ik zag dat er aan de overzijde van de kruising van links een oudere man op een scootmobiel de kruising over stak.
5.Het GGD Schouwverslag door [naam 3] van 23 september 2025, pagina 1-3.
[slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 2]-1933 is 20 september jl. opgenomen in verband met een hersentrauma na een val uit een scootmobiel. Er was sprake van een neurologisch infauste prognose en hij is vanochtend overleden Conclusie: Niet-natuurlijk overlijden na een ongeval uit scootmobiel na schrikreactie.