AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Kantonrechter wijst ontruimingsvordering af en legt gedragsaanwijzing op aan huurder
De Woonplaats verhuurt een woning aan gedaagde, waar eind 2025 twee incidenten plaatsvonden met overlast en vernieling. De Woonplaats vordert ontruiming en betaling van huurachterstand, subsidiair een gedragsaanwijzing. Gedaagde verblijft sinds februari 2026 onder zorgmachtiging bij Mediant.
De kantonrechter oordeelt dat hoewel De Woonplaats een spoedeisend belang heeft, het woonbelang van gedaagde zwaarder weegt. De incidenten zijn veroorzaakt door een psychiatrische stoornis en gedaagde volgt behandeling. Er is onvoldoende bewijs van structurele overlast of concrete klachten.
De vordering tot ontruiming en huurbetaling wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang. Wel wordt een gedragsaanwijzing opgelegd die gedaagde verplicht geen overlast te veroorzaken en zich constructief op te stellen. Proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming en huurbetaling wordt afgewezen, maar aan gedaagde wordt een gedragsaanwijzing opgelegd.
Uitspraak
RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12050521 \ CV EXPL 26-30
Vonnis in kort geding van 14 april 2026
in de zaak van
WONINGSTICHTING DE WOONPLAATS,
te Enschede,
eisende partij,
hierna te noemen: De Woonplaats,
gemachtigde: mr. R.F.A. Rorink,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A. Hoekman.
1.De zaak in het kort
De Woonplaats verhuurt een woning aan [gedaagde] . Eind 2025 hebben zich twee incidenten voorgedaan in en rondom de woning van [gedaagde] . De Woonplaats vordert naar aanleiding van deze incidenten primair dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning en tot betaling van de huurachterstand. Als deze vordering niet wordt toegewezen, vordert De Woonplaats dat de kantonrechter aan [gedaagde] een gedragsaanwijzing oplegt. De kantonrechter wijst de vordering tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand af. Wel legt de kantonrechter aan [gedaagde] een gedragsaanwijzing op.
2.De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 januari 2026 met producties;
- het bericht van De Woonplaats aan de rechtbank van 26 januari 2026, waarmee zij de producties 10 en 11 in het geding brengt;
- het bericht van [gedaagde] aan de rechtbank van 28 januari 2026, waarin partijen verzoeken tot het bepalen van een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling in kort geding;
- het bericht van [gedaagde] aan de rechtbank van 13 maart 2026, waarmee hij de producties 1 tot en met 3 in het geding brengt;
- de akte wijziging van eis van De Woonplaats van 13 maart 2026;
- het bericht van De Woonplaats aan de rechtbank van 13 maart 2026, waarmee zij de producties 12 tot en met 14 in het geding brengt; - de mondelinge behandeling van 17 maart 2026 in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, waarbij partijen zijn verschenen en zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van spreekaantekeningen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling; - het bericht van De Woonplaats aan de rechtbank van 31 maart 2026, waarin zij de rechtbank verzoekt vonnis te wijzen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3.De feiten
3.1.
De Woonplaats verhuurt met ingang van 3 augustus 2023 aan [gedaagde] een woning aan de [adres 1] . De huurprijs bedraagt € 492,35 per maand.
3.2.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Huurvoorwaarden van De Woonplaats van toepassing. In artikel 6.3. van de Algemene Huurvoorwaarden is bepaald dat de huurder het gehuurde, waaronder ook eventuele gemeenschappelijke ruimten, zal gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt. Verder is in artikel 6.7. van de Algemene Huurvoorwaarden bepaald dat de huurder er zorg voor dient te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door de huurder.
3.3.
De politie is op 29 november en op 2 december 2025 bij [gedaagde] ter plaatse geweest naar aanleiding van een melding. De politie is op 2 december 2025 de woning van [gedaagde] binnengetreden. [gedaagde] is toen door de politie gearresteerd.
3.4.
De Woonplaats heeft op 2 december 2025 bij de politie aangifte gedaan van vernieling in de woning aan de [adres 1] . Hier is proces-verbaal van opgemaakt.
3.5.
De enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 25 februari 2026 de schorsing van de voorlopige hechtenis van [gedaagde] met ingang van 27 februari 2026 bevolen, op basis van een zorgmachtiging (artikel 2.3 Wfz). Eén van de voorwaarden waaronder de zorgmachtiging is verleend, is dat [gedaagde] zich laat opnemen bij Mediant in [plaats] en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
3.6.
De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft bij beschikking van 25 februari 2026 ten aanzien van [gedaagde] een zorgmachtiging (artikel 6:4 WvggzPro) verleend voor de duur van zes maanden. [gedaagde] is op grond van deze zorgmachtiging opgenomen bij Mediant.
3.7.
[gedaagde] heeft tot en met 31 maart 2026 een huurachterstand van € 2.297,63 laten ontstaan.
4.Het geschil
4.1.
De Woonplaats vordert – na eiswijziging – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
[gedaagde] veroordeelt om de woning aan de [adres 1] [1] [adres 1] binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, in goede staat op te leveren en deze vervolgens ontruimd te houden.
De Woonplaats vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de huurachterstand tot en met 31 maart 2026 ter hoogte van € 2.297,63 binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan De Woonplaats te betalen.
Subsidiair
De Woonplaats vordert subsidiair dat de kantonrechter aan [gedaagde] bij wijze van een ordemaatregel het volgende oplegt:
[gedaagde] zal de woning als een goed huurder in de zin van de huurovereenkomst, de algemene huurvoorwaarden en artikel 7:213 BWPro bewonen en uitsluitend gebruiken als woonruimte;
[gedaagde] zal aan omwonenden geen enkele overlast veroorzaken en zich onthouden van geschreeuw, agressief gedrag en/of geweld in en om de woning;
[gedaagde] zal de huur tijdig, volledig en op de door De Woonplaats voorgeschreven wijze voldoen en [gedaagde] zal geen huurachterstanden doen ontstaan;
[gedaagde] zal de huurachterstand tot en met 31 maart 2026 ter hoogte van € 2.297,63 binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan De Woonplaats voldoen;
[gedaagde] zal de woning op juiste wijze onderhouden, waaronder, maar niet beperkt tot, geen schade aan de woning toe te brengen en door de woning schoon te houden;
[gedaagde] zal zich jegens omwonenden, medewerkers van De Woonplaats en door De Woonplaats ingeschakelde derden constructief [2] en welwillend opstellen;
[gedaagde] zal zich blijvend laten begeleiden door Mediant, dan wel door een instelling met gelijke doelstelling en [gedaagde] stemt ermee in dat de hulpverlener De Woonplaats op de hoogte stelt van ontwikkelingen daar waar De Woonplaats dit verlangt of waarvan wordt geacht dat dit van belang is in de huurrelatie tussen De Woonplaats en [gedaagde] ;
[gedaagde] zal volledige medewerking verlenen aan reclassering;
[gedaagde] zal mentorschap en bewindvoering aanvaarden van de heer [naam] , dan wel een andere mentor en bewindvoerder en [gedaagde] stemt ermee in dat de bewindvoerder/mentor De Woonplaats op de hoogte stelt van ontwikkelingen indien De Woonplaats dit verlangt of waarvan wordt geacht dat dit van belang is in de huurrelatie tussen De Woonplaats en [gedaagde] ;
[gedaagde] werkt mee aan één huisbezoek per kwartaal door De Woonplaats, waarbij ook de bewindvoerder/mentor aanwezig zullen zijn, en welke vooraf wordt aangekondigd door De Woonplaats, dat plaats zal vinden in de woning en waarbij alle kamers van de woning worden geïnspecteerd.
Primair en subsidiair
De Woonplaats vordert zowel primair als subsidiair dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten).
4.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van De Woonplaats, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van De Woonplaats, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Woonplaats in de kosten van deze procedure.
5.De beoordeling
5.1.
De Woonplaats vordert primair dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot ontruiming van de woning en betaling van de huurachterstand en zij vordert subsidiair dat de kantonrechter aan [gedaagde] een ordemaatregel oplegt in de vorm van een gedragsaanwijzing. De Woonplaats stelt dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voor hem voortvloeien uit de huurovereenkomst. Zij voert daartoe aan dat op 29 november en op 2 december 2025 twee incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij [gedaagde] overlast heeft veroorzaakt aan omwonenden en de woning, met name de keuken, ernstig heeft vernield. De politie is bij beide incidenten ter plaatse geweest en heeft [gedaagde] op 2 december 2025 gearresteerd. De Woonplaats stelt een spoedeisend belang te hebben: zij vreest dat de situatie ter plaatse ernstig uit de hand zal lopen als niet wordt ingegrepen en dit wenst zij met deze ontruimingsprocedure te voorkomen.
5.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] voert aan dat hij sinds 27 februari 2025 bij Mediant verblijft waar hij een intensieve psychiatrische behandeling ondergaat. Volgens [gedaagde] bestaat er daardoor geen onmiddellijke dreiging voor omwonenden of De Woonplaats en hij betwist dan ook dat De Woonplaats een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorziening. [gedaagde] betwist de gestelde tekortkoming niet, maar hij stelt dat deze de ontruiming in dit geval niet rechtvaardigt. De incidenten, zonder daarbij afbreuk te willen doen aan de ernst daarvan, vonden namelijk plaats tijdens een acute psychiatrische episode van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] is de hoop en de verwachting dat hij onder begeleiding en met voldoende (medische) hulp, op termijn weer in staat zal zijn om naar de woning terug te keren. Deze (ambulante) begeleiding kan echter niet worden vormgegeven als [gedaagde] geen vaste woon- of verblijfplaats meer heeft en een eventuele ontruiming zal zijn resocialisatie en hersteltraject ernstig schaden. [gedaagde] voert aan dat zijn vader de keuken heeft hersteld en dat via Mediant een verzoek tot onderbewindstelling en mentorschap is gedaan. De bewindvoerder zal voor [gedaagde] de nodige uitkeringen en/of toeslagen kunnen aanvragen, zodat de financiële situatie van [gedaagde] structureel wordt gewaarborgd, inclusief het betalen van huur(achterstand). Indien de kantonrechter de primaire vordering, al dan niet voorwaardelijk, toewijst, verzoekt [gedaagde] een langere ontruimingstermijn te hanteren. [gedaagde] voert tot slot aan dat hij meer dan bereid is om in te stemmen met de subsidiaire vordering, met dien verstande dat deze vordering op een aantal punten wordt gematigd.
5.3.
De kantonrechter wijst de primaire vordering van De Woonplaats af. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter weegt het belang van [gedaagde] om in de woning te kunnen blijven wonen in dit geval zwaarder dan het belang van De Woonplaats. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand af, omdat De Woonplaats onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij een zodanig spoedeisend belang heeft dat een onmiddellijke voorziening is vereist. De kantonrechter wijst de subsidiaire vordering van De Woonplaats toe en zal [gedaagde] een gedragsaanwijzing opleggen. De kantonrechter motiveert hierna hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
De ontruiming
5.4.
De kantonrechter stelt voorop dat een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt (De Woonplaats) hierbij zoveel spoed heeft dat zij de uitkomst van een bodemprocedure niet hoeft af te wachten.
5.5.
[gedaagde] heeft de incidenten die in november en december 2025 hebben plaatsgevonden niet weersproken. Inmiddels is een zorgmachtiging afgegeven ten behoeve van [gedaagde] en verblijft hij bij Mediant. Maar dit betekent niet dat De Woonplaats daardoor niet langer een spoedeisend belang kan hebben bij de door haar gevraagde voorziening (de ontruiming). De Woonplaats heeft onbetwist gesteld dat zij verplicht is om aan andere huurders het woongenot te verschaffen en hen moet vrijwaren van overlast veroorzaakt door [gedaagde] . De kantonrechter is daarmee van oordeel dat De Woonplaats een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot ontruiming. Dit betekent dat De Woonplaats ontvankelijk is in haar vordering en dat de kantonrechter de vordering inhoudelijk kan behandelen.
De tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst
5.6.
De kantonrechter neemt als uitgangspunt dat een huurder zich als goed huurder dient te gedragen (artikel 7:213 BWPro). Dit houdt – onder meer – in dat de huurder niet alleen zorgvuldig moet omgaan met de woning, maar ook met de omgeving van de woning. Dat laatste betekent meer concreet dat de huurder rekening moet houden met zijn buren en geen overlast mag veroorzaken. Die verplichtingen staan ook in de huurovereenkomst en de Algemene Huurvoorwaarden. De mate waarin [gedaagde] overlast heeft veroorzaakt jegens omwonenden is dusdanig ernstig dat hij die zorgverplichting naar het oordeel van de kantonrechter heeft geschonden. [gedaagde] heeft die gedragingen ook niet weersproken. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst.
De tekortkoming rechtvaardigt de ontruiming van de woning niet
5.7.
De kantonrechter stelt voorop dat ontruiming van de woning een vergaande maatregel is. Om te beoordelen of [gedaagde] de woning gedwongen moet verlaten, moet tegenover het belang van De Woonplaats om aan de overige huurders van De Woonplaats woongenot te verschaffen, hun veiligheid te garanderen en om te voorkomen dat de woning leeg zal staan, het woonbelang van [gedaagde] worden afgewogen.
De belangen van [gedaagde] om in de woning te mogen blijven wonen wegen zwaar. Dit betekent evenwel niet dat nooit tot ontruiming overgegaan zou mogen worden. De vordering van De Woonplaats kan worden toegewezen als (i) het belang van De Woonplaats zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] en (ii) dit belang de gevraagde voorziening – ontruiming – rechtvaardigt. De vraag is of dit nu al het geval is en de kantonrechter oordeelt van niet. Dat baseert op het volgende.
5.8.
[gedaagde] betwist niet dat er in november en december 2025 twee incidenten hebben plaatsgevonden. De kantonrechter oordeelt dat De Woonplaats voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze incidenten bij omwonenden het gevoel van veiligheid heeft aangetast. Maar dat sprake is van ernstige en structurele overlast en concrete klachten, zonder dat er uitzicht op verbetering bestaat, heeft De Woonplaats naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt. De Woonplaats heeft ter zitting gesteld (wat door [gedaagde] wordt betwist) dat er eerder klachten zijn geweest over [gedaagde] . De kantonrechter oordeelt dat De Woonplaats de door haar gestelde klachten niet met stukken heeft onderbouwd. Dat er eerder ook incidenten hebben plaatsgevonden, is ook niet komen vast te staan. Van ernstige en structurele overlast is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter dan ook niet gebleken.
5.9.
Niet in geschil is dat ten aanzien van [gedaagde] een zorgmachtiging is afgegeven en dat Mediant een psychische stoornis bij [gedaagde] heeft vastgesteld. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gedragingen in november en in december 2025 zijn veroorzaakt door die psychische stoornis. Het staat vast dat [gedaagde] daarvoor onder gedwongen behandeling staat. De kantonrechter leidt uit dat wat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard af dat niet valt uit te sluiten dat die behandeling succesvol zal zijn, waardoor niet valt uit te sluiten dat vervolgens ook geen sprake meer zal zijn van een tekortkoming als [gedaagde] in de woning terugkeert. De Woonplaats heeft naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat te verwachten valt dat de buren opnieuw in de situatie komen als die van november en december 2025, gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] . Mediant acht het wegvallen van de woning bovendien niet in het belang van [gedaagde] en van zijn behandeling. Zij heeft ter zitting gezegd dat er (op korte termijn) geen andere woonoplossing is voor [gedaagde] , bijvoorbeeld in de vorm van beschermd wonen, en dat niet valt uit te sluiten dat [gedaagde] bij een ontruiming op straat komt te staan of bij een instelling moet verblijven zoals het Leger des Heils.
5.10.
Hoewel het standpunt van De Woonplaats en haar belang bij een ontruiming op zichzelf begrijpelijk zijn, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden in dit geval zwaarder weegt. De incidenten leveren op zichzelf een ernstige tekortkoming op, maar deze tekortkoming is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet van zodanige aard, dat het niet waarschijnlijk is dat de kantonrechter in een bodemprocedure onder deze omstandigheden de ontbinding en ontruiming zal uitspreken.
5.11.
De kantonrechter zal de gevorderde ontruiming dan ook afwijzen. De overige verweren die [gedaagde] met betrekking tot de ontruiming heeft aangevoerd, behoeven daarom geen bespreking meer.
De huurachterstand
5.12.
De Woonplaats vordert betaling door [gedaagde] van de huurachterstand. Een voorziening in kort geding die ziet op een veroordeling tot betaling van een geldsom, moet terughoudend worden beoordeeld. De kantonrechter zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van De Woonplaats op [gedaagde] voldoende aannemelijk is, maar ook of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. De kantonrechter betrekt in de afweging van de belangen van partijen mede de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling. Dit risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
5.13.
De kantonrechter overweegt als volgt. [gedaagde] heeft de huurachterstand niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter oordeelt dat De Woonplaats voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] gehouden is om de huurachterstand te voldoen. De kantonrechter is echter van oordeel dat De Woonplaats onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorlopige voorziening. De kantonrechter weegt daarbij mee dat [gedaagde] bij de mondelinge behandeling heeft gezegd en met stukken heeft onderbouwd dat ten behoeve van hem via Mediant onderbewindstelling en mentorschap is aangevraagd. Ook heeft hij aangevoerd dat de bewindvoerder een uitkering en/of toeslagen ten behoeve van [gedaagde] kan aanvragen. Tegen deze achtergrond en om eventuele executieproblemen te vermijden, oordeelt de kantonrechter dat De Woonplaats er onvoldoende spoedeisend belang bij heeft dat uit hoofde daarvan een onmiddellijke voorziening vereist is. De kantonrechter zal dit deel van de vordering daarom afwijzen.
De tussenconclusie
5.14.
Nu de primaire vordering van De Woonplaats wordt afgewezen, zal de kantonrechter de subsidiaire vordering van De Woonplaats beoordelen.
De kantonrechter legt aan [gedaagde] een gedragsaanwijzing op
5.15.
De Woonplaats vordert subsidiair dat de kantonrechter aan [gedaagde] een ordemaatregel oplegt, met de door haar gevorderde inhoud. [gedaagde] heeft bij de mondelinge behandeling gezegd bereid te zijn zich aan een dergelijke gedragsaanwijzing te houden, waarbij hij een kanttekening heeft geplaatst bij een aantal onderdelen van de door De Woonplaats gevorderde gedragsaanwijzing.
5.16.
De kantonrechter overweegt dat aan de huurder een gedragsaanwijzing kan worden opgelegd als specifiek gedrag van de huurder als onwenselijk wordt ervaren. Deze gedragsaanwijzing dient voldoende specifiek te zijn, zodat de huurder begrijpt welk gedrag niet wordt toegestaan. De kantonrechter overweegt dat De Woonplaats ook bij de door haar gevorderde gedragsaanwijzing moet stellen dat zij daar een spoedeisend belang heeft. [gedaagde] heeft ter zitting gezegd in te kunnen stemmen met het opleggen van een gedragsaanwijzing als zodanig.
5.17.
De kantonrechter zal de gevorderde gedragsaanwijzing toewijzen, maar hij zal de inhoud van de gedragsaanwijzing wel beperken. In de gedragsaanwijzing zal onder meer komen te staan dat [gedaagde] geen overlast mag veroorzaken aan omwonenden en dat [gedaagde] zich jegens omwonenden, medewerkers van De Woonplaats en door De Woonplaats ingeschakelde derden constructief en welwillend moet opstellen. De kantonrechter wijst de gevorderde voorwaarden onder c, d, e, h en j af, omdat De Woonplaats onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij daar een spoedeisend belang bij heeft. De kantonrechter wijst de gevorderde voorwaarde onder g af, omdat er een zorgmachtiging is afgegeven voor een behandeling bij Mediant. De gevorderde voorwaarde onder i zal de kantonrechter afwijzen, omdat [gedaagde] ter zitting heeft gezegd en met stukken heeft onderbouwd dat via Mediant onderbewindstelling en mentorschap zijn aangevraagd. Daarnaast geldt voor de gevorderde voorwaarden onder g tot en met j dat De Woonplaats onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd op grond waarvan [gedaagde] hiertoe verplicht is.
De proceskosten
5.18.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6.De beslissing
De kantonrechter
6.1.
legt [gedaagde] de volgende gedragsaanwijzing op:
a) [gedaagde] zal het gehuurde als een goed huurder in de zin van de huurovereenkomst, de algemene huurvoorwaarden en artikel 7:213 BWPro bewonen en uitsluitend gebruiken als woonruimte;
b) [gedaagde] zal aan omwonenden geen enkele overlast veroorzaken en zich onthouden van geschreeuw, agressief gedrag en/of geweld in- en rondom de woning aan de [adres 1] ;
c) [gedaagde] zal zich jegens omwonenden, medewerkers van De Woonplaats en door De Woonplaats ingeschakelde derden constructief en welwillend opstellen.
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.W. van Tol en op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Marsman.
Voetnoten
1.In het petitum staat de woning aan de [adres 2] . De kantonrechter begrijpt dat dit de woning aan de [adres 1] moet zijn.
2.In het petitum staat ‘constructies’. De kantonrechter begrijpt dat hiermee ‘constructief’ wordt bedoeld.