Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2028

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
11499931 \ CV EXPL 25-208
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 3 lid 1 samenlevingsovereenkomstArtikel 4 lid 1 samenlevingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding investeringen woning en verrekening kosten huishouding na beëindiging samenleving

Partij A en partij B hebben samengewoond en hun samenleving in 2022 beëindigd. Partij A vordert vergoeding van investeringen in de woning en aflossingen op de hypothecaire geldlening. Partij B stelt in reconventie een verrekeningsvordering wegens hogere bijdragen aan de huishoudkosten.

De kantonrechter heeft partijen meerdere malen in de gelegenheid gesteld om nadere berekeningen en stukken te overleggen, waaronder over het netto-inkomen van partijen, de verdeelsleutel en de kosten van de huishouding. Uit de stukken blijkt dat partij B meer heeft bijgedragen aan de huishoudkosten dan haar aandeel volgens de verdeelsleutel, zodat partij A dit bedrag aan haar moet terugbetalen.

De kantonrechter oordeelt dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening niet tot de kosten van de huishouding behoren, maar dat de hypotheekrente en boeterente wel als zodanig gelden. Na verrekening van de vorderingen blijft partij B een bedrag van € 11.339,76 aan partij A verschuldigd, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.

Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Partij B wordt veroordeeld tot betaling van € 11.339,76 aan partij A, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11499931 \ CV EXPL 25-208
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A],
gemachtigde: mr. O. Surquin,
tegen
[partij B],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: mr. C.E. Willemsen.

1.De zaken in het kort

1.1.
[partij A] en [partij B] hebben samengewoond. Zij hebben in 2022 hun samenleving beëindigd. [partij A] vordert in conventie vergoeding van de door hem gedane investeringen in de woning en de door hem betaalde gedeeltelijke aflossingen op de hypothecaire geldlening. [partij B] stelt in reconventie dat zij een verrekeningsvordering heeft op [partij A], omdat zij een aantal jaren tijdens de samenleving meer zou hebben bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan [partij A].
1.2.
De kantonrechter heeft partijen bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 en van 2 december 2025 in de gelegenheid gesteld opnieuw berekeningen over te leggen voor het bepalen van de hoogte van de vergoedingsrechten die partijen over en weer menen te hebben. Partijen hebben bij akte opnieuw berekeningen overgelegd. De kantonrechter oordeelt in reconventie dat [partij B] meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waar zij volgens de verdeelsleutel toe was gehouden. [partij A] moet het bedrag dat [partij B] te veel heeft bijgedragen aan haar (terug)betalen. De kantonrechter oordeelt in conventie dat [partij B] nog een bedrag moet betalen aan [partij A] voor de door hem gedane investeringen in de woning en de door hem verrichte betalingen overeenkomstig haar eigendomsaandeel in de woning. Dit bedrag is hoger dan het bedrag dat [partij A] in reconventie aan [partij B] moet betalen, zodat [partij B] na verrekening nog een bedrag aan [partij A] moet betalen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 december 2025 van de kantonrechter van deze rechtbank;
- de akte uitlating na tussenvonnis tevens vermeerdering van eis met producties van 20 januari 2026 aan de zijde van [partij A];
- de akte uitlating na tussenvonnis met producties van 20 januari 2026 aan de zijde van [partij B];
- de antwoordakte van 17 februari 2026 aan de zijde van [partij B];
- de antwoordakte met producties van 3 maart 2026 aan de zijde van [partij A].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie
De inleiding
3.1.
In de onderhavige zaak heeft de mondelinge behandeling op 14 juli 2025 plaatsgevonden. De mondelinge behandeling is in beginsel het sluitstuk van de procedure. Nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, wijst de rechter normaliter eindvonnis. Dit betekent dan ook dat uiterlijk op de mondelinge behandeling partijen hun standpunten naar voren dienen te brengen. De kantonrechter heeft in deze zaak op 12 augustus 2025 en op 2 december 2025 tussenvonnis gewezen. De kantonrechter heeft in deze tussenvonnissen een deel van de geschilpunten tussen partijen beoordeeld en hierop beslist. Zij heeft daarnaast partijen bij voornoemde tussenvonnissen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een aantal nader omschreven onderdelen. Het is niet de bedoeling dat een partij zich alsnog uitlaat over punten die zij, gelet op het partijdebat, ofwel voorafgaand aan [1] dan wel uiterlijk tijdens de mondelinge behandeling aan (had) moeten voeren. Het is uiteraard het goed recht van [partij A] om hoger beroep in te stellen indien hij meent dat daartoe aanleiding bestaat. Daarbij kan hij ook de onderdelen aanvoeren waarvan hij nogmaals bepleit dat de kantonrechter op die punten had moeten terugkomen van een bindende eindbeslissing. [partij A] heeft in beginsel gelijk dat de kantonrechter partijen in de gelegenheid had moeten stellen zich uit te laten over (het verzoek om) terug te komen een bindende eindbeslissing, maar nu partijen dat alsnog in de aktes die hierna zijn genomen, hebben gedaan, is daarmee dat punt hersteld.
3.2.
De kantonrechter zal hierna eerst de vordering in reconventie verder beoordelen, omdat [partij B] in reconventie stelt een vordering op [partij A] te hebben die hoger is dan de vordering van [partij A] in conventie. De kantonrechter zal daarbij eerst de geschilpunten behandelen waarover partijen zich bij (antwoord)akte van 20 januari en 17 februari c.q. 3 maart 2026 mochten uitlaten. De kantonrechter zal daarna de overige openstaande geschilpunten in reconventie behandelen en hierbij op een enkel onderdeel ingaan op de opmerkingen van [partij A]. Tot slot zal de vordering in conventie worden behandeld.
in reconventie
3.3.
De kantonrechter heeft partijen in reconventie bij tussenvonnis van 2 december 2025 in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over die onderdelen zoals in het tussenvonnis is opgenomen. Voor [partij A] betreffen dit (1) het in het geding brengen van de onderliggende stukken van de belastingteruggave ad. € 3.754,00 en de belastingaanslag ad. € 11.222,00 en, voor zover aan de orde, het overleggen van een nieuwe berekening van het netto-inkomen van [partij A] (overweging 3.14. van het tussenvonnis van 2 december 2025), en (2) toe te lichten of de overboeking van € 26.500,00 van [partij A] naar [partij B] al is inbegrepen in het bedrag van € 206.120,00 aan kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] (overweging 3.18. van het tussenvonnis van 2 december 2025). Voor [partij B] betreffen dit dezelfde twee punten als de punten waarover [partij A] zich bij akte mocht uitlaten, en daarnaast het inzichtelijk maken wat haar netto-inkomen in de relevante periode is geweest (overweging 3.15. van het tussenvonnis van 2 december 2025). Partijen mochten vervolgens op deze punten een antwoordakte nemen. De kantonrechter zal zich bij de verdere beoordeling ook beperken tot die punten, het overige wordt als zijnde tardief niet beoordeeld.
De belastingteruggave, de belastingaanslag en het netto-inkomen van [partij A]
3.4.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 2 december 2025 geconstateerd dat partijen beide uitgaan van een totaal netto-inkomen van [partij A] over de relevante periode van € 300.083,00, waarbij rekening is gehouden met de verschuldigde IB en premie volksverzekeringen. [2] Op dit totale netto-inkomen dienen de gage, de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw en de premies inkomensverzekering in mindering te worden gebracht. De kantonrechter heeft bij voornoemde tussenvonnis overwogen dat het de kantonrechter niet inzichtelijk is waar de belastingteruggave van € 3.754,00 en de belastingaanslag van € 11.222,00 die door [partij A] worden opgeteld c.q. in mindering gebracht op zijn inkomen, betrekking op hebben. De kantonrechter heeft partijen bij tussenvonnis van 2 december 2025 in de gelegenheid gesteld de onderliggende stukken van deze belastingteruggave en belastingaanslag in het geding te brengen en, voor zover aan de orde, een nieuwe berekening over te leggen van het netto-inkomen van [partij A].
3.5.
[partij A] en [partij B] hebben bij akte van 20 januari en bij antwoordakte van 17 februari c.q. 3 maart 2026 opnieuw berekeningen overgelegd.
3.6.
[partij A] voert bij akte aan dat het totale netto-inkomen van [partij A] over de relevante periode € 278.986,00 bedroeg, waarbij rekening is gehouden met de door hem betaalde belasting en de door hem afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. De bedragen waarmee [partij A] zijn totale netto-inkomen heeft berekend, heeft hij ontleend aan de als productie 3 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie in het geding gebrachte aangiften van 2017 tot en met 2021, aldus [partij A].
3.7.
[partij B] voert bij akte aan dat het totale netto-inkomen van [partij A] over de relevante periode € 278.865,00 bedroeg. Dit bedrag is berekend door de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw, de premies inkomensverzekering en de gage van in totaal € 21.218,00 [3] in mindering te brengen op het totale netto-inkomen van € 300.083,00, aldus [partij B].
3.8.
[partij A] voert bij antwoordakte aan dat de berekening van [partij B] van het totale netto-inkomen van [partij A] niet te volgen is. [partij A] zegt dat zijn totale netto-inkomen € 278.986,00 bedroeg en dat er met dit bedrag gerekend moet worden.
3.9.
De kantonrechter oordeelt dat [partij B] onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van een lager (€ 121,00 berekend over vijf jaar) totaal netto-inkomen van [partij A] dient te worden uitgegaan. De kantonrechter zal daarom bij de verdere beoordeling uitgaan van het totale netto-inkomen van [partij A] zoals [partij A] dit heeft berekend. Het is de kantonrechter op basis van de toelichting van partijen echter (nog steeds) niet inzichtelijk waar de belastingteruggave van € 3.754,00 en de belastingaanslag van € 11.222,00 betrekking op hebben. De betreffende stukken zijn door partijen ook niet overgelegd. Nu partijen het echter nagenoeg eens zijn over het totale netto-inkomen van [partij A] waarmee moet worden gerekend, laat de kantonrechter laat de posten van € 3.754,00 en € 11.222,00 om die reden buiten beschouwing. Het overige behoeft geen verdere behandeling meer.
Het netto-inkomen van [partij B]
3.10.
De kantonrechter heeft [partij B] bij tussenvonnis van 2 december 2025 in de gelegenheid gesteld om inzichtelijk te maken wat haar totale netto-inkomen in de relevante periode is geweest en zij dient hierbij te verwijzen naar de relevante producties.
3.11.
[partij B] heeft haar totale netto-inkomen bij akte toegelicht. Zij voert aan dat haar totale netto-inkomen over de relevante periode € 107.197,00 bedroeg.
3.12.
[partij A] voert bij antwoordakte aan dat het door [partij B] gestelde totale netto-inkomen uit arbeid juist is. [partij A] voert daarnaast bij antwoordakte aan dat uit de door [partij B] bij akte van 20 januari 2026 overgelegde aangifte IB van 2017 blijkt dat zij naast inkomen uit arbeid ook inkomen uit vermogen (box 2) heeft genoten ter hoogte van € 25.712,00. Volgens [partij A] staat in artikel 3.1. van de samenlevingsovereenkomst onder welke voorwaarden een box 2-vermogen (inkomen uit vermogen) meegerekend dient te worden in de bepaling van een verdeling van de kosten van de huishouding.
3.13.
De kantonrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat het totale netto-inkomen van [partij B] over de relevante periode € 107.197,00 bedroeg. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling daarom van dit totale netto-inkomen uitgaan. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [partij A] dat [partij B] ook inkomen uit vermogen (box 2) zou hebben genoten. Uit de door de accountant van [partij A] opgestelde aangifte IB van 2017 blijkt dat dit inkomen uit
aanmerkelijk belang(box 2) betreft. Het is [partij A] die een onderneming drijft en niet [partij B]. Inkomen uit vermogen is inkomen in box 3 en daar is naar het oordeel van de kantonrechter niet van gebleken. Dat wat [partij A] naar aanleiding van deze stelling verder nog heeft aangevoerd, kan dan ook onbesproken blijven.
De bijdrage van [partij A] van € 26.500,00 aan de kosten van de huishouding
3.14.
De kantonrechter heeft partijen bij tussenvonnis van 2 december 2025 in de gelegenheid gesteld toe te lichten of de bijdrage van € 26.500,00 van [partij A] naar [partij B] al is inbegrepen in het bedrag van € 206.120,00 aan kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A].
3.15.
[partij B] voert bij akte aan dat het juist is dat de bijdrage van € 26.500,00 van [partij A] reeds is meegenomen in zijn totale uitgaven ten behoeve van de huishouding ter hoogte van € 206.120,00. [partij B] verwijst hiervoor naar productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie. [partij B] heeft daarnaast een uitdraai van deze transactie als productie 8 bij haar akte overgelegd.
3.16.
[partij A] voert bij antwoordakte, kort gezegd, aan dat uit de door [partij B] bij akte overgelegde productie 9 (de kantonrechter begrijpt productie 8) blijkt dat [partij A] in werkelijkheid € 30.700,00 heeft overgeboekt naar [partij B], in tegenstelling tot het bedrag van € 27.700,00 dat [partij B] zegt te hebben ontvangen van [partij A]. [partij A] verzoekt de kantonrechter het volgens [partij A] correcte bedrag van € 30.700,00 over te nemen.
3.17.
De kantonrechter overweegt als volgt. [partij A] heeft de stelling en de daarop gegeven toelichting van [partij B] dat de bijdrage van € 26.500,00 al is inbegrepen in het bedrag van € 206.120,00 als zodanig niet weersproken, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van [partij A] om het volgens [partij A] correcte bedrag van € 30.700,00 over te nemen en zij motiveert dit oordeel als volgt. [partij A] heeft bij conclusie van antwoord in reconventie onder randnummer 27 aangevoerd dat hij een bedrag van € 26.500,00 aan kosten van de huishouding heeft overgemaakt naar [partij B] en dat zij dit bedrag ten onrechte in haar berekeningen heeft opgevoerd als kosten die door haarzelf zijn betaald. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 overwogen dat partijen het erover eens zijn dat [partij A] gedurende de gevorderde periode € 26.500,00 van zijn privérekening heeft overgemaakt naar de privérekening van [partij B] en dat dit bedrag is gebruikt voor de kosten van de huishouding. De stelling van [partij A] dat het correcte bedrag € 30.700,00 is, is naar het oordeel van de kantonrechter een nieuwe stelling die eerder, bij de conclusie van antwoord in reconventie, dan wel bij de mondelinge behandeling als reactie op de door [partij B] bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie overgelegde Excel-bestanden, aangevoerd had kunnen (en moeten) worden. Bovendien is deze stelling ook niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Die onderbouwing volgt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit het door [partij B] bij akte van 20 januari 2026 overgelegde transactieoverzicht, nu daar ook bedragen in staan vermeld die, de kantonrechter begrijpt, niet zijn bedoeld voor de kosten van de huishouding. In dit overzicht staan namelijk bedragen vermeld met als omschrijving ‘Poen voor de spaarrekeningen’ en ‘Gewoon geld’.
De tussenconclusie
3.18.
Het voorgaande betekent dat de kantonrechter bij de verdere beoordeling van de vordering in reconventie van het volgende uitgaat:
  • het netto-inkomen van [partij A] over de relevante periode bedroeg € 278.986,00;
  • het netto-inkomen van [partij B] over de relevante periode bedroeg € 107.197,00;
  • de bijdrage van € 26.500,00 van [partij A] naar [partij B] is inbegrepen in het bedrag van € 206.120,00 aan kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A].
De overige openstaande geschilpunten
3.19.
De kantonrechter zal de overige geschilpunten waarover zij bij eerdere tussenvonnissen niet heeft beslist hierna behandelen. Dit betreffen de volgende punten:
de verdeelsleutel;
de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] en de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij B];
het gestelde vergoedingsrecht.
a. de verdeelsleutel
3.20.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 overwogen dat de verdeelsleutel die aanvankelijk door partijen is aangevoerd, verandert nu de totale netto-inkomens van partijen zijn gewijzigd. De kantonrechter heeft [partij A] en [partij B] bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 in de gelegenheid gesteld om voor het berekenen van de verdeelsleutel nieuwe berekeningen onderbouwd te overleggen. Partijen hebben bij akte van 9 september 2025 nieuwe berekeningen overgelegd. De kantonrechter leidt uit de door partijen overgelegde berekeningen af dat partijen de verdeelsleutel hebben berekend conform artikel 3 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Nu het totale netto-inkomen van partijen weer is gewijzigd, zal de kantonrechter de verdeelsleutel hierna berekenen conform deze berekeningsmethode berekenen.
3.21.
De kantonrechter stelt vast dat het gezamenlijk netto-inkomen van partijen over de relevante periode € 386.183,00 bedroeg. Dat wil zeggen € 278.986,00 aan de zijde van [partij A] en € 107.197,00 aan de zijde van [partij B] (overweging 3.9 en 3.11 van dit vonnis). Dit betekent dat [partij A] 72,24% [4] van het gezamenlijk inkomen heeft ingebracht en dat [partij B] 27,76% [5] van het gezamenlijk inkomen heeft ingebracht. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling van deze verdeelsleutel uitgaan.
b. de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] en de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij B]
3.22.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 2 december 2025 beslist uit te gaan van het bedrag van € 139.013,00 aan kosten van de huishouding aan de zijde van [partij B] waar ook [partij A] in zijn akte na tussenvonnis van 9 september 2025 van is uitgegaan (overweging 3.16. van het tussenvonnis van 2 december 2025).
Zoals hiervoor in 3.17 is overwogen, is de bijdrage van € 26.500,00 van [partij A] naar [partij B] al inbegrepen in de door [partij A] opgestelde berekening van de kosten van de huishouding van zijn zijde ter hoogte van € 206.120,00. De kantonrechter zal bij de verdere beoordeling van de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] het bedrag van € 206.120,00 als uitgangspunt nemen.
3.23.
De kantonrechter gaat bij de berekening van de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] en van [partij B] uit van de hiervoor genoemde uitgangspunten en zal in het onderstaande hierop nog de volgende correcties aanbrengen.
de aflossing op de hypothecaire geldlening van € 13.004,00
3.24.
Bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 is overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de aflossing op de hypothecaire geldlening niet als kosten van de huishouding kwalificeert. Omdat partijen niet inzichtelijk hadden gemaakt wie deze gelden heeft aangebracht die zijn aangewend voor de aflossing op de hypothecaire geldlening en ook niet duidelijk was waarom [partij B] deze gelden in haar handgeschreven, gecorrigeerde berekening wel in mindering heeft gebracht op de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A], zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover nader uit te laten.
3.25.
[partij B] heeft bij akte van 9 september 2025 toegelicht dat een bedrag van € 16.054,31 door haar is aangebracht dat is aangewend voor de aflossing op de hypothecaire geldlening en dat een bedrag van € 32.234,20 door haar is aangebracht dat is aangewend voor betaling van de hypotheekrente. Het bedrag dat is aangewend voor de aflossing op de hypothecaire geldlening heeft zij conform het tussenvonnis buiten beschouwing gelaten waar het de verdeelsleutel van de kosten van de huishouding betreft, aldus [partij B].
3.26.
[partij A] heeft bij akte van 9 september 2025 toegelicht dat uit de jaaroverzichten van de hypothecaire geldlening van partijen in de periode van 2017 tot en met 2021 kan worden afgeleid dat partijen een bedrag van € 30.406,00 aan hypotheekrente, een bedrag van € 41.631,00 aan aflossing op de hypothecaire geldlening, een bedrag van € 10.251 aan boeterente, en een bedrag van € 225,00 aan administratiekosten hebben betaald. De totale hypotheeklasten bedragen afgerond € 82.288,51. [partij A] erkent dat dit overeenkomt met het bedrag dat [partij B] in de door haar ingediende berekening aan hypotheeklasten heeft opgevoerd. Volgens [partij A] leiden de door partijen verrichte betalingen tot het volgende overzicht:
Hypotheekrente
Aflossing
Boeterente
[partij B]
30.406,02
16.054,31
2.251,28
[partij A]
--
25.576,90
8.000,00
Totaal
30.406,02
41.631,21
10.251,28
Dit overzicht komt volgens [partij A] overeen met de door [partij B] ingediende berekeningen. [partij A] heeft daarnaast bij akte van 9 september 2025 toegelicht dat uit de door [partij B] ingediende berekeningen blijkt dat zij aan de zijde van [partij A] een bedrag van € 34.000,00 aan hypotheeklasten heeft opgevoerd. Conform het tussenvonnis moet dit bedrag volgens [partij A] worden verminderd met een bedrag van € 433,00. Dit is namelijk het restant van de aflossing op de hypothecaire geldlening dat is gebruikt voor het voldoen van de kosten van de huishouding. Verder blijkt uit de door [partij B] ingediende berekeningen dat zij aan haar zijde een bedrag van € 48.288,51 aan resterende hypotheeklasten heeft opgevoerd. Dit komt volgens [partij A] overeen met het bovenstaande overzicht.
3.27.
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de door partijen ingediende berekeningen en de daarop gegeven toelichting stelt de kantonrechter vast dat de totale hypotheeklasten van partijen in de relevante periode afgerond een bedrag van € 82.288,51 bedroegen, bestaande uit: € 30.406,02 aan hypotheekrente, € 41.631,21 aan aflossing op de hypothecaire geldlening en € 10.251,28 aan boeterente. Van dit totaalbedrag heeft [partij A] een bedrag van € 33.576,90 [6] en [partij B] een bedrag van € 48.711,61 [7] aangebracht.
De kantonrechter begrijpt dat [partij B] deze betalingen in de door haar ingediende berekeningen heeft opgevoerd als € 34.000,00 aan de zijde van [partij A] en € 48.288,51 aan de zijde van [partij B]. [8] De kantonrechter stelt op grond van de door partijen ingediende stukken vast dat:
- [partij A] een bedrag van € 33.576,90 heeft aangebracht, bestaande uit: € 25.576,90 aan aflossing op de hypothecaire geldlening en € 8.000,00 aan boeterente;
- [partij B] een bedrag van € 48.711,61 heeft aangebracht, bestaande uit: € 30.406,02 aan hypotheekrente, € 16.054,31 aan aflossing op de hypothecaire geldlening en € 2.251,28 aan boeterente.
[partij B] heeft in de gecorrigeerde berekening een bedrag van € 13.004,00 aan aflossing op de hypothecaire geldlening meegenomen als kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A]. Zoals meerdere keren overwogen dient de aflossing op de hypothecaire geldlening niet aangemerkt te worden als kosten van de huishouding, alleen de betaalde hypotheek- en boeterente gelden als kosten van de huishouding. Verder begrijpt de kantonrechter uit de aktes van beide partijen dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening in de periode 2017 tot en met 2021 geen € 38.581,00 behelsden zoals opgenomen r.o. 5.54 van het tussenvonnis van 12 augustus 2025, maar € 41.631,21, zodat, rekening houdend met de aflossing van [partij A] van € 25.576,90, [partij B] een bedrag van € 16.054,31 heeft afgelost [9] .
3.28.
Zoals de kantonrechter bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 heeft beslist, kwalificeert de aflossing op de hypothecaire geldlening niet als kosten van de huishouding. Dit betekent dat de aflossing op de hypothecaire geldlening van € 25.576,90 door [partij A] en € 16.054,31 door [partij B] geen kosten van de huishouding zijn. De betalingen die zijn aangewend voor betaling van de hypotheekrente en de boeterente kwalificeren daarentegen wel als kosten van de huishouding. De kantonrechter neemt aan dat het bedrag van € 32.234,20 aan hypotheekrente dat [partij B] bij akte van 9 september 2025 als kosten van de huishouding aan haar zijde heeft opgevoerd, de door aangebrachte hypotheekrente en boeterente behelst [10] , zodat de kantonrechter vaststelt dat uit de opnieuw door [partij A] en [partij B] overgelegde berekeningen blijkt dat zij de door partijen aangebrachte gelden die zijn aangewend voor betaling van de hypotheekrente en de boeterente als kosten van de huishouding hebben meegenomen.
3.29.
De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [partij A] dat het bedrag van € 34.000,00 aan hypotheeklasten van [partij A] moeten worden vermeerderd met € 225,00 aan administratiekosten. Niet alleen is dit een nieuwe stelling die naar het oordeel van de kantonrechter eerder aangevoerd had kunnen (en moeten) worden, maar ook omdat deze kosten blijkens de door [partij A] gegeven toelichting in 2022 zijn betaald en daarmee buiten de gevorderde periode vallen.
de correcties
3.30.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 en 2 december 2025 beslist dat de volgende correcties dienen te worden aangebracht op de kosten van de huishouding:
- aan partijen wordt een gelijkelijk deel van het eindsaldo van € 501,00 van de gemeenschappelijke bankrekening als kosten van de huishouding toebedeeld (50/50) (overweging 5.29. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- de belastingteruggaven IB van [partij A] vallen niet onder de kosten van de huishouding (overweging 5.35. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- de post ‘tweedehandsauto’ van € 7.000,00 dient te worden meegenomen als kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] (overweging 5.37. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- de post ‘boeterente’ van € 8.000,00 dient te worden meegenomen als kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] (overweging 5.39. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- het restant van de aflossing op de hypothecaire geldlening van € 433,00 dient te worden meegenomen als kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] (overweging 5.41. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- de post ‘kinderbijslag’ van € 11.109,00 kwalificeert niet als kosten van de huishouding (overweging 5.44. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- de schenking van de vader van [partij B] van € 500,00 kwalificeert niet als kosten van de huishouding en moet in mindering worden gebracht op de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij B]. De schenking van de moeder van [partij A] van € 124,00 kwalificeert wel als kosten van de huishouding en moet worden opgeteld bij de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] (overweging 5.53. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025);
- de bijdrage [partij A] van € 26.500,00 aan [partij B] voor de kosten van de huishouding moet in mindering gebracht worden op de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij B] (overweging 5.47. van het tussenvonnis van 12 augustus 2025).
Verder zijn de kosten voor het plaatsen van de dakkapel, zoals [partij A] bij akte van 9 september 2025 aanvoert, geen kosten van de huishouding. Deze kosten ter hoogte van € 7.822,00 dienen om die reden niet mee te worden genomen als kosten van de huishouding.
3.31.
Het voorgaande betekent dat de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij A] in de relevante periode € 217.859,50 [11] bedroegen en dat de kosten van de huishouding aan de zijde van [partij B] in de relevante periode € 85.100,19 [12] bedroegen.
De conclusie
3.32.
Het voorgaande betekent [partij A] volgens de verdeelsleutel 72,24% en [partij B] 27,76% van de kosten van de huishouding dienden te voldoen. De totale kosten van de huishouding bedroegen € 302.959,69 [13] . Volgens de verdeelsleutel diende [partij A] € 218.858,08 [14] en [partij B] € 84.101,61 [15] aan kosten van de huishouding te voldoen. [partij B] heeft € 85.100,19 voldaan, zodat [partij A] het teveel door [partij B] bijgedragene ter hoogte van € 998,58 [16] aan haar dient te vergoeden.
in conventie en in reconventie
3.33.
Nu uit hetgeen hiervoor is overwogen in reconventie blijkt dat [partij A] nog een bedrag aan [partij B] verschuldigd is, is de vermeerdering van eis in conventie aan de zijde van [partij A] niet aan de orde.
3.34.
[partij A] vordert in conventie dat [partij B] een bedrag van € 20.615,50 betaalt voor de door hem gedane investeringen in de woning en de door hem verrichte betalingen overeenkomstig haar eigendomsaandeel in de woning. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 2 december 2025 beslist om terug te komen van haar oordeel van de eerdere (bindende eind)beslissing in conventie. De aflossing op de hypothecaire geldlening van € 16.054,31 van [partij B] is niet aan te merken als kosten van de huishouding, maar valt onder artikel 4 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst en deze post zal meegenomen dienen te worden bij de berekening van de vordering in conventie.
De kantonrechter heeft verder bij tussenvonnis van 12 augustus 2025 beslist dat de schenking van de vader van [partij B] ter hoogte van € 500,00 dient te worden meegenomen bij de berekening van de vordering in conventie.
3.35.
Het voorgaande betekent dat de vordering in conventie van [partij A] dient te worden verminderd met € 8.277,16 [17] , zodat [partij B] in conventie nog een bedrag van € 12.338,34 [18] aan [partij A] dient te betalen. De kantonrechter zal dit deel van de vordering toewijzen minus hetgeen [partij A] aan [partij B] verschuldigd is uit hoofde van het in reconventie gevorderde. Dit betekent per saldo dat [partij B] aan [partij A] een bedrag van € 11.339,76 dient te voldoen.
[partij B] is de wettelijke rente verschuldigd
3.36.
[partij A] vordert betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het bedrag dat [partij B] aan [partij A] moet betalen vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling. [partij B] heeft deze stelling niet weersproken. De kantonrechter zal de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding (19 november 2024) toewijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.37.
[partij B] betwist dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard wanneer een gedeelte van de vordering van [partij A] wordt toegewezen, en zij verzoekt de kantonrechter dit vonnis in dat geval niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter wijst dit verzoek af, omdat [partij B] niet althans onvoldoende heeft onderbouwd welk belang zij heeft bij behoud van de bestaande toestand totdat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft of op een eventueel rechtsmiddel is beslist. De kantonrechter zal dit vonnis, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
De kantonrechter compenseert de proceskosten
3.38.
De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren omdat zij ex-partners zijn. Dit betekent dat [partij A] en [partij B] ieder de eigen kosten dragen.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
4.1.
veroordeelt [partij B] tot betaling van € 11.339,76 aan [partij A], te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
4.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.

Voetnoten

1.In de conclusie van antwoord in (re)conventie.
2.Productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie tevens inhoudende eis in reconventie, ‘Inkomen en verdeelsleutel [partij A] en [partij B]’, onder het tabblad ‘Inkomsten [partij A] en [partij B]’, regel 24. En randnummer 30 onder ‘Inkomen [partij A]’ van de akte uitlating na tussenvonnis van 9 september 2025 aan de zijde van [partij A].
3.€ 12.743,00 aan inkomensafhankelijke bijdrage Zvw + € 4.118,00 aan premies inkomensverzekering + € 4.357,00 aan gage.
4.€ 278.986,00 x 100 / € 386.183,00.
5.€ 107.197,00 x 100 / € 386.183,00.
6.€ 25.576,90 aan aflossing op de hypothecaire geldlening + € 8.000,00 aan boeterente.
7.€ 30.406,02 aan hypotheekrente + € 16.054,31 aan aflossing op de hypothecaire geldlening + € 2.251,28 aan boeterente.
8.Productie 2 bij de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, ‘Samenvatting uitgaven [partij B]’, regel 14.
9.In eerste instantie gingen partijen ervan uit dat op de hypothecaire geldlening een bedrag van € 38.581,00 was afgelost. Dit bedrag minus het bedrag dat [partij A] in conventie noemt (€ 25.557,00) is € 13.004,00. Kennelijk is dit volgens beide partijen toch niet het goede bedrag omdat beiden stellen dat [partij B] € 16.054,00 heeft afgelost.
10.€ 30.406,02 aan hypotheekrente + € 2.251,28 aan boeterente.
11.€ 206.120,00 + € 3.754,00 - € 7.822,00 + € 250,50 + € 7.000,00 + € 8.000,00 + € 433,00 + € 124,00.
12.€ 139.013,00 + € 250,50 - € 16.054,31 - € 500,00 - € 11.109,00 - € 26.500,00.
13.€ 217.859,50 + € 85.100,19.
14.€ 302.959,69 x 72,24%.
15.€ 302.959,69 x 27,76%.
16.€ 85.100,19 - € 84.101,61.
17.€ 16.054,31 + € 500,00 / 2.
18.€ 20.615,5 - € 8.277,16.