5.1.Het is aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. De heffingsambtenaar heeft in dat kader verwezen naar de in beroep overgelegde taxatiematrix, opgesteld door [naam], WOZ-taxateur. In deze matrix wordt geconcludeerd tot een (hogere) waarde van de woning op de waardepeildatum van € 426.000,-.
Bij de waardebepaling is rekening gehouden met de verkoopprijzen van vier vergelijkingsobjecten te Zwolle:
- [adres 2], op 16 november 2022 geleverd voor € 502.502,-;
- [adres 3], op 1 mei 2023 geleverd voor € 552.033,-;
- [adres 4], op 2 juni 2023 geleverd voor € 586.000,-;
- [adres 5], op 26 juli 2024 geleverd voor € 550.221,-.
6. De in de taxatiematrix genoemde vergelijkingsobjecten zijn gezien het type woning (twee-onder-een-kapwoningen), de locatie, het bouwjaar van de hoofdgebouwen (1989), de inhoud van het hoofdgebouw (113 m2 tot 118 m2), de omvang van de kavels en de overige kenmerken naar het oordeel van de rechtbank goed vergelijkbaar met de woning van belanghebbende. Met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning, zoals gebruiksoppervlakte, uitstraling en voorzieningen, is bij de herleiding van de vastgestelde waarde van de woning uit de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten in voldoende mate rekening gehouden. Deze verschillen zijn voorts niet van een zodanige omvang dat de marktgegevens van de vergelijkingsobjecten bij de bepaling van de waarde van de woning niet goed bruikbaar zijn.
De woning is zowel op kwaliteit, onderhoud als voorzieningenniveau gekwalificeerd op 2 (onder gemiddeld). De rechtbank deelt het standpunt van de heffingsambtenaar dat de waarde van de woning hiermee voldoende neerwaarts is gecorrigeerd.
Het standpunt van belanghebbende dat zijn woning een premie a-woning is, en dus kwalitatief lichter/goedkoper gebouwd en daardoor gehoriger dan de vergelijkingsobjecten, is niet door hem met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.
7. Belanghebbende stelt dat met het verstrijken van de tijd de gehanteerde correctiefactoren op de waarde opgehoogd moeten worden voor de toegenomen relatieve achterstand ten opzichte van andere woningen. Volgens belanghebbende wordt er ook geen rekening mee gehouden dat (ver)bouw- en renovatiekosten stijgen.
8. De rechtbank stelt vast dat de referentiewoningen vergelijkbare woningen zijn uit dezelfde bouwperiode. Al deze woningen zijn naar de huidige maatstaven qua bouwnormen in zekere zin gedateerd ten opzichte van de thans in nieuwbouw verplicht toegepaste strengere bouwnormen. Het is echter niet ongebruikelijk dat kopers een woning uit die bouwperiode min of meer strippen en in velerlei opzicht/algeheel vernieuwen en verduurzamen. Dat geldt dus ook voor de referentiewoningen.
9. Tot slot voert belanghebbende aan dat de heffingsambtenaar in het bestreden besluit niet is ingegaan op zijn argument dat de tuin een beperkte recreatieve waarde heeft. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar in het bestreden besluit hierop ingaat.De heffingsambtenaar verwijst naar [adres 6] en [adres 7] die een vergelijkbare ligging en perceelvorm hebben. Bovendien heeft belanghebbende dit standpunt in een eerdere procedure ook naar voren gebracht en is dit door de rechtbank Overijsselen het gerechtshof Arnhem-Leeuwardengemotiveerd verworpen.
10. De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in zijn gronden van beroep en in de schriftelijke reactie van 27 maart 2026 verwijst naar standpunten van de heffingsambtenaar of taxateur uit eerdere procedures omtrent de WOZ-waarde van de woning op andere waardepeildata. Dat is echter in de onderhavige procedure niet relevant.
11. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de waarde van de woning en de aanslag niet te hoog vastgesteld.