Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende
de heffingsambtenaar van het GBLT, de heffingsambtenaar
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
eerstin haar reactie op het verweerschrift van de heffingsambtenaar als
eerste, concreteberoepsgrond - dat de heffingsambtenaar (i) ten onrechte onderscheid maakt in het voorzieningenniveau. De heffingsambtenaar heeft het voorzieningenniveau van haar woning aangemerkt als gemiddeld (3) en dat van de vergelijkingswoningen als beneden gemiddeld (2), ten onrechte omdat uit het taxatierapport blijkt dat de vergelijkingswoningen over eenzelfde keuken beschikken. Dit moet leiden tot een korting van 7% op de taxatiewaarde ad € 409.000,- en onderbouwt € 377.000,- als waarde. Daarnaast (ii) heeft de heffingsambtenaar geen rekening gehouden met de VVE-reserve per woning. Tot slot (iii) wijst belanghebbende op de (lagere) WOZ-waarden van (qua grootte) vergelijkbare appartementen (huisnummers [nummers]) in haar appartementencomplex.
- de foto’s tonen onderscheid aan tussen de verschillende keukens;
- bij de inpandige opname beoordeelde de taxateur de voorzieningen in belanghebbendes woning als gemiddeld;
- belanghebbende heeft zelf schriftelijk verklaard dat haar keuken 5-15 jaar oud is en daarmee gemiddeld scoort;
- de eigenaren van de huisnummers [adres 5] en [adres 4] hebben schriftelijk verklaard dat hun keukens ouder zijn;
- de VvE-reserves liggen per woning tussen € 737,- en € 1.024,-;
- het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat de woningen qua voorzieningenniveau verschillen en daarmee niet gelijk zijn;
- voor zover de rechtbank het voorzieningenniveau alsnog als ondergemiddeld (2) beoordeelt, dan maakt de eigen verklaring van belanghebbende dat geen sprake is van onrechtmatig handelen van de heffingsambtenaar en staat dit in de weg aan een proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep blijkens rechtspraak gepubliceerd in ecli:nl:gharl:2021:6064 en ecli:nl:rbobt:2021:6460.