Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag waterschapsbelasting over 2024, maar diende dit bezwaar te laat in, namelijk op 16 augustus 2024 terwijl de termijn eindigde op 11 augustus 2024. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk en handhaafde de aanslag.
De rechtbank behandelde het beroep op 8 april 2026, waarbij belanghebbende niet aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht was, mede omdat belanghebbende geen reden voor de te late indiening had aangevoerd. De inhoudelijke gronden van het bezwaar werden slechts ten overvloede beoordeeld.
Belanghebbende stelde dat haar woning is aangesloten op een IBA-systeem en dat de aanslag daarom onterecht was. De rechtbank bevestigde dat watersysteemheffing niet afhankelijk is van zuivering, maar wordt geheven voor het beheer van watersystemen, waardoor belanghebbende de heffing verschuldigd blijft.
De rechtbank wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat in de wijk wel zuiveringsheffingen waren vernietigd, maar niet de watersysteemheffing. Het beroep werd ongegrond verklaard, de aanslag bleef in stand en belanghebbende kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.