ECLI:NL:RBOVE:2026:207

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11887748 \ CV EXPL 25-2831
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van openstaande facturen en opschorting van betalingsverplichtingen in het kader van overeenkomsten tot vrachtwagenreparatie

In deze zaak zijn twee overeenkomsten van opdracht gesloten tussen eiser en gedaagden voor de reparatie van een vrachtwagen. Eiser heeft de werkzaamheden uitgevoerd en de bijbehorende facturen verzonden, maar gedaagden hebben deze facturen grotendeels onbetaald gelaten. Gedaagden beroepen zich op opschorting van betaling wegens het niet tijdig leveren van een frontgrill. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op opschorting slechts beperkt gerechtvaardigd was. Eiser heeft zich terecht beroepen op de onzekerheidsexceptie en het retentierecht, en gedaagden zijn in schuldeisersverzuim geraakt. De kantonrechter wijst de vorderingen van eiser toe, inclusief de wettelijke rente en proceskosten. De overeenkomst is niet (partieel) buitengerechtelijk ontbonden, en eiser wordt bevrijd van de verplichting tot levering van de grill.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11887748 \ CV EXPL 25-2831
Vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: Juridisch Adviesbureau Van 't Slot,
tegen

1.de Vennootschap Onder Firma [gedaagde 1],

te [vestigingsplaats 2],
2. de heer
[gedaagde 2],
te [woonplaats 1],
3. mevrouw
[gedaagde 3],
te [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
procederend in persoon.
Samenvatting
Tussen partijen zijn twee overeenkomsten van opdracht gesloten tot reparatie van een vrachtwagen. [eiser] heeft de werkzaamheden uitgevoerd en factureert deze. [gedaagden] hebben de facturen (grotendeels) onbetaald gelaten en beroepen zich op opschorting wegens het niet (tijdig) leveren van een frontgrill (hierna ook: de grill), althans op (partiële) ontbinding van de overeenkomst. De kantonrechter oordeelt dat dit beroep op opschorting slechts zeer beperkt gerechtvaardigd was, dat [eiser] zich terecht heeft beroepen op de onzekerheidsexceptie en het retentierecht en dat [gedaagden] uiteindelijk in schuldeisersverzuim zijn geraakt, zodat hen geen beroep op een opschortingsrecht (meer) toekwam. Ook is de overeenkomst niet (partieel) buitengerechtelijk ontbonden. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen. Dit oordeel wordt in het navolgende toegelicht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 15 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
In december 2024 hebben [gedaagden] [eiser] gevraagd om schade aan verschillende onderdelen (waaronder de bumper en de grill) aan de voor- en zijkant van hun vrachtwagen te herstellen.
2.2.
[eiser] heeft de schade aan de vrachtwagen hersteld (hierna ook: de eerste reparatie). De afstandssensor (hierna ook: de sensor) bleek, hoewel aanvankelijk wel zo leek, niet kapot te zijn en deze is door [eiser] niet vervangen.
2.3.
De grill is in eerste instantie door de hiervoor door [eiser] ingeschakelde spuiter in de verkeerde kleurstelling (namelijk niet in een bepaalde ‘striping’) gespoten. [eiser] heeft de grill terug naar de spuiter gestuurd om in de juiste kleurstelling te spuiten, zodat deze daarna aan de vrachtwagen bevestigd kon worden.
2.4.
De gerepareerde vrachtwagen is, met uitzondering van de nieuwe grill, door [gedaagden] weer in gebruik genomen.
2.5.
In januari 2025 heeft [gedaagden] aan [eiser] gevraagd om een nieuwe tachograaf in de vrachtwagen te installeren. De werkzaamheden zijn door [eiser] uitgevoerd (hierna ook: de tweede reparatie).
2.6.
Op 9 januari 2025 heeft [eiser] [gedaagden] voor de uitgevoerde werkzaamheden in verband met de tachograaf een factuur gezonden voor een bedrag van € 2.106,37 (factuur [nummer 1]).
2.7.
Op 11 en 18 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagden] gemaand om tot betaling van het openstaande bedrag voor de tweede reparatie over te gaan.
2.8.
Op 18 maart 2025 heeft [eiser] de factuur ter hoogte van in totaal € 3.121,64 voor de eerste reparatie aan [gedaagden] gezonden.
2.9.
Op 25 maart 2025 heeft [eiser] [gedaagden] via whatsapp geïnformeerd dat de grill die week klaar zou zijn. Daarbij heeft [eiser] [gedaagden] nogmaals verzocht het openstaande bedrag van de tweede reparatie te voldoen.
2.10.
Op 3 april 2025 heeft [eiser] [gedaagden] opnieuw gemaand om tot betaling van de openstaande facturen over te gaan. Op 4 april 2025 hebben [gedaagden] per whatsapp bericht aan [eiser] laten weten om in het weekend van 5 april 2025 tot betaling te zullen overgaan. Daarbij heeft [gedaagden] tevens gevraagd om een offerte te ontvangen voor de verrichte werkzaamheden.
2.11.
Op 8 april 2025 heeft [eiser] een aanmaning gestuurd aan [gedaagden] voor factuur [nummer 1] (de tweede reparatie).
2.12.
Op 9 april 2025 heeft [eiser] aan [gedaagden] een offerte verstrekt die ziet op de werkzaamheden zoals voorafgaand aan de reparatie verondersteld noodzakelijk te zijn (inclusief de sensor). Tevens heeft [eiser] op 9 april 2025 een betalingsherinnering aan [gedaagden] gestuurd voor factuur [nummer 2] (de eerste reparatie).
2.13.
Op 13 april 2025 hebben [gedaagden] op de factuur voor de tweede reparatie een bedrag van € 1.106,37 aan [eiser] voldaan.
2.14.
Op 23 april 2025 is door [eiser] opnieuw een betalingsherinnering aan [gedaagden] gestuurd voor de eerste reparatie. Op 12 mei 2025 heeft [eiser] [gedaagden] vervolgens aangemaand in verband met de nog openstaande factuur.
2.15.
Op 13 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eiser], namens haar, een eerste incassobrief aan [gedaagden] gezonden, waarin [gedaagden] nogmaals is gesommeerd om tot betaling van de nog openstaande bedragen over te gaan.
2.16.
Op 20 mei 2025 hebben [gedaagden] per e-mail gereageerd en hebben zij laten weten dat zodra de grill is geleverd, zij zullen overgaan tot betaling van de facturen.
2.17.
Op 6 juni 2025 is namens [eiser] voorgesteld om het door [gedaagden] verschuldigde bedrag in depot te laten storten, zodat pas na levering van de grill en na goedkeuring hiervan door [gedaagden], de betaling aan [eiser] zal plaatsvinden. [gedaagden] zijn met dit voorstel niet akkoord gegaan. Zij hebben op 7 juni 2025 verzocht om de grill binnen een week, dus uiterlijk 14 juni 2025 te leveren, en hebben gemeld dat wanneer dit niet gebeurt, zij de grill elders gaan bestellen en dat in dat geval de schade met de factuur voor de eerste reparatie zal worden verrekend.
2.18.
Op 11 juni 2025 heeft [eiser] aangegeven dat [eiser] ten aanzien van de grill een retentierecht heeft. Dezelfde dag hebben [gedaagden] laten weten de factuur voor de tweede reparatie te zullen voldoen. Op 12 juni 2025 hebben [gedaagden] bericht dat zij de factuur voor de tweede reparatie hebben voldaan, maar dat zij de kosten voor de rente en incassokosten niet zullen voldoen. Op 12 juni 2025 hebben [gedaagden] het nog openstaande bedrag van € 1.000,- op de factuur voor de tweede reparatie, met uitzondering van de rente en incassokosten, voldaan.
2.19.
Op 19 juni 2025 hebben [gedaagden] aan [eiser] bericht de grill niet meer in ontvangst te willen nemen en de kosten van een elders te bestellen grill in mindering te willen brengen op de factuur voor de eerste reparatie.
2.20.
Op 25 juni 2025 heeft [eiser] daarop voorgesteld om, wanneer [gedaagden] de factuur voor de eerste reparatie met uitzondering van de kosten voor de grill volledig voldoen, de door haar te leveren grill te crediteren. Dit voorstel is door [gedaagden] niet geaccepteerd.
2.21.
[eiser] heeft vervolgens op 4 juli 2025 de grill naar [gedaagden] opgestuurd. Daarop hebben [gedaagden] laten weten dat zij de grill al elders hebben besteld en dat zij de opgestuurde grill weigeren in ontvangst te nemen en deze zullen retourneren aan [eiser]. De grill is op 5 juli 2025 (bij de buren van [gedaagden]) bezorgd. De grill is vervolgens door [gedaagden] aan [eiser] geretourneerd. [gedaagden] laten op 11 juli 2025 weten dat de kosten van de elders bestelde grill zullen worden verrekend met de factuur van [eiser].
2.22.
[gedaagden] hebben de factuur voor de eerste reparatie van € 3.121,64 niet voldaan. Op de factuur voor de tweede reparatie hebben [gedaagden] een bedrag van € 183,91 onbetaald gelaten.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen, het bedrag van € 3.884,80, des één betalende de ander voor dat deel zal zijn bevrijd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening over de hoofdsom ad € 3.121,64 en vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening over € 437,16, alsmede voor recht te verklaren dat [eiser] zal zijn bevrijd van de verplichting tot levering van de grill en met veroordeling van [gedaagden] in de totale kosten, salaris gemachtigde en nakosten van deze procedure.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eiser] – verkort weergegeven – dat door haar uitgevoerde opdrachten in verband met reparatie van de vrachtwagen van [gedaagden] (behoudens de levering en montage van de grill) naar behoren zijn uitgevoerd. De hiervoor verzonden facturen hebben [gedaagden] echter ten onrechte (gedeeltelijk) onbetaald gelaten. Hoewel de grill in eerste instantie in verkeerde kleurstelling is gespoten, heeft [eiser] dit door een spuiter laten herstellen. [gedaagden] heeft de facturen voor beide reparaties echter (gedeeltelijk) onbetaald gelaten, terwijl zij zich niet uitdrukkelijk op een opschortingsrecht hebben beroepen. Gelet op het onbetaald laten van de facturen heeft [eiser] zich beroepen op de onzekerheidsexceptie van artikel 6:263 BW en heeft zij de grill onder zich gehouden. Doordat [gedaagden] de grill vervolgens helemaal niet meer in ontvangst wilden nemen, is bovendien sprake van schuldeisersverzuim als bedoeld in artikel 6:58 BW aan de zijde van [gedaagden]. Daarbij komt de opschorting door [gedaagden] volgens lid 2 van artikel 6:262 BW buiten proportioneel is, nu de waarde van de grill (van € 395,67, exclusief montage en spuitwerk) niet in verhouding staat tot het achterhouden van het (gedeeltelijke) factuurbedrag voor de twee opdrachten van in totaal € 4.121,64. Voor zover [gedaagden] betogen dat zij de overeenkomst partieel hebben ontbonden, beroept [eiser] zich erop dat de tekortkoming, gezien haar geringe betekenis, (partiële) ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en zij leggen hieraan – in essentie – het volgende ten grondslag.
3.4.
[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat zij de facturen (gedeeltelijk) onbetaald mochten laten omdat [eiser] de grill niet aan [gedaagden] heeft geleverd, waardoor [gedaagden] met een onvolledige vrachtwagen rondreed. Daarom hoefden zij in ieder geval niet tot betaling van de factuur voor de eerste reparatie over te gaan. De factuur met betrekking tot de tachograaf hebben [gedaagden] wel voldaan. Bovendien hebben zij [eiser] herhaaldelijk verzocht om een juiste en tijdige offerte voor de werkzaamheden, die daarnaast door hun verzekeraar benodigd was, maar deze is te laat verstrekt. De offerte vermeldde bovendien werkzaamheden die niet zijn uitgevoerd, waaronder de vervanging van de sensor. Ook is de factuur voor de eerste reparatie onjuist, nu daarin de kosten voor de grill zijn opgenomen terwijl de grill niet is geleverd. [gedaagden] hebben [eiser] verzocht de grill te leveren, maar dit is niet tijdig gebeurd, waarna zij de grill elders hebben besteld. Om al deze redenen, aldus [gedaagden], hoefden zij niet tot nadere betaling van de facturen over te gaan.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Vast staat dat tussen partijen twee overeenkomsten van opdracht tot stand zijn gekomen in de zin van artikel 7:400 BW, te weten een overeenkomst tot herstel van schade aan de vrachtwagen en een overeenkomst tot installatie van een tachograaf.
4.2.
In dit geschil staat centraal of [eiser] aanspraak kan maken op betaling van de nog openstaande bedragen op de facturen in verband met de reparaties en of [gedaagden] zich met succes kunnen beroepen op opschorting of (partiële) ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst(en).
Beroep op opschortingsrecht
4.3.
[gedaagden] beroepen zich – naar de kantonrechter begrijpt – in de eerste plaats op opschorting van hun betalingsverplichting. Zij stellen daartoe dat de grill niet (juist), althans niet binnen de door hen gestelde termijn, is geleverd en gemonteerd.
[eiser] voert daartegen aan dat, hoewel de grill later geleverd diende te worden vanwege het opnieuw laten spuiten, het enkele feit dat de definitieve grill later gereed was, niet rechtvaardigt dat [gedaagden] zowel de factuur voor de tachograaf als de factuur voor de overige reparatiewerkzaamheden volledig onbetaald hebben gelaten. Opschorting van betaling is slechts toegestaan voor zover dit in redelijke verhouding staat tot de tekortkoming. Dat is hier niet het geval, aldus [eiser] Bovendien hebben [gedaagden] zich jegens haar nimmer expliciet op opschorting beroepen.
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat volgens artikel 6:262 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), indien een der partijen haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij bevoegd is de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen op te schorten. Uit lid 2 volgt dat in geval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming, opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. Hoewel het opschortingsrecht in de regel geen mededelingsvereiste kent en daarop in beginsel ook in een gerechtelijke procedure voor het eerst een beroep kan worden gedaan, moet het voor de wederpartij wel kenbaar zijn dat een opschortingsrecht wordt uitgeoefend. Voor een geslaagd beroep op opschorting is geen verzuim vereist, maar er dient wel sprake te zijn van een opeisbare verbintenis. Voor zover geen termijn voor nakoming is bepaald, is een verbintenis terstond opeisbaar (artikel 6:38 BW). Een geslaagd beroep op een opschortingsrecht zorgt er echter niet voor dat er niet meer nagekomen hoeft te worden. De verplichting tot nakoming wordt alleen uitgesteld, totdat de wederpartij ook zijn verbintenissen is nagekomen.
4.5.
Vast staat dat [eiser] de grill niet aan [gedaagden] heeft geleverd en dat – nu partijen geen termijn voor aflevering van de grill zijn overeengekomen – de verbintenis tot levering op grond van artikel 6:38 BW opeisbaar is. Bovendien is sprake van voldoende samenhang tussen de verbintenis tot betaling en de tekortkoming met betrekking tot de grill, zodat [gedaagden] in beginsel een beroep op opschorting toekomt.
4.6.
Dit neemt echter niet weg dat, gelet op artikel 6:262 lid 2 BW, opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. De stelling van [eiser] dat het niet leveren van de grill niet de opschorting van de betalingsverplichting van beide (volledige) facturen kan meebrengen, is door [gedaagden] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Dat brengt in dit geval mee dat [gedaagden], voor zover [eiser] de grill nog niet had geleverd, in beginsel slechts bevoegd waren tot opschorting van dat deel van de betalingsverplichting dat betrekking had op de grill (van € 395,67, exclusief montage en spuitwerk (wat zoals ter zitting toegelicht neerkomt op circa € 100,- voor spuitwerk en € 10,00 (namelijk circa 10 minuten) voor montage).
4.7.
Vast staat evenwel dat [gedaagden] de volledige factuur voor de reparatie alsook de betaling van de factuur voor de tachograaf – een afzonderlijke en volledig uitgevoerde opdracht – grotendeels hebben opgeschort. Een dergelijke opschorting staat niet in redelijke verhouding tot de gestelde tekortkoming en is daarom in strijd met artikel 6:262 lid 2 BW. [gedaagden] kon zich derhalve slechts rechtsgeldig op een opschortingsrecht beroepen voor zover dit betrekking had op de kosten in verband met de grill.
4.8.
Dat [gedaagden] zich jegens [eiser] niet expliciet heeft beroepen op opschorting van haar betalingsverplichting wegens het uitblijven van levering van de grill, staat aan de uitoefening van het opschortingsrecht niet in de weg. [eiser] had uit de omstandigheden van het geval en het feit dat de grill nog niet was geleverd, behoren te begrijpen dat [gedaagden] haar betalingsverplichting opschortte. Het ontbreken van een expliciet beroep op opschorting doet daaraan, gelet op het voorgaande, niet af.
Schuldeisersverzuim
4.9.
[eiser] stelt zich voorts op het standpunt dat [gedaagden] in schuldeisersverzuim is geraakt, waardoor hen geen beroep op opschorting toekwam. Daartoe voert [eiser] aan dat zij, nadat zij haar nakoming aanvankelijk had opgeschort op grond van de onzekerheidsexceptie ex artikel 6:263 BW en het retentierecht ex artikel 3:290 BW, op enig moment bereid was tot levering over te gaan, maar dat [gedaagden] deze levering heeft verhinderd. Volgens [eiser] is [gedaagden] daardoor in schuldeisersverzuim geraakt als bedoeld in artikel 6:58 BW. [gedaagden] hebben weliswaar erkend dat zij geen medewerking aan de levering van de grill hebben verleend, maar betogen dat zij niet tot medewerking aan levering of betaling zijn gehouden omdat zij [eiser] een termijn hebben geboden om alsnog tot levering over te gaan, binnen welke termijn [eiser] niet tot levering van de grill is overgegaan. Ook is de offerte te laat en onjuist verstrekt en bevat de factuur onjuistheden, zodat [gedaagden] – naar de kantonrechter het betoog begrijpt – hun betalingsverplichting konden opschorten.
4.10.
De kantonrechter stelt voorop dat van schuldeisersverzuim sprake is wanneer nakoming van een verbintenis verhinderd wordt doordat de schuldeiser de daartoe noodzakelijk medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van de zijde van de schuldeiser opkomt, tenzij de oorzaak van de verhindering niet aan de schuldeiser kan worden toegerekend (artikel 6:58 BW). Een ingebrekestelling is hiervoor niet noodzakelijk, maar de schuldenaar moet wel alles gedaan te hebben wat in redelijkheid van hem verwacht mag worden om tot nakoming te kunnen overgaan. In geval van schuldeisersverzuim komt de schuldeiser op grond van artikel 6:54 BW geen recht op opschorting toe. Bovendien maakt schuldeisersverzuim op grond van artikel 6:61 BW een einde aan verzuim van de schuldenaar.
4.11.
Als onweersproken is in dit geval vast komen te staan dat [eiser] in ieder geval vanaf 5 juli 2025 heeft getracht de grill aan [gedaagden] te leveren, maar dat [gedaagden] daaraan geen medewerking hebben verleend. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat beide overeenkomsten zijn uitgevoerd bij [eiser] en aangenomen moet worden dat ook de levering en montage van de grill bij [eiser] diende plaats te vinden. Omdat [gedaagden] de vrachtwagen echter niet voor montage van de (in de juiste kleur gespoten) grill op de locatie van [eiser] hebben aangeboden, heeft [eiser] de grill uiteindelijk 4 juli 2025 aan [gedaagden] toegezonden teneinde montage bij [gedaagden] mogelijk te maken. Op 5 juli 2025 is de grill bij (de buren van) [gedaagden] bezorgd. [gedaagden] hebben de grill evenwel geweigerd en aan [eiser] geretourneerd. Door de vrachtwagen niet bij [eiser] aan te bieden en de opgestuurde grill vervolgens ook te weigeren en retourneren hebben nadat deze aan haar is toegezonden, heeft [gedaagden] niet de medewerking verleend die voor nakoming door [eiser] noodzakelijk was.
4.12.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagden], vanaf 5 juli 2025, in (schuldeisers-)verzuim zijn komen te verkeren en dat zij de betaling van de factuur – voor zover deze betrekking had op de grill – op grond van artikel artikel 6:54 sub a BW niet (meer) mochten opschorten.
4.13.
Voor zover [gedaagden] hebben betoogd dat zij niet gehouden waren tot medewerking aan de levering en betaling, omdat de levering buiten de door hen gestelde termijn (van 14 juni 2025) heeft plaatsgevonden, faalt hun betoog. Een door de schuldeiser ([gedaagden]) gestelde termijn ontslaat hen niet van de verplichting om medewerking aan nakoming te verlenen, indien en voor zover de schuldenaar ([eiser]) zich terecht op opschorting heeft beroepen. Nu [eiser], gelet op het structureel uitblijven van betaling ondanks herhaalde aanmaningen sinds 9 januari 2025 respectievelijk 25 maart 2025, gegronde vrees had dat [gedaagden] hun betalingsverplichtingen niet (tijdig) zouden nakomen, heeft zij zich terecht beroepen op de onzekerheidsexceptie ex artikel 6:263 BW. Daarnaast kon [eiser] een retentierecht ex artikel 3:290 BW uitoefenen, nu zij de feitelijke macht over de grill had, sprake was van een opeisbare vordering en tussen die vordering en de grill voldoende samenhang bestond. Onder deze omstandigheden kan aan het verstrijken van de door [gedaagden] gestelde termijn niet het gevolg worden verbonden dat [gedaagden] niet langer tot medewerking en betaling gehouden waren.
4.14.
Het betoog van [gedaagden] dat een (aangepaste) offerte en factuur voorwaardelijk waren om tot betaling over te gaan, kan de kantonrechter niet volgen. Datzelfde geldt voor het standpunt van [gedaagden] dat [eiser] de sensor niet heeft vervangen. Voor zover het de offerte betreft, geldt dat deze geen onderdeel van de overeenkomst vormde en derhalve niet relevant is voor de betalingsverplichting. Uit de stukken en toelichting van partijen ter zitting blijkt bovendien dat [eiser] de offerte op 9 april 2025 aan [gedaagden] heeft toegezonden, op grond waarvan [gedaagden] door de verzekeraar ook daadwerkelijk een vergoeding voor de kosten heeft uitgekeerd gekregen. Wat betreft de sensor geldt dat deze door [eiser] niet is vervangen en ook niet is gefactureerd, zodat [eiser] hiervoor geen betaling vordert. Dat de sensor op een later moment wel vervangen diende te worden, doet niet af aan de betalingsverplichting voor de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden.
4.15.
Wat betreft het standpunt van [gedaagden] met betrekking tot de onjuistheid van de factuur, volgt de kantonrechter dit standpunt niet. Voor zover de factuur ziet op onderdelen van de reparatie die correct zijn uitgevoerd, geldt dat [gedaagden] deze uitvoering niet hebben betwist; in zoverre moet dan ook van de juistheid van die onderdelen van de facturen worden uitgegaan, zodat die onderdelen in ieder geval dienen te worden betaald. Voor zover het de grill betreft, volgt uit het voorgaande dat het niet leveren van de grill verband houdt met het schuldeisersverzuim van [gedaagden], nu zij de grill hebben geweigerd en geretourneerd. Door dit schuldeisersverzuim komt [gedaagden] op grond van artikel 6:54 sub a BW geen beroep op opschorting toe en blijft hun betalingsverplichting ten aanzien van de factuur opeisbaar. Nu [gedaagden] deze betalingsverplichting niet zijn nagekomen, is sprake van een toerekenbare tekortkoming, zodat de gevorderde hoofdsom in beginsel toewijsbaar is, behoudens het geval dat de overeenkomst (gedeeltelijk) buitengerechtelijk is ontbonden.
Beroep op ontbinding van de overeenkomst
4.16.
De vraag die vervolgens voorligt is of [gedaagden] de overeenkomst (gedeeltelijk) buitengerechtelijk hebben ontbonden. Zo betogen [gedaagden] dat zij de grill niet meer hoeven af te nemen en hiervoor niet hoeven te betalen, welk standpunt de kantonrechter begrijpt als een beroep op de op (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst. Zo hebben [gedaagden] op 19 juni 2025 aan [eiser] laten weten de grill niet meer in ontvangst te willen nemen en de kosten van een elders te bestellen grill in mindering te willen brengen op de factuur voor de eerste reparatie. [eiser] heeft daartegen aangevoerd dat (partiële) ontbinding van de overeenkomst haar gevolgen in dit geval niet rechtvaardigt en dat de overeenkomst om die reden dan ook niet door [gedaagden] kon worden ontbonden. Met [eiser] is de kantonrechter van oordeel dat de overeenkomst niet (gedeeltelijk) buitengerechtelijk is ontbonden. Daarbij is het volgende van belang.
4.17.
Uit artikel 6:265 BW volgt dat in beginsel iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verplichtingen, de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Een uitzondering geldt als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beoordeling of de tekortkoming voldoende ernstig is om tot ontbinding over te gaan, moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de overeenkomst en de belangen van partijen over en weer. Op grond van het tweede lid ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. Uit artikel 6:266 BW lid 1 volgt voorts dat geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is.
4.18.
Voor zover de reparaties door [eiser] zijn uitgevoerd, is — behoudens het onderdeel dat ziet op de grill — niet gebleken van een tekortkoming. Ten aanzien van deze onderdelen van de overeenkomst bestaat derhalve geen grond voor (partiële) ontbinding.
4.19.
Wat betreft het onderdeel van de overeenkomst dat ziet op de grill, geldt dat [eiser] niet in verzuim verkeert. Uit de door [gedaagden] overgelegde correspondentie volgt dat zij op 19 juni 2025 hebben beoogd de overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Op dat moment had [eiser] zich echter reeds gerechtigd beroepen op opschorting, zowel op grond van de onzekerheidsexceptie als het retentierecht, naar aanleiding van het uitblijven van betaling door [gedaagden]. Nu aan de zijde van [eiser] geen sprake was van verzuim en [gedaagden] bovendien vervolgens in schuldeisersverzuim zijn komen te verkeren, is op grond van de artikelen 6:265 en 6:266 BW in dit geval geen plaats voor (buitengerechtelijke) ontbinding.
4.20.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat de gestelde tekortkoming van [eiser] in dit geval, gelet op haar bijzondere aard en geringe betekenis, (partiële) ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij acht de kantonrechter onder andere van belang dat de grill (qua kosten) slechts een beperkt onderdeel van de reparatie betrof. Bovendien hebben [gedaagden] ruim de mogelijkheid gehad de grill te laten monteren en is de grill zelfs aan hen toegezonden (terwijl [eiser] hiertoe niet direct gehouden was gelet op haar beroep op een opschortingsrecht), maar [gedaagden] hebben nagelaten hieraan hun medewerking te verlenen, waardoor de levering uiteindelijk niet heeft kunnen plaatsvinden.
4.21.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat [gedaagden] de overeenkomst niet rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden.
4.22.
Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat de vordering tot betaling van de openstaande facturen toewijsbaar is.
Verklaring voor recht
4.23.
De gevorderde verklaring voor recht zal, gelet op het voorgaande en artikel 6:60 BW, worden toegewezen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagden] en dat ter zitting is gebleken dat [gedaagden] de grill niet meer zullen afnemen. Onder deze omstandigheden bestaat aanleiding te bepalen dat [eiser] van haar verbintenis tot levering van de grill zal zijn bevrijd.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.24.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten. Voor de facturen [nummer 2] en [nummer 1] zal een bedrag van respectievelijk € 437,16 en € 100,00 worden toegewezen, zodat in totaal € 537,16 wordt toegewezen.
4.25.
Daarnaast vordert [eiser] de wettelijke handelsrente over de hoofdsommen. Vast staat dat [gedaagden] in gebreke zijn gebleven met tijdige en volledige betaling van de facturen. De gevorderde wettelijke handelsrente tot en met 27 augustus 2025 wordt toegewezen, zijde € 142,09 voor factuur [nummer 2] (25 maart 2025 – 27 augustus 2025) en € 83,91 voor factuur [nummer 1] (9 januari 2025 – 13 april 2025 respectievelijk 12 juni 2025).
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen: vanaf 27 augustus 2025 over de gevorderde hoofdsom van € 3.121,64 en vanaf de dag van dagvaarding over de gevorderde incassokosten van € 437,16 in verband met factuur [nummer 2], tot de dag van volledige voldoening.
4.26.
[gedaagden] hebben in april en juni 2025 een totaalbedrag van € 2.106,37 aan [eiser] voldaan. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW worden deze (deel)betalingen eerst in mindering gebracht op de door [eiser] gemaakte kosten, vervolgens op de verschuldigde rente en ten slotte op de hoofdsom. De totale kosten en rente bedragen € 183,91. Na verrekening blijft een openstaand bedrag van € 183,91 aan hoofdsom op de factuur voor de tachograaf, welk bedrag wordt toegewezen.
4.27.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,11
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.316,11
4.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.29.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.884,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 augustus 2025 tot aan de dag der algehele voldoening over een bedrag groot
€ 3.121,64 en vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening over een bedrag groot € 437,16,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.316,11, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
bepaalt dat [eiser] op grond van artikel 6:60 BW is bevrijd van haar verbintenis tot levering van de (front)grill,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.