Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2073

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
AK_26_1171
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken besluit in zin van Awb

In deze bestuursrechtelijke zaak verzocht eiser de Omgevingsdienst Twente om handhavend op te treden tegen de asfaltcentrale vanwege het overschrijden van emissiegrenswaarden. Na een brief van de Omgevingsdienst waarin het handhavingstraject werd toegelicht en gewezen werd op formaliteiten en een begunstigingstermijn, vroeg eiser een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief van de Omgevingsdienst geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat deze niet gericht is op een rechtsgevolg maar slechts informatief van aard is. Hierdoor is er geen besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat, wat een vereiste is voor het behandelen van een verzoek om voorlopige voorziening.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen zonder zitting. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken van een besluit in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1171
uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats],
hierna: [eiser],
en
Omgevingsdienst Twente,
hierna: Omgevingsdienst,
Als derde-partij neemt aan deze zaak deel:
Asfaltcentrale Twente B.V.uit Hengelo.
hierna: de asfaltcentrale.

1.Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [eiser].
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

2.Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.1.
[eiser] heeft de Omgevingsdienst op 9 maart 2026 verzocht handhavend op te treden tegen de asfaltcentrale, vanwege het overschrijden van emissiegrenswaarden. Op 1 april 2026 heeft [eiser] de Omgevingsdienst in gebreke gesteld en verzocht op korte termijn een inhoudelijke beslissing op zijn handhavingsverzoek te nemen.
2.2.
Op 9 april 2026 heeft de Omgevingsdienst aan [eiser] een brief gestuurd. Daarin geeft de Omgevingsdienst een korte weergave gegeven van het handhavingstraject dat loopt ten aanzien van de asfaltcentrale, wijst het erop dat toezicht wordt gehouden en dat sprake is van een begunstigingstermijn die loopt tot 1 mei 2026, welke termijn wordt afgewacht voordat dwangsommen verbeurd worden verklaard. Ook wordt in de brief beschreven dat er vanuit de GGD is vastgesteld dat er geen sprake is van (acute) gezondheidsrisico’s en dat [eiser] ten aanzien daarvan contact met hen kan opnemen. Verder wordt erop gewezen dat het handhavingsverzoek op dit moment niet voldoet aan de formaliteiten, omdat [eiser] geen woonadres heeft vermeld en dat niet bepaald kan worden of hij als belanghebbende kan worden aangemerkt. [eiser] wordt verzocht deze informatie vóór 1 mei 2026 te verstrekken, omdat anders het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Tot slot wordt in de brief vermeld dat de termijn voor het nemen van een beslissing op het verzoek om handhaving wordt opgeschort.
2.3.
Vervolgens heeft [eiser] op 13 april 2026 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, waarbij hij verwijst naar de brief van de Omgevingsdienst van 9 april 2026.
2.4.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is de voorzieningenrechter slechts bevoegd om een verzoek om voorlopige voorziening in behandeling te nemen, als sprake is van een besluit waartegen bezwaar of beroep openstaat. In artikel 1:3 van Pro de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Dit laatste betekent dat de beslissing die de Omgevingsdienst neemt gericht moet zijn op enig rechtsgevolg.
2.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de brief van de Omgevingsdienst van 9 april 2026 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb.
De brief is niet gericht op enig rechtsgevolg, maar slecht informerend van aard, waarbij de vragen van [eiser] worden beantwoord en nader toelichting wordt gegeven over de ontvankelijkheid van het verzoek en de opschorting van de beslistermijn. Er wordt met de brief geen beslissing genomen op het handhavingsverzoek van [eiser].
2.6.
Er is daarmee geen sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen bezwaar of beroep openstaat. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening als kennelijk ongegrond afgewezen.
2.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.