Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2087

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
11941199 \ CV EXPL 25-3434
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:306 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering opheffing onrechtmatige grondgebruik wegens bevrijdende verjaring

Eisers en gedaagden zijn achterburen. Gedaagden gebruiken een strook grond die volgens het Kadaster bij het perceel van eisers hoort. Eisers vorderen opheffing van deze situatie en respectering van de kadastrale erfgrens. Gedaagden voeren verweer en beroepen zich op bevrijdende verjaring.

De kantonrechter stelt vast dat de kadastrale grens niet ter discussie staat, maar dat gedaagden de grondstrook in gebruik hebben. De vraag is of gedaagden eigenaar zijn geworden door onafgebroken bezit gedurende twintig jaar. Gedaagden hebben de strook sinds 1996 exclusief en openbaar in bezit genomen, eerst met een haag en later met een schutting, en gebruiken deze als tuin.

Eisers betwisten het onafgebroken bezit en stellen dat sprake is van houderschap, maar de kantonrechter oordeelt dat het bezit ondubbelzinnig en openbaar is. De verjaringstermijn is ruim verstreken, waardoor gedaagden eigenaar zijn geworden. De vorderingen van eisers worden afgewezen en zij worden veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen van eisers worden afgewezen omdat gedaagden eigenaar zijn van de grondstrook door bevrijdende verjaring.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11941199 \ CV EXPL 25-3434
Vonnis van 14 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1], en2. [eiser 2],

beiden wonende in [woonplaats 1],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. J.R. Feitsma,
tegen

1.[gedaagde 1], en2. [gedaagde 2],

beiden wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
gemachtigde: mr. K.H. Busscher.

1.Waar deze zaak over gaat

[eisers] en [gedaagden] zijn achterburen van elkaar. [gedaagden] heeft een strook grond in gebruik die volgens het Kadaster hoort bij het perceel van [eisers]. [eisers] vordert opheffing van deze, volgens hem onrechtmatige, toestand en vordert dat de kantonrechter [gedaagden] veroordeelt de kadastrale erfgrens te respecteren. [gedaagden] voert verweer en beroept zich op verjaring. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisers] af, omdat [gedaagden] op grond van bevrijdende verjaring eigenaar van de strook grond is geworden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 17 september 2025 waarin deze zaak door de civiele rechtbank van de rechtbank Overijssel is verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Overijssel,
- de dagvaarding, uitgebracht op 9 oktober 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6,
- de aanvullende producties 7 tot en met 13 van [gedaagden],
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 17 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eisers] en [gedaagden] zijn achterburen van elkaar. [eisers] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer [nummer 1]. [gedaagden] is eigenaar van het perceel met kadastraal nummer [nummer 2]. De achtertuinen van [eisers] en [gedaagden] grenzen aan elkaar en zijn van elkaar gescheiden door een schutting. In onderstaande kadastrale tekening is de schutting met “ht sch” aangeduid.
[Afbeelding]
3.2.
[gedaagden] is op 4 maart 1996 eigenaar geworden van zijn perceel.
3.3.
[eisers] is op 26 februari 2021 eigenaar geworden van zijn perceel.
3.4.
Het Kadaster heeft op 9 oktober 2024 een relaas van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van een grensreconstructie op verzoek van [eisers]. Uit dit relaas van bevindingen blijkt dat [gedaagden] een strook grond in gebruik heeft wat hoort bij het kadastrale perceel van [eisers]. De kadastrale grens is in voorgaande kadastrale tekening door het Kadaster aangeduid met een rode gebroken lijn.

4.Het geschil

4.1.
[eisers] vordert (samengevat) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen:
a. de onrechtmatige toestand op te heffen en alle zaken die zijn eigendom zijn of aan hem toebehoren van het perceel van [eisers] te verwijderen op straffe van een dwangsom,
b. de kadastrale erfgrens tussen de percelen te respecteren en [gedaagden] te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [eisers] zaken te plaatsen op het perceel van [eisers] op straffe van een dwangsom,
c. de kosten voor het inschakelen van het Kadaster aan [eisers] te betalen,
d. de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten te betalen.
4.2.
[gedaagden] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt vast dat de kadastrale grens tussen partijen niet ter discussie staat. Daarmee staat vast dat [gedaagden] een strook grond behorend bij het kadastrale perceel van [eisers] in gebruik heeft. Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagden] deze onrechtmatige toestand moet opheffen of dat hij de eigendom van die strook inmiddels heeft verkregen.
5.2.
[gedaagden] heeft onder andere aangevoerd dat hij de eigendom van de strook grond heeft verkregen door verjaring. Een van de manieren waarop verjaring kan optreden is bevrijdende verjaring. Bevrijdende verjaring is geregeld in de artikelen 3:105 en 3:306 Burgerlijk Wetboek (BW). Bevrijdende verjaring houdt in dat iemand (in dit geval [gedaagden]) een stuk grond van de rechthebbende (in dit geval [eisers] of zijn rechtsvoorgangers) in bezit heeft, en dat voor een periode van twintig jaren sprake is van onafgebroken bezit ten opzichte van de rechthebbende. De verjaringstermijn van twintig jaren begint te lopen de dag na de dag dat de niet-rechthebbende bezitter is geworden. Voor verkrijging op grond van bevrijdende verjaring is niet van belang of de bezitter wel of niet te goeder trouw is.
5.3.
De kantonrechter zal moeten beoordelen of [gedaagden] bezitter is van de strook grond die hij in gebruik heeft. Deze vraag moet worden beantwoord naar de verkeersopvattingen (hoe in de maatschappij over het begrip ‘bezit’ wordt gedacht) met inachtneming van de relevante wettelijke regels en op grond van de uiterlijke feiten. Aangezien [gedaagden] de strook grond niet overgedragen heeft gekregen, is het bezit in dit geval verkregen door inbezitneming. Hiervoor is bepalend dat [gedaagden] de feitelijke macht over de strook grond is gaan uitoefenen. Daarnaast moet het bezit ondubbelzinnig en openbaar zijn. Hiervan is sprake wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de rechthebbende daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter doet alsof hij eigenaar is. Voor openbaarheid is noodzakelijk dat naar buiten toe kenbaar is dat de bezitter de strook grond in bezit heeft genomen.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
[gedaagden] heeft het volgende aangevoerd om te onderbouwen dat hij de strook grond in bezit heeft genomen. Toen [gedaagden] zijn perceel in 1996 verkreeg stond er volgens [gedaagden] op de plek van de huidige feitelijke erfafscheiding een haag. [gedaagden] heeft dit onderbouwd door het overleggen van verschillende foto’s, waaronder een foto die is genomen in 1998 en waar de locatie van de haag zichtbaar op staat. [gedaagden] is de strook grond die zich aan zijn kant van deze haag bevond, vanaf het moment dat hij de woning kocht, exclusief als zijn tuin gaan gebruiken. [gedaagden] en de rechtsvoorganger van [eisers], [naam], hebben in 2008 de haag verwijderd en in plaats daarvan en op die plek een schutting geplaatst. Volgens [gedaagden] wilde [naam] graag een schutting in plaats van een haag. [gedaagden] vond dat prima en op initiatief van [naam] is een overeenkomst opgesteld waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“De bestaande coniferenhaag op de grens te verwijderen.
En op de door bewoners vastgestelde grens een houten schutting te plaatsen”
[gedaagden] is daarna, en tot op heden, de strook grond exclusief blijven gebruiken als zijn tuin.
5.5.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] door bevrijdende verjaring de strook grond heeft verkregen. Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagden] de strook grond in 1996 in bezit heeft genomen door deze grond exclusief te gebruiken als zijn tuin. Ook is het bezit ondubbelzinnig en openbaar doordat de strook grond is afgescheiden van andere percelen, eerst door een haag en later door een schutting. Dat betekent dat [gedaagden] in 1996 bezitter van de strook grond is geworden en dat de verjaringstermijn van twintig jaren ruim is verstreken.
5.6.
[eisers] heeft gesteld dat geen sprake is van onafgebroken bezit omdat de schutting niet op dezelfde plek zou zijn geplaatst als waar de haag stond. Volgens [eisers] blijkt uit de overeenkomst tussen [gedaagden] en [naam] dat de schutting is geplaatst op een alternatieve grens vanwege de bewoordingen “door bewoners vastgestelde grens”. De kantonrechter oordeelt echter dat uit deze tekst niet noodzakelijkerwijs blijkt dat de schutting op een andere grens is geplaatst dan waar de haag stond. [gedaagden] heeft bovendien verklaard dat de reden dat deze tekst zo is opgenomen is dat de haag een breedte had van één meter en de schutting, die op dezelfde plek als de haag werd geplaatst, heel smal is. De stelling van [eisers] is dan ook, in het licht van het verweer en de onderbouwing daarvan van [gedaagden], onvoldoende onderbouwd.
5.7.
Verder heeft [eisers] gesteld dat geen sprake is van bezit, maar van houderschap van het stuk grond. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarvan geen sprake, omdat uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] de strook grond in bezit heeft genomen. De overeenkomst tussen [gedaagden] en [naam] maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders, omdat de overeenkomst slechts gaat over het plaatsen van de schutting en niet over bijvoorbeeld de invulling van het gebruik van de strook grond door [gedaagden]. Dat [gedaagden] een hek tussen zijn kadastrale perceel en de strook grond heeft geplaatst betekent ook niet dat [gedaagden] de strook grond vanaf het moment van plaatsen van het hek niet meer in bezit heeft. [gedaagden] heeft immers verklaard dat hij het hek heeft geplaatst zodat zijn hond de dieren die zich op die strook grond bevinden niet zou verstoren. Dat deze strook grond mogelijk minder goed wordt onderhouden dan de rest van de tuin van [gedaagden] is volgens de kantonrechter ook geen aanwijzing dat [gedaagden] deze strook grond niet als zijn tuin beschouwt, omdat [gedaagden] heeft verklaard dat de strook grond zich helemaal aan de achterzijde van zijn perceel bevindt en het onderhoud van zijn tuin vanwege persoonlijke omstandigheden de laatste tijd geen prioriteit had.
5.8.
Gezien het voorgaande is geen sprake van een onrechtmatige toestand die moet worden opgeheven en [gedaagden] hoeft als juridisch rechthebbende van de strook grond de kadastrale erfgrens niet te respecteren. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eisers] dan ook af.
Proceskosten
5.9.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
217,00
(1 punt × € 217,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
361,00
5.10.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 361,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Eshuis en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026. (hg)