Uitspraak
1.De zaak en het oordeel in het kort
2.De procedure
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [gedaagde].
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
vorderingvan de huurder. Het “vorderen” in de zin van dit artikel moet strikt worden uitgelegd, in die zin dat het instellen van een, in dit geval reconventionele vordering door de huurder noodzakelijk is voor een succesvol beroep op huurprijsvermindering. Als er slechts bij wijze van verweer aanspraak op wordt gemaakt, kan dat niet tot huurprijsvermindering leiden. [1] [gedaagde] heeft in deze procedure geen reconventionele vordering ingesteld waardoor de kantonrechter de huurprijs niet op grond van artikel 7:207 BW Pro kan verminderen. Dat betekent dat de kantonrechter de gevorderde achterstallige huur van € 1.894,95 zal toewijzen.