Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats]
Inleiding
.De reden hiervoor is dat zij volgens de verzekeringsarts vanaf 27 januari 2025 wel weer mogelijkheden had om te werken.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Overijssel
Eiser was sinds augustus 2017 werkzaam als medewerkster en meldde zich in augustus 2019 ziek. Na een afwijzing van een eerdere WIA-aanvraag in 2021 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, werkte zij weer opbouwend uren tot zij zich in februari 2023 opnieuw ziek meldde. In april 2025 kende het UWV haar een WIA-uitkering toe vanaf december 2023, maar besloot tegelijk haar recht op de uitkering per 2 juni 2025 te beëindigen omdat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 6,67%. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd gehandhaafd met een aangepaste arbeidsongeschiktheid van 0%.
De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waaronder verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten. De verzekeringsarts concludeerde dat vanaf januari 2025 geen sprake meer was van een situatie waarin eiser geen benutbare mogelijkheden had om te werken (geen GBM-situatie). Er waren wel beperkingen vastgesteld, maar deze stonden niet in de weg aan het verrichten van passende functies.
Eiser stelde dat zij door de beëindiging van de uitkering en het hervatten van werk haar gezondheid had geschaad en dat haar arbeidsongeschiktheid was toegenomen, maar de rechtbank kon deze latere situatie niet betrekken bij de beoordeling van het besluit per juni 2025. De rechtbank vond de rapporten en motivering van het UWV overtuigend en concludeerde dat het besluit tot beëindiging terecht was genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht per 2 juni 2025 heeft beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.