Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2115

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3266
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser was sinds augustus 2017 werkzaam als medewerkster en meldde zich in augustus 2019 ziek. Na een afwijzing van een eerdere WIA-aanvraag in 2021 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid, werkte zij weer opbouwend uren tot zij zich in februari 2023 opnieuw ziek meldde. In april 2025 kende het UWV haar een WIA-uitkering toe vanaf december 2023, maar besloot tegelijk haar recht op de uitkering per 2 juni 2025 te beëindigen omdat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 6,67%. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd gehandhaafd met een aangepaste arbeidsongeschiktheid van 0%.

De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek had verricht, waaronder verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten. De verzekeringsarts concludeerde dat vanaf januari 2025 geen sprake meer was van een situatie waarin eiser geen benutbare mogelijkheden had om te werken (geen GBM-situatie). Er waren wel beperkingen vastgesteld, maar deze stonden niet in de weg aan het verrichten van passende functies.

Eiser stelde dat zij door de beëindiging van de uitkering en het hervatten van werk haar gezondheid had geschaad en dat haar arbeidsongeschiktheid was toegenomen, maar de rechtbank kon deze latere situatie niet betrekken bij de beoordeling van het besluit per juni 2025. De rechtbank vond de rapporten en motivering van het UWV overtuigend en concludeerde dat het besluit tot beëindiging terecht was genomen. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht per 2 juni 2025 heeft beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3266

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats]

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van [eiser] uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij was vanaf augustus 2017 werkzaam als medewerkster ledenservice bij Nationale Postcode loterij B.V. voor gemiddeld 20 uur per week. Op 20 augustus 2019 heeft zij zich ziekgemeld. Op 15 juni 2021 heeft [eiser] voor het eerst een WIA-uitkering aangevraagd per 17 augustus 2021. Met het besluit van 19 augustus 2021 is aanvraag afgewezen omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet ten minste 35% was maar 22,75%.
1.1.
Sinds maart 2021 werkte [eiser] met een opbouw aan uren als medewerkster van boekhandel [bedrijf]. Na de afwijzing van de WIA-uitkering had zij vanaf 23 augustus 2021 ook recht op een WW-uitkering. Vanwege de hoogte van haar loon is het recht op de
WW-uitkering per 1 april 2022 beëindigd. Na een opbouw in uren heeft zij daar vanaf mei 2022 tot en met december 2022 fulltime gewerkt. Vanaf januari 2023 werkte zij daar gemiddeld 31,95 uur per week. Op 14 februari 2023 heeft zij zich ziekgemeld.
1.2.
Op 5 december 2024 heeft [eiser] een WIA-uitkering aangevraagd. In maart/februari 2025 heeft het verzekeringsgeneeskundig- en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Vervolgens zijn er op 1 april 2025 twee beslissingen door het UWV genomen.
1.3.
Met het eerste besluit van 1 april 2025 is aan [eiser] een WIA-uitkering toegekend vanaf 7 december 2023 op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. De reden hiervan was dat zij volgens de verzekeringsarts vanaf 14 februari 2023 geen benutbare mogelijkheden had om te werken.
1.4.
Met het tweede besluit van 1 april 2025 is besloten dat haar recht op de WIA-uitkering met ingang van 2 juni 2025 wordt beëindigd, omdat zij niet ten minste 35% arbeidsongeschikt is, maar 6,67%
.De reden hiervoor is dat zij volgens de verzekeringsarts vanaf 27 januari 2025 wel weer mogelijkheden had om te werken.
1.5.
Tegen dat tweede besluit heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 op het bezwaar van [eiser] is UWV bij dat besluit gebleven. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij gewijzigd naar 0,0%.
1.6.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het UWV.

Standpunt van het UWV

2. Volgens het UWV had [eiser] met ingang van 2 juni 2025 geen recht meer op een
WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. Vanwege haar gezondheidsklachten en beperkingen kan zij haar functie als medewerker boekhandel niet meer verrichten, maar kan zij nog wel in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties schadecorrespondent, productiemedewerker industrie en archiefmedewerker te verrichten.
2.1.
Omdat het middelste uurloon (€ 18,65) van deze functies hoger is dan het uurloon
(€ 15,76) dat zij had als medewerker boekhandel is de mate van arbeidsongeschiktheid 0 %. Hiervoor baseert het UWV zich op de rapporten van de verzekeringsartsen, de bijbehorende functionele mogelijkhedenlijst (FML) en het rapport van 13 oktober 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Standpunten van [eiser]

3. [eiser] stelt dat de beëindiging van de WIA-uitkering onjuist en van grote invloed is geweest. Tijdens de zitting heeft zij toegelicht dat het haar niet gaat om het geld. De hoogte van haar WIA-uitkering verschilt niet veel van de bijstandsuitkering die zij nu ontvangen. Waar het haar wel om gaat is dat zij na de beëindiging van haar WIA-uitkering weer is gaan werken, maar daar achteraf gezien nog helemaal niet toe in staat was. Dit is van grote negatieve invloed geweest op haar gezondheidssituatie en op haar weg naar herstel. Bovendien werd hierdoor de re-integratie belemmerd, terwijl dat traject is ingekocht door UWV zelf.
3.1.
Ook is haar gezondheidssituatie in november 2025 verslechterd omdat zij toen is gevallen en daaraan een litteken heeft overgehouden in haar gezicht. Ook is zij vanwege haar verslavingsproblematiek opgenomen geweest Hiervoor heeft zij zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld, maar er is nog geen herbeoordeling door het UWV geweest.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt niet [eiser] huidige situatie en kan de melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid per november 2025 ook niet bij de beoordeling betrekken. De rechtbank moet beoordelen of het UWV de WIA-uitkering terecht per 2 juni 2025 heeft beëindigd.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat die beëindiging terecht is geweest. Het beroep van [eiser] is daarom ongegrond. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.2.
Een WIA-uitkering wordt beëindigd als het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35% is. Daarbij moet het UWV wel een zogenoemde uitlooptermijn van twee maanden toepassen. [1] De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn of haar laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij of zij kan verdienen in passende functies. Het UWV mag zijn besluiten daarover baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.3.
De verzekeringsarts heeft [eiser] tijdens het telefonische spreekuur op 27 januari 2025 gesproken. Vervolgens heeft de verzekeringsarts in het rapport van 2 februari 2025 geconcludeerd dat bij [eiser] sprake is van psychische klachten en een alcoholverslaving. Deze gezondheidsklachten komen grotendeels overeen met de klachten bij de
WIA-beoordeling in 2021 en zij werd daarvoor behandeld. Daarom was er vanaf 14 februari 2023 sprake van een situatie waarbij [eiser] geen benutbare mogelijkheden (GBM) had om te werken.
4.4.
Volgens de verzekeringsarts was er vanaf het telefonisch contact op 27 januari 2025 geen sprake meer van een situatie van GBM omdat zij niet meer niet meer aan de voorwaarden daarvoor voldoet. [eiser] was toen namelijk niet meer in behandeling. Wel is zij nog beperkt in haar functioneren. Zo is zij aangewezen op een werkbelasting zonder onregelmatige of nachtdiensten, omdat structuur een regelmaat van belang zijn. Ook kan zij alleen functioneren in een werksituatie waarbij het werk gestructureerd is en dient het ook in enige mate voorspelbaar te zijn. Daarnaast moet [eiser] ook ontzien te worden qua sterke tijdsdruk en tempobelasting. Zij kan niet te veel worden blootgesteld aan conflicterende functie-eisen (tempo versus zorgvuldigheid en veiligheid). Ook moet er rekening te worden gehouden met verminderde conflicthantering en een verhoogd afbreukrisico. Daardoor kan [eiser] geen grote eindverantwoordelijkheden en/of leidinggevende taken aan. Deze beperkingen staan in de rubrieken ‘Persoonlijk functioneren’ en ‘Sociaal functioneren’ in de FML van 2 februari 2025. Verder geldt dat zij niet meer dan fulltime kan werken. Ook kan zij niet in een horeca omgeving werken.
4.5.
In het rapport van 8 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de beoordeling juist is geweest. Er was geen sprake meer van een
GBM-situatie en voor de psychische klachten en verslavingsproblematiek zijn voldoende beperkingen vastgesteld. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgevraagde informatie gaf ook geen aanleiding om de beoordeling te wijzigen.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek zorgvuldig is geweest. Ook zijn de rapporten over [eiser] belastbaarheid per 27 januari 2025 inzichtelijk en navolgbaar gemotiveerd. Er is overtuigend geconcludeerd dat er geen sprake meer was van een
GBM-situatie en in de FML is rekening gehouden met [eiser] psychische klachten en verslavingsproblematiek. Hiervoor zijn namelijk verschillende beperkingen vastgesteld. De beroepsgronden van [eiser] geven de rechtbank geen aanleiding om daaraan te twijfelen. [eiser] is zelf van mening dat haar mogelijkheden om te werken door de verzekeringsartsen te gunstig zijn ingeschat. Haar mening vindt echter geen steun in de beschikbare medische informatie.
4.7.
Uitgaande van de juistheid van de voor [eiser] in de FML opgenomen arbeidsmogelijkheden en beperkingen, kon zij in staat worden geacht de voor haar geselecteerde functies uit te oefenen. Daarom heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2025 terecht vastgesteld op minder dan 35% en terecht beslist dat zij per die datum geen recht meer heeft op een WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en daarom het griffierecht ook niet terugkrijgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 56, tweede lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.