Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2119

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
ak_24_4022
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 5.3 Verordening Maatschappelijke ondersteuning Borne 2022Art. 3.20 BblArt. 3.22 Bbl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College mag traplift vervangen aan muurzijde ondanks voorkeur eiseres voor spilzijde

Eiseres, met een orthopedische beperking, verzocht het college om haar traplift te vervangen en deze aan de spilzijde van de trap te plaatsen, in plaats van aan de muurzijde waar de huidige traplift is geïnstalleerd. Het college besloot de traplift aan dezelfde zijde te vervangen, wat eiseres betwistte vanwege veiligheids- en bouwvoorschriften.

De rechtbank hield een gerechtelijke plaatsopneming en onderzocht de situatie ter plaatse. Uit het Infoblad van het Ministerie en het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) bleek dat de traplift aan de muurzijde geplaatst kan worden zonder strijd met de bouwvoorschriften, mits de klimlijn verschoven wordt en een leuning aan de spilzijde wordt aangebracht. De steilere hellingshoek aan de spilzijde maakt plaatsing daar technisch onuitvoerbaar.

Hoewel eiseres stelde dat de traplift aan de spilzijde veiliger en praktischer zou zijn, concludeerde de rechtbank dat de door het college gekozen oplossing adequaat is en voldoet aan de wettelijke vereisten. De rechtbank wees ook op de mogelijkheid van mediation om de verstoorde relatie tussen partijen te verbeteren.

Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het college mag de traplift aan de muurzijde vervangen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/4022

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres, (hierna te noemen: [eiseres])

gemachtigde: mr. S.G.C. van Ingen,
en
het college van burgemeester en wethouders van Borne(hierna te noemen: het college).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een traplift. [eiseres] is het niet eens met de beslissing van het college, waarbij haar oude traplift wordt vervangen door een identiek exemplaar aan dezelfde zijde van de trap. Aan de hand van de door haar aangevoerde argumenten (beroepsgronden) beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
[eiseres] heeft het college op 21 juli 2023 gevraagd om vervanging van de huidige traplift. Het college heeft op deze aanvraag beslist met het besluit van 27 februari 2024. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2024 heeft het college het besluit gehandhaafd.
2.2.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] en haar echtgenoot, haar gemachtigde en namens het college [naam 1]. De rechtbank heeft het onderzoek aangehouden en na afloop van de zitting vragen gesteld, waarop partijen hebben gereageerd.
2.4.
De rechtbank heeft op 18 maart 2026 een gerechtelijke plaatsopneming gehouden in de woning van [eiseres] te [woonplaats]. Hierbij waren aanwezig [eiseres] en haar echtgenoot, [naam 2] namens het college en [naam 3] van [bedrijf] (verder: [naam 3]). De rechtbank heeft het onderzoek daarna gesloten.

Overwegingen

Feiten
3.1.
[eiseres] is wegens een orthopedische aandoening beperkt in haar mobiliteit. Toen zij met haar echtgenoot naar de huidige woning in [woonplaats] verhuisde is haar oude traplift meegenomen. Voor het plaatsen van de rails heeft het college een financiële tegemoetkoming verstrekt vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
3.2.
Na een controle van de traplift heeft [bedrijf] B.V. ([bedrijf]) in juni 2023 geconstateerd dat de traplift aan vervanging toe is. [bedrijf] is de leverancier van de gemeente Borne en gespecialiseerd in trapliften.
3.3.
[eiseres] heeft zich vervolgens bij het college gemeld voor de noodzakelijke vervanging. Zij heeft gevraagd om de nieuwe traplift aan te brengen aan de andere zijde van de trap, de spilzijde. Ook heeft zij verzocht om een tweede traplift van de eerste verdieping naar de zolder. Over die tweede traplift heeft het college apart beslist. Deze uitspraak gaat niet over de aanvraag voor die tweede traplift.
3.4.
Het college heeft [bedrijf] verzocht een offerte uit te brengen voor een vervangende traplift van de begane grond tot aan de eerste etage. In de offerte is [bedrijf] uitgegaan van vervanging door eenzelfde traplift als de traplift die [eiseres] al heeft, aan de muurzijde.
3.5.
Met het primaire besluit van 27 februari 2024 heeft het college [eiseres] vanuit de Wmo 2015 in aanmerking gebracht voor een traplift van de begane grond naar de eerste etage. De traplift wordt in bruikleen verstrekt. [eiseres] moet hiervoor een eigen bijdrage betalen van € 20,60 per maand, die door het CAK wordt geïnd. Na de bezwaarprocedure is dit besluit gehandhaafd.
Het standpunt van het college
3.6.
Volgens het college is uit het onderzoek gebleken dat de traplift aan de muurzijde vervangen kan worden door een gelijkwaardige traplift aan dezelfde kant. Aan de spil van de trap (gezien vanaf de onderkant van de trap aan de rechterkant) kunnen beugels worden bevestigd als trapleuning. Op die wijze is er sprake van een adequate voorziening [1] die ook voldoet aan de daarvoor geldende wettelijke vereisten op het punt van de minimale maten. Een traplift aan de spilzijde wordt alleen geplaatst als een traplift aan de muurzijde niet mogelijk is. Het college houdt geen rekening met eventuele incidenten, zoals een storing.
Het standpunt van [eiseres]
3.7.
Volgens [eiseres] is de aangeboden voorziening niet adequaat en in strijd met de geldende bouwvoorschriften. Een traplift aan de spilzijde is de enige oplossing die voldoet, met de leuning aan de muurzijde. Het onderzoek van het college is ondeugdelijk en heeft zich ten onrechte geconcentreerd op de huidige traplift en de mogelijkheden van het gecontracteerde bedrijf, [bedrijf]. Er is bovendien geen rekening gehouden met de afgenomen medische mogelijkheden van [eiseres].
3.8.
[eiseres] heeft erop gewezen dat de huidige plek van de traplift vereist dat andere gebruikers op het smalle gedeelte van de traptrede moeten lopen, wat niet veilig en onwenselijk is. Bij een storing van de traplift is het voor [eiseres] bovendien onmogelijk om via het smalle gedeelte van de treden de traplift te verlaten. De traplift aan de muurzijde voldoet niet aan de minimale afmetingen van artikel 3.20 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (het Bbl). De echtgenoot van [eiseres] heeft de trap zelf opgemeten en de aantredes voldoen (op één na) niet aan de voorwaarde van een minimale diepte van 13 cm gemeten op de klimlijn aan de spilzijde van de trap (tenminste 20 cm uit de zijkant van de trap). Ook is op grond van artikel 3.22 van het Bbl een leuning verplicht. Als de traplift aan de muurzijde wordt geplaatst en de leuning aan de spilkant, dan vermindert dat de loopruimte. Ook is dat niet veilig. Volgens [eiseres] is het de meest optimale en veilige voorziening als de traplift aan de spilzijde geplaatst wordt. Het brede gedeelte blijft dan beschikbaar om veilig de trap op te kunnen lopen en er blijft voldoende ruimte over voor een trapleuning aan kant van de muur. [eiseres] verwijst naar verklaringen van haar ergotherapeut d.d. 29 september 2023 en 2 augustus 2024 die haar standpunt ondersteunen.

Het oordeel van de rechtbank

4. Het regelgevend kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
[eiseres] en het college zijn het er niet over eens of het college, met de vervanging van de huidige traplift aan de muurzijde van de trap, een passende voorziening in de zin van de Wmo 2015 heeft aangeboden. Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of de traplift aan de muurzijde of aan de spilzijde moet worden geplaatst.
4.2.
De rechtbank is niet vrij om zelf te bepalen of de traplift aan de linker- of de rechterzijde van de traplift moet worden geplaatst. De taak van de rechtbank is om te beoordelen of het college, gelet op de geldende wet- en regelgeving, terecht en op goede gronden tot het besluit is gekomen om aan [eiseres] eenzelfde traplift aan de muurzijde van de trap aan te bieden als adequate maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo.
De uitgangspunten bij de beoordeling
4.2.
De huidige traplift van [eiseres] is in de woning geplaatst aan de muurzijde (linkerzijde) van de trap vanaf de begane grond naar de eerste verdieping. Er is nu geen trapleuning aanwezig. Deze traplift is afgeschreven en moet worden vervangen. Volgens het college is vervanging door een identiek exemplaar aan dezelfde zijde een adequate oplossing voor de ondersteuningsvraag van [eiseres]. [eiseres] wenst een traplift aan de spilzijde van de trap (de rechterzijde). Ook is er verschil van mening over de plaats van de trapleuning.
4.3.
Of met een maatwerkvoorziening een passende bijdrage wordt geleverd aan de zelfredzaamheid en participatie als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 hangt onder meer af van de vraag of deze voorziening feitelijk gerealiseerd kan worden en of de voorziening niet in strijd is met andere wet- en regelgeving [2] . [eiseres] heeft in dat kader naar voren gebracht dat plaatsing van de traplift aan de linkerzijde in strijd is met de voorwaarden van het Bbl vanwege de hierin opgenomen minimale maten van de resterende trapruimte. Als de traplift aan de smalle zijde wordt geplaatst zou dit volgens [eiseres] niet in strijd zijn met het Bbl .
De geldende voorschriften
4.5.
In artikel 3.20 van het Bbl is geregeld welke maten een trap bij bestaande bouw moet hebben. Het gaat dus om de maten van de trap zelf, wat maakt dat deze bepaling strikt genomen niet van toepassing in de situatie zoals deze, waarin de traplift over een bestaande trap is geplaatst. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft een ‘Infoblad Trapliften op bestaande trappen’ uitgegeven en daarin vermeld dat in het Bouwbesluit 2012 [3] geen specifieke eisen zijn opgenomen voor trappen met trapliften, maar dat er wel minimumvoorschriften voor de veiligheid van bestaande trappen gelden. Het informatieblad beschrijft hoe aan deze voorschriften kan worden voldaan als een traplift wordt geplaatst op een bestaande trap in een woning. Daarbij is gebruik gemaakt van gangbare inzichten over de praktische toepassing van de wettelijke voorschriften. De rechtbank neemt dit Infoblad als uitgangspunt bij de beoordeling.
De klimlijn (loopruimte)
4.6.
In dit Infoblad staat onder meer over de vrije breedte op de trap na het plaatsen van de traplift:
“Een traplift wordt over de trap heen geplaatst. Hoewel de breedte van de trap daarbij ongewijzigd blijft, wordt de vrij te belopen ruimte (vrije breedte) op de trap smaller. De traplift en de leuning moeten zich buiten de ruimte voor de vereiste vrije doorgang bevinden”. En: “De klimlijn verbindt de voorkanten van de treden met elkaar in een vloeiende lijn, ter plaatse van waar de trap wordt belopen. De klimlijn ligt binnen het beloopbare vlak van de trap en bevindt zich op ten minste 0,2 meter uit de zijkant van de trap”. En: "Als een traplift wordt geïnstalleerd bevindt het beloopbare vlak van de trap zich naast de rail van de traplift. De klimlijn moet zich binnen het beloopbare vlak van de trap bevinden. Als de bestaande klimlijn door de traplift wordt overschreden, is dat alleen acceptabel als de klimlijn verschoven kan worden”.
Om te bepalen of de klimlijn verschoven kan worden, moet volgens het Infoblad voldaan worden aan de volgende eisen:
1. De minimumaantrede van elke trede moet ten minste 0,13 meter zijn ter plaatse van de nieuwe klimlijn.
2. De vrije doorgang op de trap moet geborgd blijven (vrije breedte van 0,5 meter en een vrije hoogte van 1,7 meter op de trap).
3. De vrije hoogte op de trap moet ten minste 1,9 meter bedragen.
4. Het verschil in aantrede tussen opeenvolgende treden en gemeten ter plaatse van de klimlijn, mag niet meer dan 0,01 meter bedragen.
5. De klimlijn moet in een vloeiende lijn de voorkanten van de opvolgende treden verbinden.
De leuning
4.7.
Uit artikel 3.22 van het Bbl vloeit voort dat een trapleuning aan tenminste één kant verplicht is. Daar zijn partijen het overigens ook over eens. In de voorschriften is echter niet vastgelegd aan welke zijde van de trap een leuning gemonteerd moet worden. Volgens het Infoblad van het Ministerie mag een leuning, volgens de wettelijke minimumvoorschriften,
verplaatst worden naar de smalle zijde van de trap (spilzijde). Uit het oogpunt van veiligheid heeft een leuning aan de brede zijde echter de voorkeur boven een leuning aan de smalle zijde van de trap. Als de bestaande leuning niet kan worden gehandhaafd bij het plaatsen van een traplift aan de brede zijde van de trap, is het daarom volgens het Infoblad raadzaam om te onderzoeken of de traplift ook langs de smalle zijde van de trap kan worden geïnstalleerd.
De bevindingen bij de gerechtelijke plaatsopneming op 18 maart 2026
4.8.
De rechter heeft ter plaatse kunnen zien, dat de rails van de traplift zich grotendeels binnen de minimale afstand van 20 cm tot de muur bevindt. Alleen in de hoeken (waar de trap een draai en de muur een hoek van 90 graden maakt) komt de rails meer dan 20 cm uit de muur. Daar moet de klimlijn worden verschoven. Partijen zijn het er tijdens de gerechtelijke plaatsopneming over eens en ook de rechter heeft kunnen zien dat in dat geval de aantrede ter plaatse van de klimlijn op ca. 20 cm vanaf de rails steeds tenminste 0,13 meter is, zoals voorgeschreven in het bovengenoemde ‘Infoblad Trapliften op bestaande trappen’. Het verschuiven van de klimlijn is dus mogelijk. Voor de gebruikers resteert dan nog voldoende loopruimte (een vrije breedte van tenminste 0,5 meter en een vrije hoogte van 1,7 meter op de trap). Door [naam 3] is vervolgens vastgesteld dat installatie van de traplift aan de spilzijde van de trap betekent dat de hellingshoek meer dan 60 tot 70 graden bedraagt, wat zo steil is dat [bedrijf] een plaatsing aan die zijde niet uitvoert.
4.9.
Als de nieuwe traplift aan de muurzijde wordt geïnstalleerd moet de leuning aan de andere kant op de spil worden gemonteerd. [naam 3] heeft toegelicht dat dit is te realiseren door twee beugels verticaal op de spil te bevestigen, die bij het traplopen kunnen worden overgepakt. Deze leuning is door [eiseres] zelf niet te gebruiken, omdat deze te ver verwijderd zal zijn van de traplift, maar zo nodig wel door andere gebruikers van de trap.
4.10.
De rechter heeft gezien hoe de situatie is als [eiseres] de traplift gebruikt. [eiseres] liet zien dat zij door toegenomen beperkingen aan haar knie haar been minder goed kan buigen en dat zij daarom problemen verwacht met een obstakel in de vorm van een trapleuning aan de spilzijde. [naam 3] heeft uiteengezet dat hieraan tegemoet kan worden gekomen met een andere voetenplank en een elektrisch draaibaar stoeltje. [eiseres] kan door haar beperkingen geen gebruik maken van de veiligheidsgordel van de stoel van de traplift. Maar zij zit stabiel en rustig in de stoel. Het risico dat ze eruit valt als de stoel iets moet worden gedraaid vanwege de aanwezigheid van een leuning aan de spil, lijkt niet aanwezig. Wel ervaart [eiseres] het als spannend om dan, zittend op het stoeltje van de traplift, recht naar beneden te kijken. De rechtbank gaat er vanuit dat dat met een traplift aan de spilzijde niet veel anders zal zijn, omdat zij ook dan, vanwege de steilere hellingshoek, meer ruggelings omhoog bewogen zal worden.

Conclusie

5.1.
De rechtbank komt tot de conclusie dat plaatsing van een nieuwe traplift aan de linkerzijde van de trap mogelijk is en niet in strijd is met de geldende bouwvoorschriften. De trapleuning kan in dat geval aan de spilzijde worden gemonteerd. Bovendien is gebleken dat [eiseres] daadwerkelijk veilig gebruik kan maken van deze traplift. [eiseres] heeft wel een andere dan de standaard voetenplank nodig en een elektrisch verstelbare stoel. De rechtbank gaat ervan uit dat het college zorgt dat dit bij de plaatsing wordt meegenomen. Daarnaast zou het, buiten dit rechtsgeding om, wel heel fijn zijn als er gekeken wordt of er een (elektronische) oplossing mogelijk is, waardoor [eiseres] tijdens het gebruik van de traplift, ondanks haar beperkingen, toch gebruik zou kunnen maken van de veiligheidsgordel.
5.2.
De rechtbank heeft begrepen dat plaatsing van de traplift aan de spilzijde voor [eiseres] meerwaarde heeft. Volgens haar ergotherapeut is dat immers de meest optimale en veilige voorziening, die de mogelijkheid biedt om zelfstandig uit te stappen als de traplift hapert. Ook het Infoblad van het Ministerie beschrijft een traplift aan die kant als meest veilig. Toch mag het college kiezen voor de traplift aan de muurzijde, omdat deze óók veilig is en een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid van [eiseres]. Bovendien kiest het college hiermee voor de goedkoopste voorziening, in overeenstemming met wat is bepaald in artikel 5.3. van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Borne 2022. Voorts volgt de rechtbank het standpunt van het college dat de plicht van het college niet zover gaat dat een voorziening ook passend moet zijn voor incidentele situaties, zoals storingen. De rechtbank komt daarom tot de slotsom dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de aangeboden traplift in dit geval een voor eiseres passende maatwerkvoorziening is.
Een blik op de toekomst
5.3.
De rechtbank hecht eraan partijen het volgende mee te geven. Met deze uitspraak hakt de rechtbank een knoop door over het tussen partijen gerezen (juridische) geschil over de vervanging van de traplift. De rechter heeft gemerkt hoezeer dit geschil de gemoederen in beweging heeft gebracht. Begrijpelijk is dat [eiseres] en haar man teleurgesteld en gefrustreerd zijn geraakt doordat het zolang heeft geduurd voordat er eindelijk eens een juridische beslissing ligt. Maar bovendien lijkt het erop dat door dit geschil de onderlinge communicatie en relatie tussen [eiseres] en het college verstoord is geraakt. En dat valt te betreuren, omdat de verwachting is dat [eiseres] en het college in het kader van de Wmo nog wel vaker met elkaar te maken zullen hebben. Sterker nog, tijdens de gerechtelijke plaatsopneming werd duidelijk dat er nog een paar kwesties open staan, waarover nog een beslissing moet volgen.
5.4.
Omdat de onderlinge verstandhouding nu verstoord lijkt te zijn, partijen vaker met elkaar te maken hebben en er nog meer kwesties tussen partijen open staan, wil de rechtbank partijen aanbevelen om te proberen te komen tot herstel van de onderlinge verstandhouding. Dit zou kunnen met hulp van een mediator.
Het Mediationbureau van de rechtbank kan partijen daarheen begeleiden. Als (één van) partijen dit wil(len) kunnen zij daarvoor contact opnemen met het Mediationbureau van de rechtbank Overijssel (telefoon: 088-361 1097, e-mail: Mediation.ove​@rechtspraak.nl).
Daar komt bij, dat vanaf 1 maart 2023 de eerste 2,5 uur van een mediation volledig gesubsidieerd wordt, als die is doorverwezen vanuit de rechtspraak. Deze startbijdrage bedraagt € 179,- (excl. btw) per deelnemende betalende partij, met een maximum van
€ 358,- (excl. btw) per mediation. De mediator brengt de eerste 2,5 uur van de mediation dus niet bij partijen in rekening, maar ontvangt daarvoor de startbijdrage.

Conclusie en gevolgen

6.1.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het college heeft mogen besluiten [eiseres] in aanmerking te brengen voor de maatwerkvoorziening die bestaat uit een traplift aan de muurzijde van de trap, zoals hiervoor overwogen. Het beroep is daarom ongegrond.
6.2.
Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen recht op vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Artikel 2.3.5
(...)
3. Het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Verordening Maatschappelijke ondersteuning Borne 2022

Artikel 5.3 Voorwaarden en weigeringsgronden
1.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst compenserende voorziening.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Artikel 3.20 bbl
een trap als bedoeld in artikel 3.19, heeft afmetingen die voldoen aan tabel 3.20.
Tabel 3.20 afmetingen van een trap
Minimum breedte van de trap
0,7 m
Minimum vrije hoogte boven de trap
1,9 m
Minimum aantrede ter plaatse van de klimlijn, gemeten loodrecht op de voorkant van de trede
0,13 m
Maximum hoogte van een optrede
0,22 m
Minimum afstand van de klimlijn tot de zijkanten van de trap
0,2 m
Artikel 3.22 Bbl
Een trap als bedoeld in artikel 3.20 waarvan de helling ter plaatse van de klimlijn groter is dan 2:3 heeft, voor zover een hoogteverschil is overbrugd van meer dan 1,5 m, aan ten minste een zijkant een leuning. De bovenkant van de leuning ligt, gemeten boven de voorkant van een tredevlak van de trap, op een hoogte van ten minste 0,6 m en ten hoogste 1 m.

Voetnoten

1.Zie ook artikel 5.3 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Borne.
2.Vergelijk de uitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2716.
3.Het Bouwbesluit 2012 is per 1 januari 2024 vervangen door het Bbl.