ECLI:NL:RBOVE:2026:212

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
11992144 \ CV EXPL 25-3522
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:438 BWArt. 1:439 BWArt. 7:625 BWArt. 7:628 BWArt. 7:629 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig beëindigd; loonbetaling en salarisspecificaties toegewezen

Eiser trad op 6 oktober 2025 in dienst bij gedaagde als magazijnmedewerker. Kort daarna vertrok eiser onder werktijd van de werkplek en gaf telefonisch aan niet terug te willen keren, waarna gedaagde aannam dat eiser zelf ontslag had genomen. De bewindvoerder van eiser stelde dat eiser niet zelf ontslag had genomen, maar ongewild was weggestuurd en dat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd.

De rechtbank beoordeelde in kort geding of de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was geëindigd en oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet was beëindigd omdat eiser onder bewind stond en zijn opzegging zonder medewerking van de bewindvoerder ongeldig was. Gedaagde had bovendien kennis van het bewind, waardoor zij geen beroep kon doen op derdenbescherming.

De loonvordering werd deels toegewezen: vanaf 4 november 2025 is eiser ziek gemeld en heeft recht op 70% loonbetaling. Voor de periode 13 oktober tot 4 november 2025 werd de loonvordering afgewezen omdat eiser niet bereid was te werken. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van loon, wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging, alsmede tot afgifte van salarisspecificaties. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig beëindigd; werkgever veroordeeld tot betaling van 70% loon vanaf 4 november 2025 en afgifte van loonstroken.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 11992144 \ CV EXPL 25-3522
Vonnis in kort geding van 20 januari 2026
in de zaak van
[bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] , h.o.d.n. [bedrijf] V.O.F.
in hoedanigheid van bewindvoerder in het beschermingsbewind van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna respectievelijk te noemen: de bewindvoerder en [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.N. Sahebdien,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. N. Stroil.

1.De procedure

1.1.
De bewindvoerder heeft bij dagvaarding d.d. 9 december 2025 (inclusief producties) deze procedure aanhangig gemaakt.
1.2.
In reactie op de dagvaarding heeft [gedaagde] verwezen naar de inhoud (en de producties) van haar voorwaardelijk verzoekschrift tot ontbinding (zaaknummer 12029465 EJ VERZ 25-299).
1.3.
Beide procedures zijn gelijktijdig behandeld op 6 januari 2026.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is op 6 oktober 2025 bij [gedaagde] in dienst getreden in de functie van magazijnmedewerker tegen een basissalaris van € 1.997,44 bruto per maand voor 32 uur per week voor de duur van één jaar.
2.2.
Op 13 oktober 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen (in ieder geval)
[naam 1] ( [eiser] ’ leidinggevende, hierna: [naam 1] ) en [eiser] . [eiser] is hierna (onder werktijd) van de werkplek vertrokken.
2.3.
Op 14 oktober 2025 hebben [eiser] en [naam 1] telefonisch contact gehad. Korte tijd later heeft [naam 2] aan [eiser] gemaild:
(...)
Naar aanleiding van het telefoongesprek van vanmiddag (14 oktober 2025) met [naam 1] , leidinggevende, waarin je hebt aangegeven niet meer terug te willen keren naar [gedaagde] , willen wij je hierbij vragen dit formeel schriftelijk te bevestigen.
Op basis van dit telefoongesprek gaan wij ervan uit dat je zelf ontslag neemt en dat je dienstverband bij [gedaagde] per maandag 13 oktober 2025 wordt beëindigd.
(...)
2.4.
Op 27 oktober mailt de gemachtigde van [eiser] (c.q. de bewindvoerder) aan [naam 2] :
(...)
Client was amper begonnen toen door een aantal personen binnen uw organisatie, op enig moment zeer persoonlijke vragen werden gesteld aan client, op welke vragen client geen antwoord hoefde te geven. Ook werd plotseling aan client gevraagd of hij onder bewind stond. Client vond dit raar, want onderbewind staan betreft immers geen reden om iemand niet in dienst te nemen.
Kort na het beantwoorden van de vragen werd client, zo goed als direct verteld, dat het continueren van de arbeidsrelatie niet meer zinvol was. Client werd eveneens op 13 oktober jl. naar huis gestuurd.
Client is enorm geschrokken van het feit dat hij vrijwel onmiddellijk “ongewenst” werd verklaard. Hij vond het ook vervelend dat hij naar huis werd gestuurd. Client moest een aantal dagen bijkomen van hetgeen hem was overkomen. Aan client, althans de vader van client werd op enig moment verzocht om het einde van het dienstverband te bevestigen. Dat wil client niet. Client stelt immers dat hij niet meer gewenst was op de werkvloer en naar huis is gestuurd. Client heeft zelf geen ontslag genomen.
(...)
In de onderhavige kwestie is client heengezonden. Hij was niet langer gewenst op de werkvloer. Client wilde doorwerken doch dit werd hem door uw organisatie onmogelijk gemaakt.
(....)
Client gaat er van uit dat hij per 13 oktober is vrijgesteld van werkzaamheden met behoud van het salaris. Mocht dit anders zijn dan verneem ik dat graag van u.
(....)
2.5.
Het antwoord van de gemachtigde van [gedaagde] daarop luidt:
(...)
Cliënte heeft geprobeerd om met uw cliënt in contact te komen; daartoe heeft ze meerdere pogingen ondernomen. Cliënte heeft zelfs contact gezocht met de ouders van uw cliënt en een gesprek met uw cliënt in hun aanwezigheid voorgesteld.
(...)
Uw cliënt stelt dat hij zijn arbeidsovereenkomst niet opgezegd heeft; althans dat dat niet zijn bedoeling is geweest maar dat hij in een opwelling heeft gehandeld. Cliënte verneemt graag of dat betekent dat uw cliënt zijn arbeidsovereenkomst met haar wenst voort te zetten.
Wel merk ik namens cliënte op dat uw cliënt niet is vrijgesteld van arbeid. Hij heeft sinds 13 oktober jl. geen arbeid verricht, heeft zich niet beschikbaar gesteld voor het verrichten van arbeid en is evenmin bereid gebleken om met cliënte in gesprek te treden.
(...)
Cliënte gaat tot slot graag met uw cliënt in gesprek om de toekomst te bespreken. Zij nodigt hem daartoe uit op maandag 3 november a.s. om 14:00 uur. Zijn vader is (natuurlijk) welkom om aan te schuiven. (...)
2.6.
Op 29 oktober 2025 is daarop geantwoord:
(...): client wil terug en wenst inderdaad eerstens een goed gesprek met de werkgever. (...)
2.7.
Op 3 november 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden, waarbij namens [gedaagde] aanwezig waren [naam 3] en [naam 2] . [eiser] werd vergezeld door zijn vader. Het gesprek is, zonder dat [eiser] en zijn vader dat wisten, opgenomen.
2.8.
Op 4 november 2025 mailt de gemachtigde van de bewindvoerder aan [gedaagde] :
(...)
Doordat de emoties hoog opliepen heeft cliënt het gesprek verlaten en heeft hij heden kenbaar gemaakt, zeker werkzaam te willen blijven bij [gedaagde] -dranken maar dat hij daartoe thans niet in staat is vanwege zijn psychische gesteldheid. Cliënt heeft de handelwijze van uw cliënte als ziekmakend ervaren. Hij is hier ook enorm van geschrokken.
(...)
Per heden wenst (sic, ktr.) client zich ook via ondergetekende ziek. (...)

3.Het geschil

3.1.
De bewindvoerder vordert, voor zover mogelijk in kort geding, een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] niet rechtsgeldig is beëindigd. Verder vordert zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, met afgifte van gecorrigeerde loonstroken en tot toelating, op straffe van verbeurte van een dwangsom, van [eiser] (vanaf het moment dat hij weer arbeidsgeschikt is) tot zijn gebruikelijke werkzaamheden. Tot slot vordert zij dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. Volgens haar is de arbeidsovereenkomst geëindigd door de opzegging van [eiser] en moet het gevorderde worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de bewindvoerder ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Spoedeisendheid
4.2.
Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van het gevorderde.
Arbeidsovereenkomst is niet geëindigd
4.2.
In geschil is of de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is geëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is, gelet op het navolgende.
4.3.
De goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser] zijn onder bewind gesteld. Een arbeidsovereenkomst is geen goed en valt niet onder het bewind. Wel zijn de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten van [eiser] aan te merken als goederen die onder bewind staan. Deze rechten, met name bestaande uit aanspraak op loonbetaling, beogen de rechthebbende immers materieel voordeel te verschaffen (vergelijk Hoge Raad
7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525 over de rechten die voortvloeien uit een huurovereenkomst).
4.4.
Artikel 1:438 lid 2 BW Pro bepaalt dat tijdens het bewind de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen kan beschikken.
In artikel 1:439 lid 1 BW Pro staat dat, indien een rechtshandeling ongeldig is omdat zij ondanks het bewind werd verricht door de rechthebbende, deze ongeldigheid alleen aan de wederpartij kan worden tegengeworpen indien zij het bewind kende of had behoren te kennen.
4.5.
De vraag of [eiser] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, kan onbeantwoord blijven. (Zelfs) als dit het geval zou zijn, zou deze opzegging ongeldig zijn omdat de medewerking van de bewindvoerder ontbrak en [gedaagde] geen beroep toekomt op de derdenbescherming van artikel 1:439 BW Pro. Zij wist immers, door de door [eiser] op
13 oktober 2025 gegeven antwoorden, dat hij onder bewind stond (zie onder 2.4) en had ook daarvoor het (gepubliceerde) bewind al behoren te kennen.
4.6.
Hoewel de arbeidsovereenkomst dus niet is geëindigd, zal de gevorderde verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd, worden afgewezen, omdat een verklaring voor recht in een kort geding procedure niet kan worden toegewezen.
Wedertewerkstelling
4.7.
Deze vordering zal worden afgewezen, nu de arbeidsovereenkomst in de verzoekschriftprocedure met zaaknummer 12029465 EJ VERZ 25-299 zal worden ontbonden per 1 februari 2026.
Loonvordering
4.8.
Gelet op de ziekmelding van 4 november 2025 (zie hiervoor onder 2.8) gaat de kantonrechter er vanuit dat de bewindvoerder met ingang van die datum doorbetaling van loon vordert op grond van artikel 7:629 BW Pro. Dit artikel bepaalt, voor zover hier van belang, dat een werknemer tijdens ziekte recht heeft op 70% van het loon, maar de eerste 52 weken ten minste op het voor hem geldende wettelijke minimumloon.
4.9.
Hoewel, anders dan in de dagvaarding aangekondigd, enige onderbouwing van de gestelde (arbeidsongeschiktheid wegens) ziekte ontbreekt, wordt daarin geen aanleiding gezien (dit deel van) de loonvordering niet toe te wijzen. De werkgever moet immers stellen (en bewijzen) dat het niet-werken van de werknemer in diens risicosfeer valt. Dit heeft
[gedaagde] niet gedaan; zij heeft de gestelde arbeidsongeschiktheid niet betwist.
4.10.
Waar het gaat om de periode van 13 oktober tot 4 november 2025, begrijpt de kantonrechter de loonvordering ter zake als gebaseerd op artikel 7:628 BW Pro. De stellingen van [eiser] /de bewindvoerder komen er immers op neer dat [eiser] wel wilde werken (dus niet arbeidsongeschikt was wegens ziekte), maar naar huis is gestuurd. Voormeld artikel bepaalt dat indien de werknemer niet werkt, hij in beginsel recht heeft op loon, tenzij het niet-werken in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen. Daarbij geldt wel dat de werknemer bereid moet zijn om de bedongen arbeid te verrichten.
4.11.
Nu [eiser] tijdens het onder 2.7 vermelde gesprek heeft toegegeven dat hij niet is weggestuurd, maar zelf is vertrokken (en overigens in de daarop volgende weken allerminst blijk heeft gegeven van bereidheid om (weer) te komen werken) is de loonvordering voor zover gebaseerd op artikel 7:628 BW Pro naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet toewijsbaar.
4.12.
De over het toe te wijzen loon gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging worden toegewezen als na te volgen, waarbij de kantonrechter in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet de wettelijke verhoging te matigen tot 10%. Verder zal [gedaagde] worden veroordeeld tot afgifte van gecorrigeerde loonstroken.
4.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de bewindvoerder te betalen:
a. 70% van het voor [eiser] geldende salaris van € 1.997,44 bruto, te vermeerderen met emolumenten, althans ten minste het voor hem geldende wettelijke minimumloon vanaf 4 november 2025 tot 1 februari 2026;
b. de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro, gematigd tot 10%, over de onder a. bedoelde bedragen, voor zover achterstallig;
c. de wettelijke rente over de onder a bedoelde bedragen, (telkens) vanaf de respectieve vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van salarisspecificaties over de maanden november 2025 tot en met januari 2026;
5.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026.