Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
- het verzoekschrift van de man (met bijlagen), binnengekomen op 15 januari 2026;
- het exploot van de betekening van 27 januari 2026, binnengekomen op 29 januari 2026;
- de op 9 maart 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Bruning;
- het verweerschrift, met bijlagen, met zelfstandige verzoeken, binnengekomen op
- het verweerschrift tegen de zelfstandige verzoeken, met bijlagen, binnengekomen op
- het verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen, binnengekomen op 30 december 2025;
- de op 8 januari 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Bruning;
- het verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 5 februari 2026;
- de op 5 februari 2026 binnengekomen brief van mr. De Munnik-Hoogendoorn;
- de op 6 februari 2026 binnengekomen brief van mr. Bruning;
- het aanvullend verweerschrift, met bijlagen, binnengekomen op 6 maart 2026;
- de op 9 maart 2026 binnengekomen brief, met bijlagen, van mr. Bruning;
- de op 13 maart 2026 binnengekomen brief, met bijlagen van mr. De Munnik-Hoogendoorn;
- het verweerschrift tegen het aanvullende verweerschrift, binnengekomen op
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat:
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad).
2.De feiten
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021.
3.Het verzoek ontbinding geregistreerd partnerschap
- in de A weken:
- zaterdag 16.30 uur bij de man tot dinsdag 16.30 uur;
- van dinsdag 16.30 uur bij de vrouw zijn tot zaterdag 16.30 uur;
- in de B weken:
- van zaterdag 16.30 uur bij de man tot woensdag 16.00 uur;
- van woensdag 16.00 uur tot zaterdag 16.30 uur bij de vrouw;
- alsmede de helft van de vakanties en feestdagen in onderling overleg vast te stellen;
6.Het verzoek vervangende toestemming verhuizing
7.Het (aanvullend) verweer vervangende toestemming verhuizing
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij vader vast te stellen;
- alsmede te bepalen dat de kinderen op hun school in [plaats 1] blijven;
- alsmede te bepalen dat het halen en brengen van de kinderen geschiedt door de vrouw;
- alsmede te bepalen dat de kinderen alle buitenschoolse activiteiten zoals bijvoorbeeld zwemles, sport, muziek, et cetera zullen hebben in [plaats 1] / [plaats 3] .
- alsmede te bepalen dat er een zorgregeling vastgesteld wordt tussen de vader en de kinderen inhoudende de regeling zoals is beschreven in productie 4 het gewenste schema (in OP) van [de vader] ;
- de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij vader vast te stellen;
- alsmede te bepalen dat de kinderen op hun school in [plaats 1] blijven;
- alsmede te bepalen dat de kinderen alle buitenschoolse activiteiten zoals bijvoorbeeld zwemles, sport, muziek, et cetera zullen hebben in [plaats 1] / [plaats 3] ;
- alsmede te bepalen dat er een zorgregeling vastgesteld wordt tussen de moeder en de kinderen inhoudende de regeling zoals is beschreven in productie 13 van de man.
8.Het verweerschrift tegen het aanvullend verweer
9.Het advies van de raad
10.De beoordeling
- bepalen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben;
- de moeder vervangende toestemming geven voor de verhuizing naar [plaats 2] ;
- een zorgregeling vaststellen waarin [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op maandag, dinsdag en woensdagochtend bij de vader verblijven. De vader brengt de kinderen op woensdagochtend naar school en de moeder haalt de kinderen op uit school. De kinderen verblijven dan van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag bij de moeder. De kinderen verblijven in de even weken aansluitend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder. De kinderen verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader;
- vaststellen dat de ouders overeenstemming hebben bereikt over de vakantie- en feestdagen;
- de overige verzoeken hierover in allebei de procedures afwijzen.
De vader is het niet eens met de voorgenomen verhuizing van de moeder. De vader wil graag de birdnesting-constructie voortzetten tot de moeder wel een woning in [plaats 1] heeft gevonden. Hij wil daarom ook dat de rechtbank de moeder verbiedt om te verhuizen naar [plaats 2] . Hij stelt zich in eerste instantie op het standpunt dat de moeder in [plaats 1] moet blijven wonen, zodat de co-ouderschapsregeling kan worden voortgezet. [minderjarige 1] moet in dat geval haar hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en [minderjarige 2] bij de moeder. De vader heeft de intentie om, na verkoop van de echtelijke woning, in [plaats 1] te blijven wonen. Als de rechtbank de moeder wel vervangende toestemming verleent, dan moeten de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de vader hebben en moet er een zorgregeling worden vastgesteld tussen de kinderen en de moeder waarin zij drie weekenden per vier weken bij de moeder verblijven dan wel een zorgregeling waarin de kinderen op maandag en dinsdag bij de moeder verblijven en om het weekend.
Volgens de vader is dit gelet op de reistijd en de wagenziekte van [minderjarige 1] niet haalbaar en ook de raad heeft hierover negatief geadviseerd. De reistijd tussen [plaats 1] en [plaats 2] bedraagt ongeveer 40 minuten. De kinderen zullen bij een co-ouderschapsregeling meerdere reisbewegingen per week moeten maken, ongeacht waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben en naar school gaan. Dit is geen ideale situatie voor de kinderen. Ten aanzien van de wagenziekte van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat tijdens de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] hier geen last meer van heeft sinds zij voorin zit. Aan de andere kant ziet de rechtbank dat het creëren van een ideale situatie in deze kwestie niet meer haalbaar is. De rechtbank moet een afweging maken tussen twee situaties die - ten opzichte van de huidige situatie - allebei nadelen meebrengen voor de kinderen. Aan de ene kant de situatie waarin de co-ouderschapsregeling wel kan worden voortgezet, maar de kinderen veel reisbewegingen zullen moeten maken tussen [plaats 1] en [plaats 2] . En aan de andere kant de situatie waarin er een beperkte zorgregeling – zoals de weekendregeling die vader subsidiair heeft verzocht – zal zijn tussen de moeder en de kinderen als gevolg van haar keuze, wat volgens de raad ook niet in het belang is van de kinderen. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat een co-ouderschapsregeling bij een verhuizing naar [plaats 2] wel kan worden voortgezet. Hoewel dit gelet op de reistijd een belasting zal zijn voor de kinderen, weegt dit naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het nadeel dat de kinderen veel minder contact zouden hebben met de moeder. De rechtbank komt daarmee tot de tussenconclusie dat een verhuizing van de moeder naar [plaats 2] geen gevolgen zal hebben voor het contact met één van de ouders.
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag, dinsdag en woensdagochtend naar school bij de vader;
- de vader brengt de kinderen op woensdagochtend naar school en de moeder haalt de kinderen op woensdagmiddag op uit school;
- de kinderen verblijven van woensdagmiddag uit school tot en met vrijdag bij de moeder;
- de kinderen verblijven in de even weken aansluitend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder;
- de kinderen verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader.
11.De beslissing
[datum] 2018 te [plaats 1] aangegaan;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag, dinsdag en woensdagochtend naar school bij de vader;
- de vader brengt de kinderen op woensdagochtend naar school en de moeder haalt de kinderen op woensdagmiddag op uit school;
- de kinderen verblijven van woensdagmiddag tot en met vrijdag bij de moeder;
- de kinderen verblijven in de even weken aansluitend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de moeder;
- de kinderen verblijven in de oneven weken van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend naar school bij de vader;
- de ouder bij wie de kinderen op zondag verblijven, brengt de kinderen op maandagochtend naar school;
- de meivakantie wordt bij helfte gedeeld, waarbij de moeder de keuze voor de eerste of de laatste week heeft in de even jaren en de vader in de oneven jaren;
- de kerstvakantie wordt bij helfte gedeeld, in goed overleg tussen de ouders overeen te komen waarbij de kinderen eerste kerstdag bij de ene ouder zijn en tweede kerstdag bij de andere ouder en daarnaast om het jaar met oud en nieuw bij de ene dan wel bij de andere ouder verblijven;
- de reguliere regeling loopt door in de herfstvakantie en de voorjaarsvakantie;
- in de even jaren Pasen bij de ene ouder en Pinksteren bij de andere ouder en in de
- de vakanties beginnen op de vrijdag;
- de kinderen verblijven dit jaar met Hemelvaart en het daarop aansluitende weekend bij de moeder (donderdag 14 mei 2026 tot en met maandagochtend naar school);
de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaardenaan en verzoekt de advocaten om zich uiterlijk op
19 mei 2026uit te laten over de stand van zaken en het verdere verloop van de procedure.
M. Vodegel, allen (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. K.J. de Jong, griffier.