Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2170

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
20 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
ak_25_1395
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 ZWArt. 45 ZWArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Ziektewet-uitkering wegens niet verschijnen op bedrijfsartsafspraak onterecht

Eiser werkte tot 1 april 2024 bij een werkgever en meldde zich per 18 maart 2024 ziek. Het UWV schortte de ZW-uitkering op omdat eiser niet op een afspraak bij de bedrijfsarts verscheen en ontzegde hem de uitkering wegens het niet vaststellen van arbeidsongeschiktheid.

Eiser voerde aan dat hij vanwege schizofrenie en ernstige mentale klachten niet in staat was de afspraak na te komen en dit niet kon melden. De rechtbank stelde vast dat eiser bekend was met deze aandoening en dat dit zijn niet verschijnen verklaart. Het UWV had op basis van medische gegevens nader onderzoek moeten doen in plaats van direct de uitkering te weigeren.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat het UWV binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, rekening houdend met de medische situatie van eiser. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV moet een nieuw besluit nemen over de ZW-uitkering van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1395

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. C. Lubberts).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV waarin eisers ZW [1] -uitkering is beëindigd (de rechtbank begrijpt: afgewezen), omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet is vast te stellen. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op onjuiste gronden eisers ZW-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
In het besluit van 1 november 2024 heeft het UWV eisers ZW-uitkering per
18 maart 2024 afgewezen, omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet is vast te stellen.
2.2
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
17 april 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV bij het besluit van 1 november 2024 gebleven.
2.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.6
De rechter die de zaak op zitting heeft behandeld, was vanwege langdurige afwezigheid niet in staat de zaak verder te behandelen en uitspraak te doen. Partijen zijn erover geïnformeerd dat een andere rechter in deze zaak uitspraak zal gaan doen, in beginsel zonder nieuwe zitting, tenzij één van partijen zou aangeven dat hij/zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Geen van partijen heeft daarop aangeven een nieuwe zitting te wensen. De zaak is vervolgens toebedeeld aan mr. F. Koster voor een uitspraak.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1
Eiser werkte sinds 2 januari 2023 als [functie] bij (destijds geheten) [bedrijf] B.V. te [vestigingsplaats]. Dit dienstverband is per 1 april 2024 beëindigd. Eiser heeft zich op 17 mei 2024 per 18 maart 2024 ziekgemeld. Het UWV heeft eisers ex-werkgever van deze ziekmelding bij brief van 3 juni 2024 op de hoogte gesteld en erop gewezen dat de ex-werkgever, als eigenrisicodrager, verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de ZW. Het UWV heeft ex-werkgever verzocht de ziekmelding zo spoedig mogelijk in behandeling te nemen. Vanwege het uitblijven van een reactie van ex-werkgever, heeft het UWV op 16 juli 2024 ex-werkgever een herinnering gestuurd en andermaal verzocht de ziekmelding in behandeling te nemen.
3.2
In het besluit van 22 augustus 2024 heeft het UWV de uitbetaling van eisers ZW-uitkering met ingang van 18 maart 2024 geschorst, omdat eiser niet op de afspraak bij de bedrijfsarts op 22 juli 2024 is verschenen. Eiser is er daarbij op gewezen dat hij binnen 1 maand contact op moet nemen met zijn ex-werkgever om de schorsing ongedaan te maken.
3.3
Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals hiervoor onder ‘Procesverloop’ uiteen is gezet.

Standpunten van partijen

4.1
Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat eiser geen ZW-uitkering krijgt, omdat zijn arbeidsongeschiktheid niet kan worden vastgesteld. Zo heeft eiser niet gereageerd op een brief van 22 augustus 2024. Ook is hij niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts op 4 april 2025.
4.2
Eiser stelt zich op het standpunt – samengevat weergegeven – dat hij vanwege ernstige mentale klachten niet in staat was om op het spreekuur van 4 april 2025 te verschijnen. Ook was hij om diezelfde reden niet in staat de arbodienst, het UWV of zijn gemachtigde hiervan op de hoogte te stellen. Voor zijn mentale klachten is eiser al ruim een jaar onder behandeling bij Dimence. Ook vindt een medicamenteuze behandeling plaats. Uit informatie van Dimence blijkt dat eiser bekend is met schizofrenie. Dit leidt bij eiser tot ernstige beperkingen in het dagelijks leven. Van een dergelijk persoon kan niet worden verwacht dat hij zijn afspraken nakomt. Vanwege zijn ernstige psychiatrische stoornis kan eiser niet worden verweten dat hij niet op het spreekuur van 4 april 2025 is verschenen. Eiser heeft ook het UWV laten weten dat hij kampt met psychiatrische problemen en hij verwijst in dit verband naar e-mailverkeer van 15 april 2025. Ook is voorgesteld om de bedrijfsarts medische informatie op te laten vragen bij Dimence, zodat de bedrijfsarts een beeld kan vormen van de mentale toestand van eiser. Daar is het UWV ten onrechte niet op ingegaan.
4.3
Naar aanleiding van wat eiser in beroep heeft aangevoerd, heeft het UWV een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gedateerd 8 augustus 2025, ingediend en geconcludeerd dat geen aanleiding bestaat om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

Beoordeling door de rechtbank

5.1
Artikel 28 van Pro de ZW houdt de verplichting in voor een verzekerde om zich te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een door het UWV aangewezen arts. Artikel 45, eerste lid aanhef en onder c, van de ZW ziet op de situatie waarin een verzekerde zonder deugdelijke grond nalaat gevolg te geven aan een verzoek om te verschijnen of als het geneeskundig onderzoek door toedoen van een verzekerde niet kan plaatsvinden.
5.2
Niet in geschil is dat eiser de brief van 22 augustus 2024 – het schorsingsbesluit – heeft ontvangen. Evenmin is in geschil dat hij niet is verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts op 4 april 2025, terwijl hij daar wel weet van had. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of eiser zonder deugdelijke grond heeft nagelaten op dit spreekuur te verschijnen.
5.3
Vaststaat dat eiser al langere tijd bekend is met schizofrenie. Uit informatie van eisers behandelaar [2] volgt dat eiser als gevolg van deze aandoening bij de dag leeft, afspraken niet nakomt en geregeld niet dan wel slecht bereikbaar is. Dit beeld wordt bevestigd door het feit dat eiser niet is verschenen op het spreekuur bij de bedrijfsarts van
4 april 2025. Ook eisers gemachtigde heeft aangegeven dat het contact met eiser moeizaam verloopt. De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende aannemelijk is geworden dat het niet verschijnen op het spreekuur van 4 april 2025 van doen heeft met zijn ziektebeeld en dat hem mogelijk daardoor niet kan worden verweten dat hij heeft nagelaten op dat spreekuur te verschijnen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat bedoelde omstandigheden bij het UWV inmiddels ook bekend waren en dat ze nogmaals onder de aandacht gebracht waren door eisers gemachtigde op 15 april 2025. Het had in deze situatie op de weg van het UWV gelegen om op basis van de beschikbare medische gegevens bij de behandelaren van eiser nadere informatie op te vragen. De rechtbank is van oordeel dat het UWV onder de gegeven omstandigheden niet zonder meer tot de conclusie mocht komen dat eiser “zonder deugdelijke grond” niet op de afspraak is verschenen en dat het UWV hem daarom toen niet om die reden een uitkering mocht ontzeggen.
5.4
Niet ondenkbeeldig is dat de verzekeringsarts aan de hand van alle beschikbare informatie vervolgens eisers belastbaarheid had kunnen vaststellen. Het enkele gegeven dat eiser niet op een spreekuur verschijnt en, indien aan de orde, onderzoek op een andere wijze ook niet mogelijk is, maakt dus niet dat een verzekeringsarts op basis van de informatie die wel beschikbaar is geen inschatting zou kunnen maken van eisers beperkingen. De rechtbank merkt hierbij wel op dat het niet kunnen doen van onderzoek in het nadeel van eiser kan worden uitgelegd, mits de verzekeringsarts op basis van de beschikbare en op te vragen informatie kan vaststellen dat het voor eiser wél mogelijk was om bij een spreekuur aanwezig te zijn of op een andere manier mee te werken aan een onderzoek.
5.5
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van een situatie, als bedoeld in artikel 45, eerste lid aanhef en onder c, van de ZW, geen sprake. De weigering van de ZW-uitkering kan om die reden geen standhouden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb [3] . De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het UWV nog nader onderzoek moet doen om een zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd besluit te kunnen nemen, kan de rechtbank niet zelf voorzien in de zaak. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 8:106 van Pro de Awb te lopen na afloop van de hoger beroepstermijn dan wel, indien hoger beroep wordt ingesteld, vanaf de datum waarop op het hoger beroep is beslist.
7. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 17 april 2025;
  • draagt het UWV op binnen zes weken na afloop van de in artikel 8:106 Awb Pro bedoelde termijn een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van
A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ziektewet.
2.brieven van 9 mei 2025 en 3 september 2025 van klinisch psycholoog Van Bennekom
3.Algemene wet bestuursrecht