Eiser werkte tot 1 april 2024 bij een werkgever en meldde zich per 18 maart 2024 ziek. Het UWV schortte de ZW-uitkering op omdat eiser niet op een afspraak bij de bedrijfsarts verscheen en ontzegde hem de uitkering wegens het niet vaststellen van arbeidsongeschiktheid.
Eiser voerde aan dat hij vanwege schizofrenie en ernstige mentale klachten niet in staat was de afspraak na te komen en dit niet kon melden. De rechtbank stelde vast dat eiser bekend was met deze aandoening en dat dit zijn niet verschijnen verklaart. Het UWV had op basis van medische gegevens nader onderzoek moeten doen in plaats van direct de uitkering te weigeren.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en bepaalde dat het UWV binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen, rekening houdend met de medische situatie van eiser. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.